Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201101770/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tuinbouwloods en tunnelkassen op het perceel kadastraal bekend gemeente Stramproy, sectie […], nummers […] (hierna: het perceel). Dit besluit is op 13 januari 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/6123
JOM 2012/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101770/1/A4.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Stramproy, gemeente Weert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tuinbouwloods en tunnelkassen op het perceel kadastraal bekend gemeente Stramproy, sectie […], nummers […] (hierna: het perceel). Dit besluit is op 13 januari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door S.C.J. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. R. Lagerweij als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. De verleende vergunning heeft betrekking op een inrichting voor de opslag, sortering en veilingklaar maken van tuinbouwproducten alsmede de realisatie van enkele tunnelkassen ten behoeve van de teelt van tuinbouwgewassen.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellant] stelt dat de inrichting waarvoor thans vergunning is verleend één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer vormt met de inrichting aan [locatie]. Hiertoe voert hij aan dat de bestemming van het perceel is gewijzigd ten behoeve van de uitbreiding van de inrichting aan [locatie] met de thans verleende inrichting.

2.4.1. Het college stelt dat de inrichting aan [locatie ongenummerd] en de inrichting aan [locatie] niet in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen en dat zij ieder voorzien zijn van eigen installaties en voorzieningen, zodat niet kan worden gesproken van één inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat voor de vraag of het gaat om één inrichting, van belang is dat wordt voldaan aan de eisen van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.4.3. Voor de vraag of aan de eisen van artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer wordt voldaan, is de aanvraag bepalend. Uit de aanvraag blijkt niet dat de inrichting waarvoor thans vergunning is verleend zodanige technische, organisatorische en/of functionele bindingen heeft met het tuinbouwbedrijf aan [locatie], dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gaat om afzonderlijke inrichtingen. De omstandigheid dat de bestemming van het perceel van de inrichting waarvoor thans vergunning is verleend, ten behoeve van de uitbreiding van de inrichting aan [locatie] zou zijn gewijzigd, is derhalve niet relevant.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Voorts voert [appellant] aan dat de loods tevens voor andere doeleinden gebruikt zal worden dan die zijn aangevraagd en dat aan [locatie] nog voldoende ruimte is om het reeds bestaande tuinbouwbedrijf uit te breiden.

2.5.1. Het college stelt dat het betoog van [appellant] geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. Daarbij voeren zij aan dat er regelmatig toezicht op de naleving van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften dient te worden gehouden en dat bij niet naleving bestuurlijke handhavingsmaatregelen kunnen worden getroffen.

2.5.2. Het college moet bij de beoordeling van de aanvraag uitgaan van de situatie zoals deze is aangevraagd. De aanvraag ziet op de opslag, sortering en veilingklaar maken van tuinbouwproducten alsmede de realisatie van enkele tunnelkassen ten behoeve van de teelt van tuinbouwgewassen op het perceel. Dat de loods volgens [appellant] voor andere doeleinden gebruikt zal worden dan die zijn aangevraagd en dat de activiteiten ook op een andere locatie zouden kunnen plaatsvinden, bij het tuinbouwbedrijf aan [locatie], wat daar ook van zij, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. [appellant] stelt tevens dat hij beducht is voor geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting. Daartoe voert hij aan dat het niet gaat om 22, maar om 50 á 60 verkeersbewegingen per dag.

2.6.1. Het college stelt dat zij gehouden is te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. In het geval het aantal vergunde verkeersbewegingen wordt overtreden kan op basis van de verleende milieuvergunning handhavend opgetreden worden, aldus het college.

2.6.2. Gevolgen van het verkeer van en naar de inrichtingen kunnen slechts aan het in werking zijn van de inrichting kunnen toegerekend indien het zich door zijn rijgedrag niet, dan wel niet meer zal onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De weg van en naar de inrichting betreft een zijweg van de weg die aan het perceel van appellant ligt. Gelet op de ligging van de weg en op de afstand van de woning van [appellant] tot de inrichting overweegt de Afdeling dat, wat ook zij van de juistheid van het aantal verkeersbewegingen, het aan- en afrijdend verkeer ter plaatse van deze woning moet worden geacht te zijn opgenomen in het heersend verkeersbeeld. De gevolgen van dit verkeer voor het milieu ter plaatse van de bedoelde woning kunnen daarom niet aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend. Derhalve bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat het college de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting ten onrechte niet bij het bestreden besluit heeft betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant] voert tevens aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving, doordat vrachtwagens die vanuit de Horsterweg, De Horst of de Breijvin indraaien over het fietspad en over de berm rijden.

2.7.1. Het belang van de verkeersveiligheid vindt bescherming in de Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving en kan geen rol spelen bij de beoordeling van een milieuvergunning. In zoverre heeft deze beroepsgrond geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt de grond reeds om deze reden.

2.8. Voor zover [appellant] aanvoert dat de afstand tussen zijn tuin en de poel van de inrichting te kort is zodat overlast door ongedierte zoals ratten en muggen veroorzaakt zal worden, faalt dit. De aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1 en 1.1.3 zien op het voorkomen, dan wel beperken van overlast door ongedierte. In voorschrift 1.1.1 is neergelegd dat de inrichting schoon moet worden gehouden en in goede staat van ondergoud moet verkeren. Voorschrift 1.1.3 schrijft voor dat het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen, dan wel op doelmatige manier moet worden bestreden.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afleiding geen aanleiding voor het oordeel dat het college de voorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten om overlast door ongedierte te voorkomen, dan wel te beperken.

2.9. De stelling van [appellant] dat het afvalwater niet ongezuiverd op het riool mag worden geloosd, is niet nader onderbouwd, zodat de Afdeling hierin geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

163-720.