Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3219

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201102256/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BP2164, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Serooskerke (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en deze tot 11 februari 2010 niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102256/1/A3.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Serooskerke, gemeente Veere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 6 januari 2011 in zaak nr. 72086 / FA RK 2010-299 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Serooskerke (hierna: de woning) onmiddellijk te verlaten en deze tot 11 februari 2010 niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden.

Bij uitspraak van 6 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 maart 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Ossewaarde, advocaat te Middelburg, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.W.L. de Groot-Piersma en J.C. Viergever, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge het vierde lid bevat het huisverbod in ieder geval:

a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt;

b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en

c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: Bth) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd, uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

2.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld dat het betoog van [appellant] dat hij niet is gehoord alvorens het huisverbod is opgelegd, niet slaagt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester de in het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) en het door de hulpofficier van justitie (hierna: de hulpofficier) op ambtseed opgemaakte "proces-verbaal van bevindingen hovj voor beslissing huisverbod" (hierna: het proces-verbaal) vermelde feiten en omstandigheden aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen en dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [belanghebbende], dan wel een ernstig vermoeden daarvan bestond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat de burgemeester de oplegging van een huisverbod noodzakelijk mocht achten, dat de oplegging ervan niet onevenredig was en dat hij in redelijkheid heeft kunnen komen tot de oplegging van een huisverbod.

2.3. [appellant] voert aan dat de rechtbank zijn betoog dat hij in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet is gehoord alvorens het huisverbod is opgelegd, ten onrechte heeft verworpen. De hulpofficier heeft het voornemen tot het opleggen van een huisverbod niet kenbaar gemaakt en hem evenmin in de gelegenheid gesteld op het voornemen te reageren. Met hem is slechts in het kader van zijn inverzekeringstelling gesproken en in dat verband is aan hem gevraagd wat zijn reactie is op hetgeen hem wordt verweten. Hij heeft tijdens dit gesprek zijn reactie op de thuissituatie gegeven. Bovendien had hij reeds alternatieve woonruimte gerealiseerd, hetgeen hij zeker te kennen zou hebben gegeven tijdens het gesprek als dit betrekking had gehad op het voornemen tot oplegging van het huisverbod, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is in het proces-verbaal neergelegd dat aan [appellant] het voornemen tot het opleggen van een huisverbod kenbaar is gemaakt. In het proces-verbaal is uitdrukkelijk vermeld hoe de zienswijze van [appellant] luidde toen de hulpofficier het voornemen tot oplegging van een huisverbod kenbaar maakte. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om in zoverre aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal te twijfelen. In het proces-verbaal is voorts vermeld dat [appellant] is gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod en dat hem de brochure "U heeft een huisverbod wat nu?" is uitgereikt. Ook volgt uit het proces-verbaal dat de hulpofficier bekend was met de omstandigheid dat voor [appellant] alternatieve huisvesting beschikbaar was. Hetgeen [appellant] op dit onderdeel heeft aangevoerd slaagt niet.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [belanghebbende] dan wel een ernstig vermoeden daarvan bestond. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de burgemeester niet alle in de bij het Bth genoemde bijlage opgenomen feiten en omstandigheden heeft meegewogen dan wel aan feiten en omstandigheden een onjuist gewicht heeft toegekend. In het besluit tot oplegging van het huisverbod is ten aanzien van zijn persoon niets relevants vermeld. Er zijn geen antecedenten bekend, hij was goed aanspreekbaar en hij had en heeft geen riskante gewoonten. Wat het verloop van het incident betreft is volgens [appellant] van belang dat hij de verklaring van [belanghebbende] betwist. Hij heeft niet gedreigd met fysiek geweld en er heeft geen psychisch geweld plaatsgevonden. Hij heeft in een reflex om vernieling van een computerbeeldscherm te voorkomen [belanghebbende] in een armklem genomen, maar hij heeft haar niet verwurgd. Verder heeft de burgemeester ten onrechte de dreiging van seksueel geweld aan de oplegging van het huisverbod ten grondslag gelegd. [belanghebbende] heeft geen aangifte van seksueel geweld gedaan en er is niet gebleken van zulk geweld. Voorts waren de kinderen niet aanwezig bij het incident, omdat die zich ten tijde van het incident op de benedenverdieping bevonden. Verder is wat de leefomstandigheden betreft van belang dat [appellant] geen werkgerelateerde problemen ondervindt. Hoewel relatieproblemen tussen hem en [belanghebbende] bestaan, leveren deze volgens hem op zichzelf bezien geen hoog risico op voor onmiddellijk en ernstig gevaar. Hij heeft met het afsluiten van toegang tot het internet, anders dan de burgemeester stelt, niet getracht om [belanghebbende] in een sociaal isolement te brengen.

