Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3226

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201106411/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft de raad een verzoek van [appellant sub 2] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant sub 1] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:7
Algemene wet bestuursrecht 7:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/68 met annotatie van L.J.M. Timmermans
JIN 2012/90 met annotatie van L.J.M. Timmermans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106411/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/1809 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft de raad een verzoek van [appellant sub 2] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant sub 1] afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft de raad het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 oktober 2009 herroepen en toestemming verleend voor elf extra uren rechtsbijstand.

Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op 9 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2012, waar [appellant sub 2] in persoon, mede als gemachtigde van [appellant sub 1], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven die grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend, mits het bureau de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover thans van belang, dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikel 13 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bureau tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

Ingevolge het tweede lid stemt het bureau geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

2.1.1. Bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 hanteert de raad het Handboek Vergoedingen 2000 (tweede druk, januari 2006; hierna: het Handboek). Volgens het Handboek wordt de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31 van het Bvr 2000, goedgekeurd, wanneer de zaak in vergelijking met andere soortgelijke zaken zodanig feitelijk en/of juridisch gecompliceerd is, dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens heeft kunnen plaatsvinden en alsnog de door de rechtsbijstandverlener begrootte tijd vergt. Een zaak is feitelijk gecompliceerd, indien zich een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet binnen het bereik van de toevoeging. Een zaak is juridisch gecompliceerd, indien binnen het bereik van de toevoeging rechtsvragen beantwoord moeten worden die uitzonderlijk van aard zijn en zich zelden voordoen.

2.1.2. Met de Leidraad extra-urenzaken, die de raden voor rechtsbijstand hebben vastgesteld en in december 2008 bekend hebben gemaakt, is beoogd de toepassing van het volgens het Handboek gevoerde beleid landelijk te uniformeren. Volgens de versie van december 2008, de Leidraad bewerkelijke zaken (hierna: de Leidraad 2008), pagina's 5 en 6, kan bewerkelijkheid van een zaak worden aangenomen, indien er een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex is, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens verleend kan worden. Feitelijke complexiteit zal slechts worden aangenomen aan de hand van objectieve factoren. Derhalve zullen factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of de wederpartij geen reden zijn om feitelijke complexiteit, en dus de bewerkelijkheid van de zaak, aan te nemen. Bewerkelijkheid kan ook worden aangenomen, indien sprake is van juridische complexiteit. Daarbij gaat het om bijzondere rechtsvragen, die zich in het soort zaak in kwestie zelden voordoen en met de behartiging waarvan veel meer tijd dan gemiddeld is gemoeid. Als zich in een zaak geen feitelijke en/of juridische complexiteit voordoet, zal een aanvraag om toekenning van extra uren worden afgewezen, ook al is in de desbetreffende zaak gemiddeld meer tijd besteed dan in een gelijksoortige zaak.

2.2. [appellant sub 2] is onder nummer […] toegevoegd aan [appellant sub 1] voor het verlenen van rechtsbijstand in een klachtzaak bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Voor dit soort zaken bedraagt de standaard urengrens 33 uren. [appellant sub 2] heeft op 13 oktober 2009 bij de raad een aanvraag ingediend om meer uren, te weten 49 uren, te mogen besteden in deze zaak. De raad heeft in bezwaar de afwijzing van deze aanvraag herroepen en alsnog toestemming verleend voor het besteden van 11 extra uren in de zaak. De raad heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in bezwaar is aangetoond dat de noodzakelijke rechtsbijstand niet verleend kan worden binnen het forfaitaire tijdsbestek. De raad heeft evenwel vanuit het oogpunt van doelmatigheid minder extra uren toegekend dan is gevraagd. De raad heeft de begrote tijdsbesteding aangepast in die zin dat 24 uren, zijnde de tijdsbesteding tot de aanvraag, wordt vermeerderd met 20 uren, zijnde de door de raad aangepaste verwachte tijdsbesteding, hetgeen resulteert in 44 uren. Daarop heeft de raad de forfaitaire urengrens van 33 uren in mindering gebracht, zodat 11 uren overblijven waarvoor de raad alsnog toestemming heeft gegeven.

