Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201106274/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4401, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een vangnetlening van € 43.516,65 voor de kosten van funderingsherstel via de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (hierna: de SVn) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106274/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Weesp,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2011 in zaak nr. 10/3784 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weesp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een vangnetlening van € 43.516,65 voor de kosten van funderingsherstel via de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (hierna: de SVn) afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2011, verzonden op 26 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 juni 2011.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. G. Visser, werkzaam bij de stichting Stichting Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C. Kaandorp, werkzaam bij de gemeente Weesp, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 27 september 2007 heeft de raad van de gemeente Weesp de Nota funderingsproblematiek Gemeente Weesp 2007 vastgesteld, die tot doel heeft een kader te scheppen voor de ondersteuning van bewoners van woningen waar funderingsherstel nodig is. Ter uitwerking van de nota heeft de raad de Verordening Funderingsherstel Gemeente Weesp 2007 (hierna: de verordening) vastgesteld op 1 november 2007, die in werking is getreden op 27 november 2007.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de verordening wordt verstaan onder een vangnetlening: een laagrentende lening voor doeleinden zoals omschreven in deze verordening, die door de SVn wordt verstrekt ten laste van het gemeentelijk funderingsfonds, op basis van een besluit van het college.

Ingevolge artikel 5, onder b, is het college bevoegd nadere regels te stellen voor de uitvoering van deze verordening.

Met de inwerkingtreding van de verordening zijn ook de, door het college vastgestelde, Uitvoeringsregels Lening Funderingsherstel (hierna: de uitvoeringsregels) in werking getreden.

Volgens de uitvoeringsregels is voor eigenaren met een beperkte financiële draagkracht een vangnetlening beschikbaar en baseert het college zijn besluit over de toekenning van de leningen mede op een advies van de SVn.

De eigenaar-bewoner kan, indien hij van mening is dat zijn financiële draagkracht onvoldoende is voor de lasten van de marktconforme lening, een aanvraag indienen voor een vangnetlening. De aanvrager komt overeenkomstig de verordening hiervoor in aanmerking, wanneer en voor zover hij voldoet aan de volgende voorwaarden:

1. de woning wordt gebruikt voor eigen bewoning door het huishouden van de aanvrager;

2. het huishouden beschikt niet over eigen geld waarvan hij geacht mag worden het in te zetten voor de kosten van het funderingsherstel;

3. de bruto last van een Basislening is hoger dan de financieringsruimte van het huishouden.

Volgens de definities t.b.v. de draagkrachttoets en de vaststelling van de hoogte en de voorwaarden voor de lening (hierna: de definities), onder 1, wordt onder peildatum verstaan: de datum van de toewijzingsbrief voor de Basislening.

Volgens de definities onder 19 wordt onder peiljaar verstaan: indien de peildatum in de eerste helft van het kalenderjaar ligt: het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het jaar waarin de peildatum ligt; indien de peildatum in de tweede helft van het kalenderjaar ligt: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de peildatum ligt.

Volgens de definities onder 20 wordt onder beschikbaar eigen geld verstaan: 25x belastbaar inkomen in box 3 van de inkomstenbelasting in het peiljaar als bedoeld onder 19, van iedere partner afzonderlijk.

Volgens de vaststelling van de gegevens van het vermogen ten behoeve van de draagkrachttoets is het beschikbaar eigen geld als bedoeld onder 20 gelijkgesteld aan het belaste vermogen in box 3, dus het vermogen boven de individuele vrijstelling. Het belaste vermogen kan worden afgeleid van de aanslag, waarop vermeld staat: ‘belastbaar inkomen box 3’. Het aldaar vermelde bedrag bedraagt 4% van het belaste vermogen. Het belaste vermogen is dus 25x het belastbaar inkomen. Het belastbaar inkomen blijkt uit de aanslag IB over het peiljaar als bedoeld onder 19, of indien deze ontbreekt uit het IB-60-formulier. Het beschikbaar eigen geld wordt per partner vastgesteld, en daarna opgeteld.

Volgens de vaststelling van de gegevens van kredietwaardigheid ten behoeve van de draagkrachttoets, handelt de SVn bij de beoordeling van de kredietwaardigheid op dezelfde wijze als bij de lening is beschreven.

