Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3181

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201106558/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie 1] te Nuland (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Woningwet 46
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 20
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106558/1/A1.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Nuland, gemeente Maasdonk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 april 2011 in zaak nr. 10/3476 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie 1] te Nuland (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college, opnieuw beslissend op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 januari 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 29 april 2011, verzonden op 2 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Nejjari, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Tevens is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. W. Kattouw, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een bijgebouw op het achtererf van het perceel. Het wordt aan de zijde van [locatie 2], het perceel van [appellant], zijdelings tegen de perceelsgrens gesitueerd.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid en onder c, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien, voor zover thans van belang, het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 46, derde lid, voor zover thans van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, voor zover van belang, komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de "Beleidsregels voor de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19 lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto artikel 20 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)" (hierna: de beleidsregels), voor zover van belang, kan het college vrijstelling verlenen voor het oprichten van een aangebouwd dan wel vrijstaand bijgebouw op een zij- of achtererf van een woning, met dien verstande dat de nokhoogte maximaal 4,50 m mag bedragen en de bijgebouwen vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar dienen te zijn.

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kernen Maasdonk" rust op het perceel de bestemming "Wonen (W), klasse W1B".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de plankaart voor "Wonen (W)", subbestemming W1, aangewezen gronden bestemd voor vrijstaande woningen.

Ingevolge artikel 3.2.3, aanhef en onder e, geldt voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen dat bij vrijstaande woningen het zijerf aan één zijde over een breedte van 3 m, gemeten uit de zijdelingse (bouw)perceelsgrens, vrij dient te blijven van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tot een afstand van 6 m achter de achtergevelrooilijn.

2.3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het niet voldoet aan artikel 3.2.3, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Het college heeft krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling verleend teneinde het bouwplan mogelijk te maken.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning voor het voorziene bouwplan niet heeft mogen verlenen, nu het onvoldoende heeft onderzocht welk gebruik van het bijgebouw wordt beoogd. Het beoogde gebruik had voor een juiste toetsing aan artikel 44 van de Woningwet en de vrijstellingsbepalingen bij de verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning exact bekend moeten zijn, aldus [appellant].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 augustus 2008, in zaak nr. 200707405/1) is het in de eerste plaats aan de aanvrager om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming. Indien de informatie in de aanvraag daartoe onvoldoende is, ligt het op de weg van het college daartoe nader onderzoek te doen, alvorens een besluit te nemen.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college van het door [vergunninghouder] bij de aanvraag opgegeven beoogde gebruik van het bouwwerk, te weten als garage bij de woning, heeft mogen uitgaan. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat, gelet op de (bouwkundige) inrichting van de garage en de verklaring van [vergunninghouder] ter zitting dat hij de garage wenst te gebruiken ten behoeve van het stallen van zijn oldtimer, redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat het gebruik van het voorziene bijgebouw uitsluitend of mede ziet op ander gebruik dan waarin de bestemming voorziet. De rechtbank heeft de in beroep naar voren gebrachte, niet aan de hand van objectieve feiten en omstandigheden gestaafde stelling van [appellant] dat het bijgebouw naar zijn verwachting zal worden gebruikt als woonruimte of als "bed and breakfastvoorziening", terecht onvoldoende geacht voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning niet heeft mogen verlenen, nu het het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en aan de Bouwverordening Maasdonk 2008 (hierna: de bouwverordening). Volgens [appellant] voldoet het bouwplan niet aan het Bouwbesluit. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.17 van de bouwverordening.