2.3. De Afdeling ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag, of [appellant sub 1] nog belang heeft bij de in geding zijnde toekenning van extra uren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 april 2011 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=lnLiDGqA6%2FI%3D">201006622/1/H2</a> vervalt het procesbelang van een rechtzoekende bij een besluit als hier aan de orde, indien de rechtsbijstand waarvoor vergoeding van extra uren was aangevraagd al daadwerkelijk is verleend en de zaak is beëindigd, en het al dan niet toekennen van de gevraagde extra uren voor hem geen financiële of andere gevolgen heeft. In het beroepschrift is vermeld dat [appellant sub 2] op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie heeft aangegeven dat het Europees Hof bij uitspraak van 1 december 2009 het verzoekschrift van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hieruit volgt dat de zaak waarvoor om toekenning van extra uren was gevraagd, in de bezwaarprocedure al was afgerond. Voorts is gesteld noch gebleken dat het al dan niet toekennen van de gevraagde extra uren voor [appellant sub 1] financiële of andere gevolgen heeft. Gelet op het voorgaande is het belang van [appellant sub 1] reeds in bezwaar komen te vervallen. Dat [appellant sub 1] nog steeds wordt bijgestaan door [appellant sub 2], zoals ter zitting door [appellant sub 2] is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel nu die rechtsbijstand betrekking heeft op een ander rechtsbelang. De raad heeft derhalve het bezwaar van [appellant sub 1] ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank had om die reden het beroep van [appellant sub 1] gegrond moeten verklaren en het besluit op bezwaar van 26 maart 2010, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] ontvankelijk is geacht, moeten vernietigen. Tevens had de rechtbank zelf in de zaak behoren te voorzien door het bezwaar van [appellant sub 1] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De Afdeling zal het hoger beroep van [appellant sub 1] ambtshalve gegrond verklaren. De aangevallen uitspraak komt, in zoverre, voor vernietiging in aanmerking en de Afdeling zal alsnog uitspreken hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

2.4. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of het besluit van 26 maart 2010 bevoegd is genomen en of de raad bevoegd is beleidsregels vast te stellen, leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De rechtbank was niet gehouden om in de aangevallen uitspraak expliciet op deze ambtshalve te toetsen punten in te gaan, aangezien deze in beroep niet zijn aangevoerd en de rechtbank geen aanleiding had hoeven zien voor het oordeel dat het besluit van 26 maart 2010 die toetsing niet doorstaat. Uit de artikelen II en IX, eerste lid, aanhef en onder d, van de Mandaatregeling Raad voor Rechtsbijstand volgt dat dit besluit bevoegd is genomen. Verder geeft artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 de raad beoordelingsruimte en daarmee de bevoegdheid beleid vast te stellen ten aanzien van de afhandeling en beoordeling van bewerkelijke zaken en het op grond daarvan toekennen van extra uren rechtsbijstand boven de forfaitaire urengrens.

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 26 maart 2010 onzorgvuldig is voorbereid nu de raad het aanbod van [appellant sub 2] om het gehele dossier achter te laten ter bestudering door de raad, niet heeft geaccepteerd. Volgens hem heeft ook de rechtbank ten onrechte geen gebruik gemaakt van dit aanbod. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=eWK58v9gs9w%3D">200905093/1/H2</a>.