2.2. [appellant] woont aan de [locatie] te Weesp. Hij heeft de vangnetlening van € 37.516,65, bijgesteld naar € 43.516,65, aangevraagd voor het herstel van de fundering van zijn woning, waarvan de kosten worden begroot op € 87.356,00. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 1 april 2010, gehandhaafd bij het besluit van 28 juni 2010, afgewezen omdat [appellant] over te veel vermogen beschikt om in aanmerking te komen voor de vangnetlening. Het college heeft dit standpunt mede gebaseerd op het advies van de SVn van 1 maart 2010, waarin is vermeld dat [appellant] een behoorlijk vermogen heeft in box 3.

2.3. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] beschikt over eigen geld waarvan hij geacht mag worden het in te zetten voor de kosten van het funderingsherstel. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellant] ten tijde van belang een vermogen in box 3 had van € 193.000,00, [appellant] daarvan in ieder geval € 93.000,00 ter vrije beschikking had, waarvan hij een bedrag van € 60.000,00 heeft besteed aan de kosten van funderingsherstel. Volgens de rechtbank wordt [appellant] geacht ook het resterende vermogen van € 33.000,00 in te zetten voor de kosten van funderingsherstel.

2.4. Onder verwijzing naar de uitvoeringsregels betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geacht wordt zijn resterende vermogen van € 33.000,00 in te zetten voor de kosten van het funderingsherstel en dat het gegeven dat dit bedrag binnen de fiscale vrijstelling van het vermogen voor de vaststelling van de inkomstenbelasting valt, dit niet anders maakt.

2.4.1. Met de uitvoeringsregels heeft het college invulling gegeven aan de wijze waarop de draagkracht van een aanvrager van een vangnetlening moet worden vastgesteld.

Uit de definities onder 20 van de uitvoeringsregels en de vaststelling van de gegevens van het vermogen ten behoeve van de draagkrachttoets van de uitvoeringsregels, volgt dat in het kader van deze toets bij het bepalen van het beschikbaar eigen geld moet worden uitgegaan van het belastbaar inkomen en het belaste vermogen en dat het college dus rekening moet houden met de fiscale vrijstelling van het vermogen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de fiscale vrijstelling niet moet worden meegerekend bij de vaststelling van het vermogen van [appellant]. In zoverre slaagt het betoog van [appellant]. Dit betekent echter niet dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van belang, te weten het peiljaar 2008, over een vermogen beschikte van € 193.000,00 in box 3. Ter zitting is door [appellant] onweersproken gesteld dat het heffingvrije vermogen in box 3 over dat jaar voor zijn huishouden € 40.630,00 bedroeg. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat [appellant] ten tijde van belang beschikte over een belast vermogen, dus beschikbaar eigen geld, van € 152.370,00. Omdat dit vermogen de aanvraag van [appellant] ten bedrage van € 43.516,65 ruimschoots overstijgt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] geacht wordt, naast de al uitgegeven € 60.000,00 zijn resterende vermogen in te zetten voor de kosten van het funderingsherstel.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat het college in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel omdat hij de uitvoeringsregels niet consistent en consequent uitvoert. Hij voert daartoe aan dat het college bij hem aanvullende gegevens heeft opgevraagd over zijn vermogen en dat dit ertoe heeft geleid dat aan hem geen vangnetlening is verleend omdat hij geacht wordt zijn vermogen aan te wenden voor het funderingsherstel, terwijl uit de door hem overgelegde nadere stukken blijkt dat in andere aanvraagformulieren voor de vangnetlening geen eigen geld is opgegeven. Die aanvragers behoefden volgens [appellant], anders dan hij zelf, het eigen geld dan ook niet aan te wenden voor het funderingsherstel van hun woning.

2.5.1. [appellant] gaat met dit betoog voorbij aan de omstandigheid dat de vangnetlening is bedoeld voor huiseigenaren die de financiering van noodzakelijk funderingsherstel niet kunnen opbrengen en het derhalve in de rede ligt dat de desbetreffende andere aanvragers niet over eigen geld beschikken als bedoeld onder 20 van de definities. Met de enkele verwijzing naar andere aanvragen waarin geen eigen geld is opgegeven, heeft [appellant] dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

85-516.