Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201106152/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2010, gewijzigd bij besluiten van 25 mei 2010 en 15 juni 2010, heeft het college aan de gemeente Coevorden vergunning verleend voor het vellen van 11 paardekastanjes te Coevorden (hierna: de bomen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106152/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna: [appellant] e.a.), wonend te Coevorden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 april 2011 in zaak

nr. 10/777 in het geding tussen:

[appellant] e.a.

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2010, gewijzigd bij besluiten van 25 mei 2010 en 15 juni 2010, heeft het college aan de gemeente Coevorden vergunning verleend voor het vellen van 11 paardekastanjes te Coevorden (hierna: de bomen).

Bij besluit van 8 november 2010 heeft het college het door [appellant] e.a. daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op boom 1, de velvergunning voor die boom geweigerd, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] e.a. daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 (lees: 8) november 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van 26 april 2011 opnieuw op het door [appellant] e.a. gemaakte bezwaar beslist, dit bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de bomen 1 en 2, de velvergunning voor die bomen geweigerd, en het bezwaar voor het overige opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 juni 2011 hebben [appellant] e.a. hierop een schriftelijke reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] e.a. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2012, waar [appellant] in persoon, en het college en de gemeente, vertegenwoordigd door mr. P.A. Bakker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening, zoals deze gold tot 1 oktober 2010, is het verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6, kan het college de vergunning weigeren of onder voorschriften verlenen in het belang van de handhaving van onder meer:

- natuur- en milieuwaarden;

- landschappelijke waarden;

- cultuurhistorische waarden;

- waarden van stads- en dorpsschoon;

- waarde voor de recreatie en de leefbaarheid;

- een bepaalde boomwaarde.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien het gemeentelijk beleid of een bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt zoveel mogelijk een herplantplicht opgelegd.

Ingevolge het vierde lid wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat deze pas van kracht wordt met ingang van de dag na de dag waarop de bezwaartermijn afloopt en dat, indien gedurende de bezwaartermijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de vergunning niet van kracht wordt voordat op dat verzoek is beslist.

2.2. De gemeente heeft de vergunning voor het vellen van de bomen aangevraagd ten behoeve van de realisatie van een nieuw appartementencomplex met parkeerplaatsen (hierna: de nieuwbouw) voor woningcorporatie Domesta.

De bomen 5 tot en met 11

2.3. Niet in geschil is dat de bomen 5 tot en met 11 in het gebied stonden waarop ingevolge het ter zake geldende bestemmingsplan "Coevorden Centrum, Markt en omgeving" de bestemming 'Woongebied' rust en wel binnen het bouwvlak van de nieuwbouw.

2.4. [appellant] e.a. betogen dat de rechtbank wat betreft deze bomen heeft miskend dat het college geen velvergunning had mogen verlenen, aangezien deze bomen verschillende waarden vertegenwoordigen als bedoeld in de Bomenverordening en het vellen van deze bomen kapitaalvernietiging is. Tevens voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte het bestemmingsplan in haar beoordeling heeft betrokken, nu ten tijde van de totstandkoming hiervan niet was te overzien dat de bomen zouden kunnen worden geveld en een groot deel van de gemeenteraad het bestemmingsplan niet meer draagt. Voorts betogen zij dat de rechtbank in haar beoordeling had moeten betrekken dat de nieuwbouw op een andere locatie had kunnen worden gesitueerd, zoals [appellant] e.a. hebben voorgesteld, zodat deze bomen hadden kunnen worden behouden en [appellant] e.a. nog uitzicht hadden gehad op groen in plaats van op beton.

2.4.1. Niet in geschil is dat de bomen waarden vertegenwoordigen als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Bomenverordening. In de aangevallen uitspraak is terecht overwogen dat dit, anders dan [appellant] e.a. betogen, niet betekent dat het college gehouden is de velvergunning te weigeren. Uit de Bomenverordening volgt immers dat het college bij de verlening van de velvergunning beleids- en beoordelingsvrijheid heeft. Het resultaat van de door het college verrichte belangenafweging dient terughoudend te worden getoetst.