2.5.1. Dit betoog faalt. In het kader van de beoordeling van de aanvraag om extra uren is de raad niet gehouden het volledige onderliggende dossier te bestuderen. Van belang is dat de raad over de belangrijkste stukken beschikte om dat oordeel te kunnen vormen. In de aanvraag is aan de hand van tien punten uitgebreid toegelicht waarom de extra uren rechtsbijstand in de klachtzaak nodig zijn. Voorts heeft [appellant sub 2] in bezwaar de klachtzaak verder toegelicht en het verzoekschrift in die zaak overgelegd. De raad heeft zich aan de hand hiervan een oordeel kunnen vormen over de bewerkelijkheid van de zaak en was niet gehouden in te gaan op het aanbod van [appellant sub 2] om het volledige dossier over te leggen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit van 26 maart 2010 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Er is om dezelfde reden geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank gehouden was om van het volledige dossier kennis te nemen.

2.6. [appellant sub 2] wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroepsgrond dat de bezwaarschriftencommissie niet onafhankelijk was geen doel treft. Niet is gebleken dat die commissie niet voldoet aan de in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde vereisten voor adviescommissies.

[appellant sub 2] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat de wijze waarop de raad zijn plicht tot verslagverlegging van horen in dit geval vorm heeft gegeven, niet als onjuist kan worden aangemerkt. Artikel 7:7 van de Awb schrijft niet een bepaalde vorm en omvang van verslaglegging voor en laat ruimte om, zoals de raad heeft gedaan, in het besluit op bezwaar van 26 maart 2010 een weergave van het verhandelde tijdens de hoorzitting op te nemen. Anders dan [appellant sub 2] stelt, was de raad niet gehouden hem de gelegenheid te bieden de verslaglegging te corrigeren of aan te vullen. De Awb bevat geen voorschrift van die strekking.

2.7. [appellant sub 2] betoogt samengevat dat de rechtbank heeft miskend dat het beleid van de raad onredelijk is, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en tot willekeur leidt nu dit beleid geen criteria bevat voor het maken van onderscheid tussen bewerkelijke en niet-bewerkelijke zaken.

2.7.1. De raad heeft zijn besluitvorming gebaseerd op de Leidraad 2008. Dit beleid houdt in dat bij elk verzoek om vergoeding van extra uren aan de hand van de omstandigheden van het geval wordt beoordeeld of sprake is van feitelijke en/of juridische complexiteit op grond waarvan een zaak bewerkelijk is en een vergoeding voor extra uren rechtsbijstand moet worden toegekend. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=ondRkZOcVV8%3D">200901320/1/H2</a>) dat er geen grond is voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het voeren van het beleid neergelegd in de Leidraad 2007. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=V%2Bt9jaSgQ7g%3D">201005350/1/H2</a>), is het thans gevoerde beleid, neergelegd in de Leidraad 2008, niet gewijzigd ten opzichte van dat, neergelegd in de Leidraad 2007. Dat dit beleid geen criteria bevat voor het maken van onderscheid tussen bewerkelijke en niet bewerkelijke zaken is voor de rechtbank terecht geen aanleiding geweest om tot een ander oordeel te komen. Er is evenmin aanleiding voor het oordeel dat het beleid in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of leidt tot willekeur.

Het betoog faalt.

2.8. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de wettelijke bepalingen en het ter zake gehanteerde beleid blijkt dat het bij toekenning van extra aan de zaak te besteden uren niet alleen gaat om de daadwerkelijk bestede uren, maar dat ook een door de raad geobjectiveerde aanname van de extra te besteden tijd in beschouwing wordt genomen en dat daarbij de aard van de zaak en de binnen de beroepsgroep van advocaten in het algemeen gebruikelijke werkwijze een rol spelen. Anders dan [appellant sub 2] stelt, was de rechtbank niet gehouden een analyse te maken van wat binnen de beroepsgroep van advocaten als gebruikelijk mag worden beschouwd. Aan de rechtbank lag ter beoordeling voor, of de raad bij de toekenning van extra uren op aanvaardbare wijze de aan de zaak te besteden tijd heeft geobjectiveerd. Dat er diversiteit is in de werkwijze van advocaten, zoals [appellant sub 2] stelt, betekent niet dat geen sprake is van een in het algemeen gebruikelijke benadering van zaken door advocaten.

