Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201104792/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning gelegen aan de [locatie] te Velp. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de burgemeester dit huisverbod met achttien dagen verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104792/1/A3.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Velp, gemeente Rheden,

tegen de mondelinge uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2011 in de zaken nrs. 213024 KG 11-118 en 213022 / FA RK 11-10556 en van 21 maart 2011 in de zaken nrs. 213534 KG / 11-141, 213532 FA / 11-10652, 213677 KG / 11/144 en 213679 FA / 11-10686 in de gedingen tussen onder meer:

[appellant]

en

de burgemeester van Rheden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning gelegen aan de [locatie] te Velp. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de burgemeester dit huisverbod met achttien dagen verlengd.

Bij mondelinge uitspraak van 9 maart 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 17 maart 2011, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] tegen het besluit van 4 maart 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij mondelinge uitspraak van 21 maart 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 4 april 2011, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 14 maart 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De processen-verbaal van deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen beide uitspraken heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 mei 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Osinga, advocaat te Arnhem, en de burgemeester, vertegenwoordigd door R.M. Arentshorst en I. Hagen, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. H.A. Bijkerk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) wordt in deze wet onder huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Ingevolge de tweede volzin geldt het verbod voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, eerste volzin, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2.2. Aan het besluit van 4 maart 2011 heeft de burgemeester op ambtseed en ambtsbelofte door politieagenten opgemaakte processen-verbaal en een door de hulpofficier van justitie ingevuld "Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld" (hierna: het RiHG) ten grondslag gelegd. Volgens de processen-verbaal heeft op 4 maart 2011 één van de kinderen van [appellant] aan de politie gemeld dat zijn ouders ruzie hadden. Hierop zijn politieagenten naar het huis van [appellant] gereden. Bij het huis aangekomen zagen zij dat [partner] van [appellant], diverse zwellingen in haar gelaat en bloedende krassen op haar borst had. De kinderen waren getuige van het voorval en waren bij aankomst van de politieagenten aan het huilen en van streek. [appellant] was onder invloed van alcohol. Hij heeft bij zijn aanhouding fors verzet gepleegd en één van de politieagenten met de dood bedreigd. [appellant] is binnen de systemen van de politie bekend met een groot aantal registraties en mutaties op het gebied van geweld, wapens en overige misdrijven, aldus de processen-verbaal.

Aan het besluit van 14 maart 2011 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat in de week na de oplegging van het huisverbod tevergeefs is geprobeerd een hulpverleningstraject in gang te zetten, aangezien [appellant] en [partner] weigerden daaraan mee te werken. Tevens heeft de burgemeester overwogen dat [appellant] het huisverbod heeft overtreden.

2.3. [appellant] betoogt allereerst dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was tot oplegging van een huisverbod. Hij voert daartoe aan dat geen huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Het geweld was alleen gericht tegen de politie, waartegen strafrechtelijk dient te worden opgetreden. Het letsel van [partner] was veroorzaakt door een ongelukkige val. Voorts is het RiHG onjuist ingevuld. In het RiHG staat dat hij binnen de systemen van de politie bekend is met een mutatie op het gebied van wapens, maar deze mutatie dateert uit 1992. Het is onredelijk dat deze mutatie is meegenomen in het RiHG, nu deze niet actueel is. Daarnaast is het tweede signaal in het RiHG ten onrechte als sterk gekwalificeerd, aldus [appellant].

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester op grond van de in voormelde processen-verbaal weergegeven feiten en omstandigheden mocht aannemen dat [appellant] op 4 maart 2011 huiselijk geweld heeft gepleegd tegen [partner]. Gelet op de aard van de waargenomen verwondingen bij [partner], het feit, naar niet in geschil is, dat vlak voor de komst van de politie een ruzie tussen [appellant] en [partner] had plaatsgevonden, en het feit dat één van de kinderen de politie had benaderd om tussenbeide te komen, mocht de burgemeester zich op het standpunt stellen dat niet aannemelijk was dat de verwondingen van [partner] waren veroorzaakt door een ongelukkige val.

Gezien het door [appellant] tegen [partner] en de politie gepleegde geweld, de reactie van de kinderen en zijn justitiële antecedenten, mocht de burgemeester zich op standpunt stellen dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer personen die op dat moment met hem in de woning woonden of daarin anders dan incidenteel verbleven. Dat de mutatie ten aanzien van wapens uit 1992 dateert, doet daar niet aan af, reeds omdat [appellant] binnen de systemen van de politie bekend is met diverse andere, meer recente registraties en mutaties op het gebied van geweld en overige misdrijven. Wat betreft het tweede signaal in het RiHG wordt overwogen dat het daarbij gaat om de mate van aanspreekbaarheid van de pleger van het huiselijk geweld. In dat verband is vermeld dat [appellant] gewelddadig, onhandelbaar en niet te corrigeren was. Niet onredelijk is dat dit op zichzelf als een sterk signaal is aangemerkt.

Gezien het vorenoverwogene, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de burgemeester op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth bevoegd was tot oplegging van een huisverbod. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was tot verlenging van het huisverbod. Hij voert daartoe aan dat [partner] en hij geen hulp wilden.

2.4.1. Gezien het op 4 maart 2011 gepleegde huiselijk geweld en het belang van de kinderen bij een veilige thuissituatie, mocht de burgemeester, ondanks dat [appellant] en [partner] geen hulp wilden, hulpverlening noodzakelijk achten. Aangezien nog geen hulpverleningstraject was gestart, mocht hij zich op het standpunt stellen dat de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzette. Derhalve heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de burgemeester op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth bevoegd was tot verlenging van het huisverbod. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de voorzieningenrechter dienen, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraken van de voorzieningenrechter, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

582-730.