2.4.2. Het college heeft bij besluit van 26 april 2010 gesteld dat voor de nieuwbouw reeds een bouwvergunning is verleend en dat het belang van deze realisatie zwaarder weegt dan het behoud van de bomen.

De Afdeling overweegt dienaangaande dat de bouwvergunning is verleend en in dat verband reeds is getoetst aan het bestemmingsplan. Het college was niet gehouden een alternatieve locatie voor het appartementencomplex in zijn belangenafweging bij het al dan niet verlenen van de velvergunning te betrekken. Naar aanleiding van de beslissing over de bouwvergunning voor de nieuwbouw, heeft de Afdeling bij uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102711/1/H4 het beroep van [appellant] e.a. ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank, waarbij hun beroep betreffende de bouwvergunning ongegrond is verklaard, bevestigd. Het college heeft dan ook bij de afweging van de belangen in het kader van de velvergunning van de bouwvergunning mogen uitgaan. Het betoog faalt.

2.5. Volgens [appellant] e.a. heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de belangenafweging van het college ook stand kan houden, omdat de waarden in de Bomenverordening door de aanleg van nieuwe groenvoorzieningen en het aanplanten van nieuwe bomen in voldoende mate worden gecompenseerd. Zij betogen dat het college weliswaar stelt dat nieuwe groenvoorzieningen worden aangelegd en nieuwe bomen worden geplant, maar dat dit niet uit het bestemmingsplan noch uit enig ander stuk blijkt. Weliswaar zijn enkele bomen geplant, maar deze compenseren volgens [appellant] e.a. niet het verlies aan groen in hun nabije omgeving. Hun belangen zijn in zoverre niet in acht genomen door het college, aldus [appellant] e.a.

2.5.1. Bij besluit van 26 april 2010 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in het bestemmingsplan voor het centrum een groenvoorziening is opgenomen, dat vooruitlopend op dit bestemmingsplan reeds bomen zijn geplant en dat ook in de toekomst nog bomen zullen worden geplant. In dit verband heeft het college gewezen op het zogeheten 'Centrumplan'. Dit plan voorziet in het planten van bomen in de omgeving van de nieuwbouw. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de waarden genoemd in de Bomenverordening door de aanleg van nieuwe groenvoorzieningen en het aanplanten van nieuwe bomen in voldoende mate worden gecompenseerd. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] e.a. betogen tevens dat het college, door het besluit van 26 april 2010 te wijzigen bij besluiten van 27 mei 2010 en 15 juni 2010, heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair-play en het verbod op détournement de pouvoir. De rechtbank heeft dit volgens [appellant] e.a. miskend.

2.6.1. In het besluit van 26 april 2010 is vermeld dat de bomen op de locatie nabij de voormalige brandweerkazerne aan de Dwenger te Coevorden staan. Bij besluit van 25 mei 2010 is onder meer medegedeeld dat in plaats van 'Dwenger' moet worden gelezen 'Haven'. Aangezien de straat de 'Dwenger' in het verlengde ligt van de straat de 'Haven', de wijziging derhalve van ondergeschikte betekenis is, en het het college vrij staat de locatie van de bomen nauwkeuriger aan te duiden zoals is geschied, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geconcludeerd dat het college niet in strijd heeft gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Dat het college bij besluit van 8 november 2010 wederom abusievelijk heeft verwezen naar de bomen aan de "Dwenger te Coevorden zoals aangegeven op bijgevoegd kaartje", in plaats van aan de "Haven", geeft evenmin aanleiding te oordelen dat het college in strijd heeft gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien uit het bijgevoegde kaartje waarnaar het college verwijst, duidelijk blijkt waar de bomen staan.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het voor [appellant] e.a. gedurende de hele procedure duidelijk was om welke bomen het ging. [appellant] e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat zijzelf of anderen door de wijziging bij besluit van 25 mei 2010 en de onjuiste aanduiding van de straat bij besluit van 8 november 2010 zijn benadeeld.

2.6.2. Het college heeft bij besluit van 26 april 2010 het voorschrift van artikel 7, vierde lid, van de Bomenverordening, opgenomen. Tevens heeft het college in dit besluit opgenomen dat niet eerder met de velvergunning mag worden begonnen dan nadat de velvergunning onherroepelijk is geworden. Dit voorschrift is bij besluit van 15 juni 2010 ingetrokken.