2.9. [appellant sub 2] wordt evenmin gevolgd in zijn betoog, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de raad in de zaak op onaanvaardbare wijze de aan de klachtzaak te besteden tijd heeft geobjectiveerd. Zijn stelling dat de rechtbank de gebruikelijke wijze van zaaksbehandeling door advocaten niet heeft onderzocht is, gelet op het onder 2.7 overwogene, geen reden dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. De rechtbank heeft terecht bij zijn oordeel betrokken dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de wijze van werken van [appellant sub 2] in sterke mate afwijkt van de onder beroepsgenoten gebruikelijke wijze van zaaksbehandeling en dus ook meer tijd vraagt dan gebruikelijk is onder beroepsgenoten.

2.10. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat de raad niet heeft gemotiveerd met welk deel van de begroting niet is ingestemd en om welke reden, faalt. In het advies van de bezwarencommissie, dat de raad heeft overgenomen in het besluit van 26 maart 2010, is die motivering gegeven. Deze is summier, maar voldoet, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de eisen die daaraan op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Awb worden gesteld.

2.11. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de besluitvorming door de raad in strijd is met artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Hij wordt voor 22 uren betaald, terwijl hij 65 uren en 15 minuten heeft besteed aan de zaak, aldus [appellant sub 2]. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant sub 2] miskend dat de besluitvorming door de raad leidt tot strijd met de artikelen 3 en 4 van het EVRM.

2.11.1. Voor zover het niet volledig toekennen van de gevraagde extra uren rechtsbijstand een inbreuk vormt op het in artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM opgenomen recht tot bescherming van eigendom, is deze inbreuk naar het oordeel van de Afdeling gerechtvaardigd. Deze steunt op tevoren kenbaar gemaakte schriftelijke regels, neergelegd in het Bvr 2000, het Handboek en de Leidraad 2008, welke regels voorts een legitiem doel dienen, te weten het behoud van een redelijk overzicht op de besteding van publieke middelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat [appellant sub 2] door het niet volledig toekennen van de gevraagde extra uren op basis van deze regels op een zodanig onevenredige wijze is getroffen dat geen sprake zou zijn van een "fair balance" tussen zijn belang en de belangen gediend met het in deze regels opgenomen forfaitaire stelsel van vergoedingen. Van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol is geen sprake. Dat [appellant sub 2] niet het aantal extra uren is toegekend dat hij heeft gevraagd, betekent niet dat sprake is van foltering of dwangarbeid als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van het EVRM, zodat deze verdragsbepalingen evenmin zijn geschonden.

Het betoog faalt.

2.12. [appellant sub 2] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de raad het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Hij noemt een aantal zaken waarin de raad extra uren heeft toegekend.

2.12.1. Evenals in deze zaak zijn in de door hem genoemde [zeven] zaken van extra uren toegekend, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit opzicht niet is geschonden. Voor zover [appellant sub 2] beoogt te betogen dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat in die gevallen meer extra uren zijn toegekend dan in deze zaak, wordt overwogen dat niet is gebleken dat die zaken betrekking hebben op een feitencomplex dat vergelijkbaar is met deze zaak. Voorts hebben de andere zaken, met uitzondering van [een] zaak, betrekking op een ander soort procedure dan in deze zaak aan de orde is. Gelet op deze verschillen, kan niet worden geoordeeld dat een hogere toekenning van extra uren in die andere zaken tot een hogere toekenning van extra uren in deze zaak had moeten leiden. Daarbij is tevens betrokken dat in [een] zaak voor eenzelfde procedure bij het Europees Hof slechts één extra uur meer is toegekend dan in deze zaak.

Het betoog faalt.

2.13. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.14. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond en het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/1809, voor zover daarbij het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 26 maart 2010 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant sub 1] ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 18 maart 2010, kenmerk 93658, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] ontvankelijk is geacht;

V. verklaart het bezwaar van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

VII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

VIII. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 262,00 (zegge: tweehonderdtweeënzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Roelfsema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

58-609.