2.5.1. De rechtbank heeft voor het oordeel dat het bouwplan ten onrechte niet zou zijn getoetst aan het Bouwbesluit terecht geen grond gezien, nu in het besluit van 29 januari 2008 wordt vermeld dat deze toets heeft plaatsgevonden en dat deze geen reden heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. De rechtbank heeft hierbij eveneens terecht in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Besluit), gelezen in verbinding met artikel 1.5 van de bijlage bij dit Besluit, bescheiden zoals het funderingsplan, statistische berekeningen en constructieve gegevens, tekeningen en berekeningen, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructieve veiligheid en brandveiligheid betreft, mogen worden aangeleverd nadat de bouwvergunning is verleend. Volgens het besluit van 29 januari 2008 is het bouwplan, anders dan [appellant] stelt, tevens aan de bouwverordening getoetst en voldoet het daaraan.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan de artikelen 2.14, gelezen in verbinding met 2.15, en 2.23, gelezen in verbinding met 2.24, van het Bouwbesluit, welke volgens hem een met een balustrade beveiligde en met een vaste trap bereikbare vliering vereisen, slaagt niet. [vergunninghouder] heeft ter zitting met foto's aannemelijk gemaakt dat de vliering, die is voorzien van schuine zijden en op het hoogste punt maximaal 1.60 m hoog is, uitsluitend geschikt is als opslagruimte. Daarvoor is deze ruimte volgens [vergunninghouder] ook uitsluitend bedoeld. De vliering voldoet daarmee niet aan de definitie van "verblijfsruimte" als neergelegd in artikel 1.1 van het Bouwbesluit, nu deze niet is bestemd voor het verblijf van mensen, noch daar de voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden. De voorschriften zoals neergelegd in de genoemde artikelen van het Bouwbesluit zijn daarop daarom niet van toepassing.

De rechtbank heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.17 van de bouwverordening. In dit artikel is, voor zover thans van belang, met het oog op de mogelijkheid tot het plegen van onderhoud, bepaald dat de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf, zodanig moet zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die minder dan een meter breed of niet toegankelijk zijn. Aangezien op het erf van [appellant] ter plaatse geen bebouwing aanwezig is, doet zich geen strijd met deze bepaling voor.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de toets door de Welstandscommissie SRE Milieudienst (hierna: de commissie) niet volledig is geweest, nu het de commissie niet bekend was uit welke materialen het gebouw zal worden gebouwd. Volgens [appellant] is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op zijn betoog met betrekking tot de welstandstoets.

2.6.1. Hoewel [appellant] terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond met betrekking tot de welstandstoets, kan dit niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit tot verlening van de bouwvergunning niet op het positieve welstandsadvies van de commissie van 21 april 2010 heeft mogen baseren. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de commissie bij de advisering over voldoende gegevens beschikt, teneinde tot een juist advies te kunnen komen. Daarbij is van belang dat op het aanvraagformulier is ingevuld dat het materiaal- en kleurgebruik "geheel conform de bestaande woning" zal zijn en dat de commissie, naar het college onweersproken heeft gesteld, beschikte over foto's waarop de uitvoering van de bestaande woning duidelijk zichtbaar is. Daarnaast beschikte de commissie over de bouwtekening van 6 april 2010, alsmede naar het college eveneens onweersproken heeft gesteld, over een duidelijke luchtfoto van de situatie ter plaatse. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies van de commissie niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan dat besluit geen redelijke belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Volgens [appellant] is het besluit in strijd met de beleidsregels, die eisen dat het bijgebouw vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar moet zijn.

2.7.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen komen. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de schaduwwerking van het voorziene bouwwerk op het perceel van [appellant] dermate onevenredige gevolgen voor [appellant] met zich brengt, dat dit in redelijkheid tot weigering van de vrijstelling had moeten leiden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de in dit verband door [appellant] in het geding gebrachte bezonningsdiagrammen niet kunnen dienen ter onderbouwing van zijn standpunt, nu deze niet zijn opgesteld door een ter zake deskundige en niet controleerbaar is of de daarbij berekende schaduwlengte juist is berekend. Dat, zoals [appellant] stelt, het bestemmingsplan garageboxen tot een hoogte van slechts 3 m toestaat, leidt evenmin tot het oordeel dat de vrijstelling niet in redelijkheid kon worden verleend. Er is immers geen sprake van een garagebox, maar van een bijgebouw, waarover de beleidsregels bepalen dat daarvoor vrijstelling kan worden verleend, mits het niet hoger is dan 4,50 m.

Nu het bouwplan hieraan voldoet, en de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college het bijgebouw terecht uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar heeft geacht, kon in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan worden verleend.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

374-641.