Het betoog van [appellant] e.a. dat zij door deze wijziging zijn benadeeld omdat de wijziging tot gevolg heeft dat minder bescherming wordt geboden tegen de onomkeerbare gevolgen van het vellen van de bomen, gaat voorbij aan de omstandigheid dat het besluit van 26 april 2010 tegenstrijdige voorschriften bevatte. Het lag derhalve op de weg van het college duidelijkheid te scheppen welk voorschrift gold. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in zijn besluit van 15 juni 2010 terecht alleen heeft opgenomen het voorschrift als neergelegd in artikel 7, vierde lid, van de Bomenverordening, aangezien het dwingend is voorgeschreven en het - zoals het college onweersproken heeft gesteld - ook bij andere velvergunningen wordt opgelegd.

2.6.3. Voor zover [appellant] e.a. betogen dat de wijziging bij besluit van 15 juni 2010 tot gevolg heeft dat niet eerder met de velvergunning mag worden begonnen dan nadat de bouwvergunning onherroepelijk is geworden, berust dit betoog op een onjuiste lezing van dit besluit. In het besluit is het voorschrift opgenomen dat niet eerder met de kap mag worden begonnen dan nadat de bouwvergunning is verleend. Daargelaten dat de bouwvergunning reeds was verleend ten tijde van het besluit van 26 april 2010, leidt dit voorschrift niet tot rechtsonzekerheid of benadeling van [appellant] e.a.

2.6.4. De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat ook de wijziging bij besluit van 15 juni 2010 geen aanleiding geeft te concluderen dat het college in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het besluit van 8 november 2010 en het daarbij behorende advies van de Commissie voor de Rechtsbescherming van 25 oktober 2010 volgt dat het college het bezwaar van [appellant] e.a. tegen deze wijziging in zijn heroverweging heeft betrokken.

2.6.5. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Boom 3

2.8. In de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat het besluit van 8 november 2010 op een onjuiste feitelijke grondslag berust, nu het college bij de besluitvorming van een onjuiste afstand van de bomen 2, 3 en 4 tot de gevel van het te bouwen appartementencomplex is uitgegaan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zijn standpunt dat het noodzakelijk is deze bomen te vellen, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] e.a. mede daarom gegrond verklaard en het besluit van 8 november 2010 vernietigd.

Het college heeft, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, bij besluit van 31 mei 2011 opnieuw op het bezwaar van [appellant] e.a. beslist. Uit dit besluit blijkt dat de aanvraag om een velvergunning voor de bomen 1 en 2 is ingetrokken omdat voor de bouw van het appartementencomplex geen noodzaak bestaat deze bomen te vellen. In zoverre is tegemoet gekomen aan de bezwaren van [appellant] e.a.

Voor het overige heeft het college de velvergunning bij besluit van 31 mei 2011 in stand gelaten. Aangezien in zoverre niet aan de bezwaren van [appellant] e.a. is tegemoet gekomen, wordt het hoger beroep van [appellant] e.a., gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.9. Niet in geschil is dat de geplande bouwwerkzaamheden voor het appartementencomplex niet plaats kunnen vinden zonder boom 4 te vellen. Partijen zijn voor zover hier van belang nog verdeeld over de vraag of het noodzakelijk was boom 3 te vellen.

2.10. [appellant] e.a. betogen dat het college het besluit van 31 mei 2011 niet heeft mogen baseren op het advies van Danphe B.V. van 16 mei 2011, omdat Danphe B.V. tegenstrijdige adviezen geeft. Kort voor haar advies van 16 mei 2011, waarin is geconcludeerd dat boom 2 kan worden behouden, heeft Danphe B.V. immers bij advies van 11 mei 2011 geconcludeerd dat boom 2 moet worden geveld. Voorts voeren [appellant] e.a. aan dat zij naar aanleiding hiervan een contra-expertise hebben laten uitvoeren door Kerkdijk Tuintechniek. Uit het rapport van 20 juni 2011 van die deskundige blijkt dat boom 3 kan worden behouden als de kroon fors wordt gesnoeid, boombeschermde maatregelen worden getroffen, tijdens de bouwwerkzaamheden gedurende de gehele bouwperiode vocht wordt toegediend aan de boom en de boom ongeveer elke twee weken wordt gecontroleerd door een externe vakdeskundige.

