Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201112209/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bisselt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2980
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112209/2/R1.

Datum uitspraak: 3 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting Natuur- en Milieugroep ANIMO, gevestigd te Mook, gemeente Mook en Middelaar,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Mook en Middelaar,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bisselt" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 januari 2012, waar de stichting, vertegenwoordigd door [penningmeester] van de stichting, en [voorzitter] van de stichting, en de raad, vertegenwoordigd door A.W. Peters-Sengers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plangebied heeft betrekking op het gebied ten noordoosten van de kern Mook en wordt globaal begrensd door de Groesbeekseweg, Bisseltsebaan, Mendozaweg en Hendrik van Naussaulaan. Het plan voorziet, voor zover van belang, in het toekennen van een woonbestemming aan bestaande recreatiewoningen waardoor op gronden met deze bestemming ruimere bouwmogelijkheden ontstaan. Nu de raad ter zitting heeft verklaard dat niet kan worden uitgesloten dat aanvragen voor omgevingsvergunningen worden ingediend voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak, heeft de stichting in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Het verzoek heeft betrekking op de plandelen met de bestemming "Wonen", voor zover deze bestemming is toegekend aan bestaande recreatiewoningen. De stichting betoogt allereerst dat het toekennen van een woonbestemming aan bestaande recreatiewoningen leidt tot verstening en intensiever gebruik van het gebied en dat deze ontwikkeling zeer nadelig is voor het gebied.

2.3.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, onder d, van de planregels mag de maximale inhoud van het hoofdgebouw op gronden met de bestemming "Wonen" niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven. Blijkens de verbeelding mogen de hoofdgebouwen op de desbetreffende percelen een maximale inhoud van 400 m³ of meer hebben.

Ingevolge lid 12.2.2, onder d, mag de maximale oppervlakte van bijgebouwen niet meer dan 80 m² bedragen.

Ingevolge de planvoorschriften van de vigerende plannen "De Bisselt 85", "1e partiële herziening bestemmingsplan De Bisselt 85" en "2e partiële herziening bestemmingsplan De Bisselt 85" mag een recreatiewoning een maximale oppervlakte van 60 m² en een maximale inhoud van 200 m³ hebben en mogen geen bijgebouwen worden opgericht.

2.3.2. Niet in geschil is dat in het plangebied 22 woningen liggen die in de vigerende plannen als recreatiewoning bestemd zijn. Van deze 22 woningen liggen er 11 binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en 11 daarbuiten.

Op 25 februari 2010 is door de raad de structuurvisie "Structuurvisie De Bisselt" opgesteld waarin staat dat toename van verharding zoveel mogelijk voorkomen moet worden en dat als voorwaarde voor de omzetting van recreatiewoningen naar reguliere woningen geldt dat sprake moet zijn van ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en dat er een kwaliteitsbijdrage zal moeten worden geleverd waardoor sprake is van duidelijke kwaliteitswinst.

Uit de plantoelichting en hetgeen de raad ter zitting heeft medegedeeld volgt dat met de eigenaren van de recreatiewoningen die in het onderhavige plan een woonbestemming hebben gekregen overeenkomsten zijn gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de bijdrage aan de kwaliteitsverbetering. Deze bijdrage bedraagt € 10.000,- per woning en komt in een fonds dat onder meer is bestemd voor de inrichting van de EHS. Daarnaast zijn aanvullende afspraken gemaakt over kwaliteitsverbetering op eigen perceel, zoals de sloop van bebouwing en het beëindigen van illegaal gebruik. Voorts heeft de raad aangegeven dat ongeveer 17 hectare extra natuur zal worden gerealiseerd en dat maximaal ongeveer 7 hectare uit de EHS zal verdwijnen. Van deze 7 hectare blijft 5 hectare wel als natuur bestemd, aldus de raad. Bij brief van 18 oktober 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg aangegeven dat hij in zijn vergadering van 18 oktober 2011 heeft besloten om de EHS in het plangebied overeenkomstig het verzoek van het college van burgemeester en wethouders te herbegrenzen.

Gelet op al het voorgaande heeft de raad naar het voorlopig oordeel van de voorzitter bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het opnemen van een woonbestemming voor de desbetreffende recreatiewoningen, opdat binnen de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd doordat ze kunnen worden vergroot, dan aan het tegengaan van verdere verstening in het gebied. Daarbij acht de voorzitter van belang dat deze recreatiewoningen thans al permanent bewoond mogen worden op grond van de voornoemde vigerende plannen. Voor zover de stichting ter zitting heeft gewezen op de volgens haar ruime bijgebouwenregeling van artikel 12, lid 12.2.2, onder d, van de planregels, overweegt de voorzitter dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud en strekking van deze regeling ongebruikelijk is en vanuit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar is.

2.4. Voorts betoogt de stichting dat het omzetten van een permanent legaal bewoonde recreatiewoning naar burgerwoning in strijd is met de in augustus 2008 opgestelde Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg.

2.4.1. In de Handreiking staat dat gemeenten de ruimte hebben om in bepaalde gevallen de recreatiefunctie van bestaande recreatiewoningen te wijzigen naar een woonfunctie. Deze verruiming biedt volgens de Handreiking gemeenten de mogelijkheid om bestemmingswijzigingen door te voeren voor situaties waar op 31 oktober 2003 (of eerder) onrechtmatig in een recreatiewoning werd gewoond. De voorzitter overweegt dat de Handreiking niet van toepassing is op legaal permanent bewoonde recreatiewoningen. Gelet hierop faalt het betoog van de stichting dat het plan in zoverre in strijd is met deze Handreiking.

2.5. Ten slotte betoogt de stichting dat de kwaliteitsbijdrage van € 10.000,- te laag is en had moeten worden vastgesteld op minimaal € 80.000,-. Volgens haar hebben de eigenaren van de desbetreffende percelen financieel voordeel van deze lage bijdrage, omdat de percelen sterk in waarde zullen vermeerderen.

2.5.1. De hoogte van de bijdrage kwaliteitsverbetering voor de omzetting van de recreatieve bestemming naar een woonbestemming is vastgelegd in de structuurvisie en bedraagt standaard € 10.000,-.

Ter zitting is door de raad aangegeven dat bij het vaststellen van de hoogte van de bijdrage kwaliteitsverbetering gekeken is naar de kosten die gemaakt moeten worden voor het inrichten van de nieuwe groene structuur. De stichting heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat raad in het onderhavige geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet in redelijkheid tot een bedrag van € 10.000,- heeft kunnen komen om deze kwaliteitsverbetering te waarborgen.

2.6. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2012

533-634.