Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201004249/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college aan de raad een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de gemeenteraad van Tilburg (hierna: de raad) bij besluit van 26 februari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Zuidwest" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004249/1/R3.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Tilburg,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Tilburg,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Tilburg,

4. [appellant sub 4], wonend te Tilburg,

5. de vereniging Vereniging van Bosbeheerders 't Geregt, gevestigd te Tilburg,

6. het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het gemeentebestuur),

en

het college van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college aan de raad een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de gemeenteraad van Tilburg (hierna: de raad) bij besluit van 26 februari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Zuidwest" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2010, 't Geregt bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2010, en het gemeentebestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 8 juni 2010. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 8 juni 2010. 't Geregt heeft haar beroep aangevuld bij brief van 28 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 2], 't Gerecht, het gemeentebestuur en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.A. Pasveer, advocaat te Den Bosch, [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], bijgestaan door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], 't Geregt, vertegenwoordigd door [voorzitter], bijgestaan door mr. K.M. Peters, advocaat te Tilburg, het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door mr. J.A. van Wijmen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door J.D.F. Verboom, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door het college een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college.

Ingevolge het zesde lid, eerste volzin, kan het college, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Ingevolge de vierde volzin vermeldt het college in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Procedurele aspecten

2.2. [appellant sub 1], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 2] en 't Geregt voeren aan dat het bestreden besluit mogelijk onbevoegd is genomen, aangezien dit besluit niet op de openbare besluitenlijst van 6 april 2010 voorkomt. Hierdoor is volgens hen niet duidelijk of het aanwijzingsbesluit daadwerkelijk op 6 april 2010, en daarmee binnen de termijn die in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro is gesteld, is genomen. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] stellen dat het besluit wel voorkomt op de openbare besluitenlijst van 13 april 2010. Verder hebben [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 2] ter zitting betoogd dat uit de verzamellijst van besluiten die op 6 april 2010 door het college zijn genomen, niet kan worden vastgesteld of het voltallige college van gedeputeerde staten zich heeft beraden en heeft besloten over de reactieve aanwijzing. Zij wijzen er op dat uit het ambtelijk begeleidingsformulier blijkt dat het voorstel om een reactieve aanwijzing te geven alleen door de portefeuillehouder is geaccordeerd. Verder blijkt uit die verzamellijst niet waar de reactieve aanwijzing betrekking op heeft, waarom die is gegeven en of aan de beslissing enig conceptstuk ten grondslag ligt.

2.2.1. Het college stelt dat de behandeling van en de besluitvorming over de reactieve aanwijzing in zijn vergadering van 6 april 2010 heeft plaatsgevonden. Het college wijst daartoe op de zogenaamde verzamellijst die in die vergadering is vastgesteld en waarop is vermeld dat wordt besloten overeenkomstig de op de verzamellijst van collegebesluiten opgenomen voorstellen. Deze verzamellijst is ondertekend door de voorzitter en de secretaris van het college. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat de parafering van een voorstel door een portefeuillehouder slechts betekent dat hij akkoord is met het inbrengen van het voorstel in een vergadering van het college. Het besluit over een ingediend voorstel wordt evenwel door het college zelf genomen.

2.2.2. In artikel 34, eerste lid, van de Provinciewet is bepaald dat de commissaris van de Koning en de gedeputeerden tezamen het college vormen.

In artikel 34, tweede lid, van de Provinciewet is bepaald dat de commissaris van de Koning (hierna: de commissaris) voorzitter is van het college.

In artikel 59a van de Provinciewet is bepaald dat de stukken die van het college uitgaan, door de commissaris worden ondertekend en door de secretaris mede worden ondertekend.

2.2.3. Door het college is een zogeheten Begeleidingsformulier Verzamellijststuk overgelegd. Op dit formulier is als onderwerp vermeldt: "Reactieve aanwijzing geven n.a.v vastgesteld bestemmingsplan ex artikel 3.8, lid 6, Wro 'Buitengebied Zuidwest', gemeente Tilburg" en als voorstel en beslispunt: "Reactieve aanwijzing geven aan de gemeenteraad van Tilburg". Verder is op het formulier een toelichting gegeven op de reactieve aanwijzing. Het formulier is door de verantwoordelijke gedeputeerde geparafeerd.

