Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201105961/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2005 heeft de raad een verzoek van de maatschap om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Woningwet
Woningwet 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/656
JOM 2012/350
OGR-Updates.nl 2012-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105961/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: de maatschap), gevestigd te Luyksgestel, gemeente Bergeijk, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 april 2011 in zaak nr. 09/1896 in het geding tussen:

de maatschap

en

de raad van de gemeente Bergeijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2005 heeft de raad een verzoek van de maatschap om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2009 heeft de raad het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en de raad veroordeeld de maatschap een schadevergoeding van € 1.500,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2012, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. J.T.L. van Berkel, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.L.M. van Lokven en mr. Th. Duffhues, beiden werkzaam bij de gemeente Bergeijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. De maatschap is eigenaresse van een perceel aan de Berkterbeemden, kadastraal bekend gemeente Bergeijk, sectie I, nr. 326 (hierna: het perceel). Aan het verzoek om vergoeding van planschade heeft zij ten grondslag gelegd dat de onder het bestemmingsplan Buitengebied van 23 februari 1978 en de eerste herziening hiervan van 28 augustus 1986 (hierna: het oude bestemmingsplan) voor het perceel bestaande bouwmogelijkheid onder het bestemmingsplan Buitengebied 1998 van 28 mei 1998 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), dat, voor zover thans van belang, in september 2003 in werking is getreden, is komen te vervallen en dat dit de waarde van het perceel heeft verminderd.

2.4. In hoger beroep is niet meer in geschil dat de maatschap door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en dientengevolge schade lijdt. In geschil is uitsluitend of de schade ten laste van de maatschap dient te blijven op de grond dat zij, door de onder het oude bestemmingsplan voor het perceel bestaande bouwmogelijkheid niet te benutten, het risico dat deze mogelijkheid zou kunnen vervallen passief heeft aanvaard.

2.5. Voor het antwoord op deze vraag is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Daartoe is, volgens vaste jurisprudentie (onder meer uitspraak van 11 mei 2000 in zaak nr. 199902237/1, BR 2001, p. 228), voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200801600/1, LJN: BG 9735), bestaat geen grond voor het aannemen van passieve risicoaanvaarding, indien onder het oude planologische regime een concrete poging is ondernomen tot realisering van de bouwmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen.

2.6. In hoger beroep is evenmin nog in geschil dat de maatschap eerst vanaf 11 december 1997, de datum waarop het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage is gelegd, rekening diende te houden met de kans dat de planologische situatie in voor haar ongunstige zin zou veranderen.

2.7. De maatschap betoogt dat de rechtbank, in het kader van haar beslissing de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten, ten onrechte heeft overwogen dat zij sinds 11 december 1997 geen concrete poging heeft ondernomen tot realisering van de onder het oude bestemmingsplan bestaande bouwmogelijkheid. Daartoe voert zij allereerst aan dat de rechtbank aldus de betekenis van de zogenoemde voorbereidingsbescherming heeft miskend.

2.7.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechter de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient hij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is.

Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, indien het bestuursorgaan vasthoudt aan het besluit en het alsnog voldoende motiveert en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.7.2. Uit de ter zitting van de rechtbank voorgedragen pleitnota blijkt dat de raad bij die gelegenheid het standpunt heeft ingenomen dat de maatschap, door de onder het oude bestemmingsplan voor het perceel bestaande bouwmogelijkheid niet te benutten, het risico dat deze mogelijkheid zou kunnen vervallen passief heeft aanvaard. Daartoe heeft de raad onder meer aangevoerd dat de maatschap na de terinzagelegging van het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan nog de mogelijkheid had een aanvraag om bouwvergunning in te dienen.

2.7.3. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, diende vanaf 11 december 1997, de dag waarop het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage is gelegd, een besluit op een aanvraag om bouwvergunning door het college van burgemeester en wethouders te worden aangehouden. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 11 februari 2009 in zaak nr. 200805042/1, BR 2009, p. 441) volgt dat van een redelijk denkende en handelende eigenaar na de terinzagelegging van een ontwerp van een bestemmingsplan niet kan worden verwacht een bouwplan op te stellen en in te dienen, wetende dat een besluit op een aanvraag om bouwvergunning moet worden aangehouden.

Vanaf het moment dat de maatschap rekening kon houden met de kans dat de planologische situatie in voor haar ongunstige zin zou veranderen (11 december 1997), kon zij derhalve geen gebruik meer maken van de onder het oude bestemmingsplan nog bestaande bouwmogelijkheid, zodat van haar ook niet kon worden verlangd dat zij een concrete poging zou doen om deze bouwmogelijkheid te benutten.

2.7.4. De conclusie van het vorenstaande is dat de voor de maatschap nadelige planologische wijziging weliswaar vanaf 11 december 1997 voorzienbaar was, maar de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de maatschap kan worden tegengeworpen dat zij heeft nagelaten tijdig een concrete poging te verrichten om de voorheen bestaande bouwmogelijkheid te benutten en het vervallen van deze bouwmogelijkheid passief heeft aanvaard. De inhoud van het vernietigde besluit na de in beroep kenbaar gemaakte motivering kan de rechterlijke toets derhalve niet doorstaan. De rechtbank heeft ten onrechte gebruik gemaakt van de bevoegdheid te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Het betoog slaagt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 april 2011 in zaak nr. 09/1896, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van de raad van de gemeente Bergeijk van 20 april 2009 geheel in stand blijven;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Bergeijk tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Bergeijk aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

452.