2.10.1. Aan het besluit van 31 mei 2011 heeft het college het deskundigenadvies van Danphe B.V. van 16 mei 2011 ten grondslag gelegd. In dit advies is vermeld dat boom 3 op 3,1 meter afstand tot de gevel van het appartementencomplex staat, de kroon en het wortelstelsel van deze boom op dit moment al tot over de bestemmingsgrens reiken, hetgeen betekent dat de bouwwerkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd zonder substantiële, blijvende schade aan wortels en kroon. Het kroonverlies tijdens de bouwwerkzaamheden wordt door Danphe B.V. geschat op 40%. Het te voorziene verlies aan kroon- en wortelvolume is zo groot dat het volgens Danphe B.V. niet meer zinvol wordt geacht om verder te investeren in instandhouding van de boom. Paardekastanjes zijn volgens haar namelijk bijzonder bevattelijk voor parasitaire aantastingen, omdat de natuurlijke afweermechanismen van deze boomsoort nauwelijks effectief zijn. Zware kroon- of wortelschade leidt snel tot infectie met parasitaire, houtrotveroorzakende organismen en valt daardoor te beschouwen als uitgesteld vellen. Danphe B.V. concludeert in haar advies dat deze boom niet in stand kan worden gehouden.

2.10.2. Danphe B.V. heeft desgevraagd aan [appellant] e.a. medegedeeld dat in het advies van 11 mei 2011 bomen 2 en 3 door elkaar zijn gehaald. Dit volgt ook uit het advies. Daar waar op blz. 9 en op blz. 10 van dit advies staat dat boom 2 geen consequenties ondervindt van de bouwwerkzaamheden en afscherming van de boom volstaat, en boom 3 40% kroonverlies en substantieel wortelverlies door de bouwwerkzaamheden zal lijden, staat in de conclusie op blz. 11 dat boom 2 op voorhand verwijderd moet worden omdat de boom bijna de helft van zijn kroon kwijt raakt en ook een groot deel van het wortelstelsel zal moeten missen. Deze conclusie voor boom 2 correspondeert met de conclusie die is getrokken voor boom 3 in het advies van 16 mei 2011 zodat aannemelijk is dat Danphe B.V. bomen 2 en 3 door elkaar heeft gehaald. Het college heeft zijn standpunt niet op het advies van 11 mei 2011, maar op het advies van 16 mei 2011 van Danphe B.V. gebaseerd, waarin de kennelijke verschrijving is gecorrigeerd. Het advies van 16 mei 2011 is voldoende begrijpelijk en de daarin vermelde feiten kunnen de conclusie van het advies dragen dat boom 3 moet worden geveld.

2.10.3. Het rapport van 20 juni 2011 en het aanvullende rapport van 21 juli 2011 van Kerkdijk Tuintechniek geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Evenals Danphe B.V. gaat Kerkdijk Tuintechniek hierin uit van een substantieel wortelverlies van boom 3 ten gevolge van de bouwwerkzaamheden. Kerkdijk Tuintechniek stelt daarom voor de kroon van deze boom flink terug te snoeien, waarmee het bladoppervlak wordt verkleind, de boom minder verdampt en hij met zijn beperkt wortelgestel toch voldoende vocht op kan nemen, waarmee de boom kan worden behouden. Kerkdijk Tuintechniek gaat in deze adviezen echter voorbij aan de, niet weersproken, bevattelijkheid van paardekastanjes voor parasitaire aantastingen bij zware kroon- of wortelschade.

2.10.4. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het college het advies van Danphe B.V. van 16 mei 2011 aan het besluit van 31 mei 2011 ten grondslag heeft kunnen leggen. Het betoog faalt.

2.11. Het beroep tegen het besluit van 31 mei 2011 is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 31 mei 2011 van het college van burgemeester en wethouders van Coevorden, kenmerk 10-019513, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

85-516.