Voorts heeft het college de verzamellijst van de vergadering van 6 april 2010 overgelegd. Hierop zijn de onderwerpen vermeld waarover het college die datum heeft besloten. Op de verzamellijst is onder meer het bovengenoemde onderwerp "Reactieve aanwijzing geven naar aanleiding van vastgesteld bestemmingsplan ex artikel 3.8, lid 6, Wro 'Buitengebied Zuidwest', gemeente Tilburg." vermeld. De hierbij behorende beslissing luidt: "Reactieve aanwijzing geven aan de Gemeenteraad van Tilburg". De besluitenlijst is op 6 april 2010 overeenkomstig artikel 59a van de Provinciewet ondertekend door de voorzitter en de secretaris van het college.

In de enkele stelling dat de verantwoordelijke [portefeuillehouder], het voorstel om een reactieve aanwijzing te geven heeft geparafeerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit niet door het college is genomen en daarom onbevoegd tot stand is gekomen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat het voorstel en de bijbehorende toelichting niet aan het besluit van 6 april 2010 ten grondslag hebben gelegen en dat daardoor niet duidelijk is waar het besluit van 6 april 2010 betrekking op heeft dan wel waarom het is genomen. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de enkele omstandigheid dat het besluit om een reactieve aanwijzing te geven eerst voorkomt op de openbare besluitenlijst van 13 april 2010 betekent dat het besluit niet op 6 april 2010 is genomen. Nog daargelaten dat aan de openbare besluitenlijst geen bindende betekenis toekomt, is het besluit immers gedateerd en ondertekend op 6 april 2010. Nu het plan op 26 februari 2010 is vastgesteld, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit niet binnen de termijn die in artikel 3.8. vierde lid, van de Wro is gesteld, is genomen.

In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 2] en 't Geregt hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met het recht is vastgesteld.

Inhoudelijke, algemene bezwaren

2.3. [appellant sub 1], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 2], 't Geregt en het gemeentebestuur stellen dat het college ten onrechte het instrument van de reactieve aanwijzing heeft aangewend. Zij wijzen er op dat het primaat in de ruimtelijke ordening bij de raad dient te liggen en dat het college zich door middel van deze reactieve aanwijzing op detailniveau met gemeentelijke besluiten blijft bemoeien. Zij stellen dat de reactieve aanwijzing een zeer zwaar middel is en betwijfelen of zware provinciale belangen aanwezig zijn die de inzet van dit instrument rechtvaardigen. Zij stellen dat uit het aanwijzingsbesluit onvoldoende blijkt waarom het college niet had kunnen kiezen voor het inzetten van andere instrumenten om deze belangen te waarborgen. [appellant sub 2] betoogt in dit verband dat het college ook had kunnen kiezen voor het instellen van beroep tegen het bestemmingsplan.

2.3.1. Uit hetgeen is overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1 volgt dat het college onder meer gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid.

Volgens het bestreden besluit zijn de provinciale belangen die het college door het geven van een reactieve aanwijzing heeft beoogd te waarborgen, beschreven in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota. Om de provinciale belangen te borgen hebben provinciale staten besloten om voor een zeventiental onderwerpen een Verordening Ruimte voor te bereiden, hetgeen in de op 12 december 2008 vastgestelde Startnotitie Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Startnotitie) is uitgewerkt. In deze notitie en in bijlage 6 van de Interimstructuurvisie is aangegeven over welke onderwerpen uit de Interimstructuurvisie en de Paraplunota in de verordening regels zouden worden opgenomen.

De Interimstructuurvisie, de Paraplunota en de Startnotitie dateren van voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de Startnotitie is de procedure tot vaststelling van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) gestart. De eerste fase van de Verordening is in werking getreden op 1 juni 2010 en de tweede fase op 1 maart 2011.

Uit vorenstaande volgt dat de reactieve aanwijzingen zijn gegeven daar waar de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening niet of onvoldoende in het plan zijn gewaarborgd.

Nu algemene regels over de onderwerpen waarop het bestreden besluit betrekking heeft werden voorbereid, is er geen grond voor het oordeel dat het college, wat betreft het provinciale beleid ten aanzien waarvan het voornemen bestond om dat in de Verordening op te nemen, geen gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing om tussentijdse ruimtelijke ontwikkelingen in strijd met het door de Verordening te waarborgen provinciaal belang te voorkomen. Het betoog dat de aanwijzing niet met het oog op de op handen zijnde verordening kon worden gegeven, omdat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld, faalt.

2.3.2. Met betrekking tot het betoog dat het college ook andere instrumenten dan een reactieve aanwijzing ter beschikking stond, overweegt de Afdeling verder, onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 februari 2010, in zaak nr. 201009121/1/R3, dat het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan nu niet is uitgesloten dat, zolang de in voorbereiding zijnde Verordening nog niet in werking is getreden, kan worden gehandeld in afwijking van het beleid dat aan deze Verordening ten grondslag zal liggen. Onder verwijzing naar die uitspraak overweegt de Afdeling voorts dat het college zich in die omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing.