De rechtbank heeft volgens [appellant] verder miskend dat geen van de door de burgemeester in het besluit tot oplegging van het huisverbod genoemde omstandigheden leidt tot het oordeel dat ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [belanghebbende], dan wel een vermoeden daarvan, bestond. Hij voert in dit verband verder aan dat het huisverbod eerst een dag na de aangifte van het incident door [belanghebbende] is opgelegd en dat hij sinds de dag daarvoor al in verzekering was gesteld. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat hij ten tijde van zijn inverzekeringstelling voor vervangende woonruimte had gezorgd. Daarom was het voor de burgemeester niet noodzakelijk een huisverbod op te leggen, aldus [appellant].

2.4.1. Het opleggen van een huisverbod is een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, dient de burgemeester zorgvuldig te overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De afweging wordt door de rechter terughoudend getoetst.

De burgemeester heeft aan het besluit tot oplegging van het huisverbod het door de hulpofficier ingevulde RiHG en het door de hulpofficier op ambtseed opgemaakte proces-verbaal ten grondslag gelegd. De hulpofficier heeft in het RiHG bij het eerste beoordelingsmoment "laag/geen risico" aangekruist. Bij de screening "De (gezins)achtergronden", behorend bij het derde beoordelingsmoment, heeft slechts het punt "spanning door familie- en relatieproblemen" geleid tot de beoordeling "risico". Bij de screening "Het verloop van een (gewelds)incident", behorend bij het tweede beoordelingsmoment, heeft de hulpofficier "hoog risico" aangekruist. Bij de tweede screening hebben met name het punt lichamelijk geweld, waarbij vewurging is vermeld, en de constatering dat het slachtoffer vreest voor toekomstig geweld, geleid tot de beoordeling "hoog risico".

De Afdeling stelt op grond van het RiHG vast dat aan het huisverbod slechts het incident dat tussen zaterdag 30 januari 2010 en zondag 31 januari 2010 heeft plaatsgevonden, ten grondslag ligt. De burgemeester heeft dit ter zitting van de Afdeling ook bevestigd. [belanghebbende] heeft naar aanleiding van dit incident aangifte gedaan ter zake van eenvoudige mishandeling. Volgens het proces-verbaal van aangifte heeft zij daarbij verklaard dat haar de keel is dichtgeknepen, zij in het gezicht is geslagen en op de grond is gegooid. Zij heeft volgens genoemd proces-verbaal van aangifte geen letsel overgehouden aan het incident. Tegenover de verklaring van [belanghebbende] over het incident, staat de verklaring van [appellant] dat hij [belanghebbende] weliswaar een klap in het gezicht heeft gegeven, bij de armen heeft gepakt en op het bed heeft gegooid, maar dat dit een reactie betrof op de omstandigheid dat [belanghebbende] hem in het gezicht spuugde. Verder heeft hij verklaard dat hij haar niet heeft gewurgd maar haar, om vernieling van een computerbeeldscherm te voorkomen, van achter heeft beetgepakt en dat zij daarbij op de grond is beland. Voorts heeft hij gesteld dat de kinderen niet aanwezig waren bij het incident.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester uit deze, ten dele tegenstrijdige verklaringen ten onrechte heeft afgeleid dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn huisgenoten althans daarop ten onrechte een vermoeden daaromtrent heeft gebaseerd. Op grond van de verklaringen van [belanghebbende] en [appellant] is aannemelijk dat tussen hen ernstige relatieproblemen bestonden en een incident met handgemeen heeft plaatsgevonden. Over het verloop van dit incident hebben beiden uiteenlopende verklaringen afgelegd, zijn geen objectieve gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in de vorm van letsel of getuigenissen van derden en bestaat derhalve geen enkele zekerheid. De Afdeling wijst in dit verband op hetgeen zij in haar uitspraak van heden in zaak nr. <a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=wxEppQi2c2g%3D">201102246/1/A3</a> onder 2.5.1 heeft overwogen. De het huisverbod dragende, aan het RiHG en het proces-verbaal ontleende overwegingen in het besluit van 1 februari 2010 zijn slechts ingegeven door de verklaringen van [belanghebbende]. Daartegenover staat de andersluidende verklaring van [appellant] over het incident. Niet is onderbouwd waarom de verklaring van [belanghebbende] van meer en die van [appellant] van minder gewicht werden geacht. Voorts heeft [belanghebbende] geen letsel overgehouden aan het incident. Verder heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding alternatieve woonruimte had gerealiseerd. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester hieraan onvoldoende gewicht heeft toegekend.

In deze omstandigheden heeft de rechtbank de burgemeester ten onrechte bevoegd geacht tot het opleggen van een huisverbod aan [appellant].

Het betoog van [appellant] slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 februari 2010 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren. Het primaire besluit van 1 februari 2010 zal worden vernietigd.

2.6. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 6 januari 2011 in zaak nr. 72086 / FA RK 2010-299;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 1 februari 2010;

V. veroordeelt de burgemeester van Veere tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.795,82 (zegge: zeventienhonderdvijfennegentig euro en tweeëntachtig cent), waarvan € 1.748,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

581.