Het geven van een zogenoemde proactieve aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan ligt voorts in de rede voor ontwikkelingen die het provinciebestuur met het oog op een goede ruimtelijke ordening juist wenselijk of noodzakelijk acht - anders dan in het voorliggende geval waarin het bestemmingsplan voorziet in bestemmingsregelingen die het college onwenselijk acht - terwijl het stellen van algemene regels bij provinciale verordening reeds werd voorbereid.

Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1) dat het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet betekent dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt.

2.3.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte is overgegaan tot het geven van de reactieve aanwijzing. Ook in het overige dat door [appellant sub 1], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 2], [appellant sub 4], 't Geregt en het gemeentebestuur is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen kiezen voor het instrument van de reactieve aanwijzing.

Bezwaren per reactieve aanwijzing

Het perceel [locatie 1]

2.4. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen-buitengebied" aan het perceel [locatie 1].

2.4.1. Ingevolge artikel 15, lid 15.1.1 van de planregels van het plan van 26 februari 2010 zijn de voor "Wonen-Buitengebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. één woning per bestemmingsvlak, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximumaantal woningen' het aantal woningen meer mag bedragen dan één, doch niet meer mag bedragen dan is aangegeven;

(…)

d. bijbehorende en ondergeschikte verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;

(…)

h. bouwwerken van algemeen nut.

Ingevolge artikel 15, lid 15.2.2, aanhef en onder a, is per bestemmingsvlak bebouwing ten behoeve van niet meer dan één woning toegestaan (…). Indien geen bouwvlak is aangegeven, geldt het bestemmingsvlak als zodanig;

Ingevolge de artikelen 15, lid 15.2.2, onder b, c en d, mogen respectievelijk de goothoogte, bouwhoogte en maximale inhoud van de woning niet meer dan 4 meter, 10 meter en 600 m3 bedragen.

Op grond van de artikelen 15, lid 15.2.3 en lid 15.2.5 mogen, samengevat weergegeven en voor zover van belang, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, bij woningen worden gebouwd.

2.4.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel ten grondslag gelegd dat het vigerende plan geen woningbouw op het perceel mogelijk maakt. Op grond van dit plan is wonen uitsluitend toegestaan in de bebouwing die op de bij het plan behorende inventarislijst staat. Het toekennen van een woonbestemming aan het perceel brengt derhalve meer bouwmogelijkheden met zich dan het vigerende bestemmingsplan toekent. Volgens het college is dit in strijd met het beleid in de Paraplunota en de nadien vastgestelde verordening inhoudende dat verstening van het buitengebied moet worden teruggedrongen.

2.4.3. [appellant sub 1] en het gemeentebestuur hebben betoogd dat ten onrechte een reactieve aanwijzing is gegeven voor het perceel [locatie 1], waaraan in het plan de bestemming "Wonen-buitengebied" was toegekend. [appellant sub 1] wijst er op dat het perceel, waarop een werkplaats staat die door hem als woning wordt gebruikt, onder het vigerende bestemmingsplan een woonbestemming had, legaal wordt bewoond en dus de bestemming "Wonen-buitengebied" had moeten krijgen. Hij stelt dat het niet toekennen van die bestemming tot gevolg heeft dat zijn woning niet verbouwd of herbouwd mag worden in het kader van het woongebruik. Verder kan volgens [appellant sub 1] het verbouwen of herbouwen van een incidentele opstal zoals die op het perceel aanwezig is en die bovendien naast een bestaande woonwijk ligt, niet worden aangemerkt als een omstandigheid die het provinciaal belang raakt. Dat het perceel in het buitengebied ligt, zoals het college veronderstelt, betwisten [appellant sub 1] en het gemeentebestuur. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn woning in de Groene Hoofdstructuur (hierna: de GHS) ligt en dat de brieven van 18 juni 2009 en 15 oktober 2009, waarnaar het college in de reactieve aanwijzing ter motivering heeft verwezen, voor hem onbekend zijn. Tot slot betoogt [appellant sub 1] dat door de reactieve aanwijzing zijn woning onder het overgangsrecht is komen te vallen, terwijl het gebruik van de woning niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Volgens hem is dit in strijd met de vaste jurisprudentie van de Afdeling inhoudende dat bestaand gebruik dienovereenkomstig moet worden bestemd. Ter zitting heeft [appellant sub 1] in dit kader nog gesteld dat een reactieve aanwijzing niet nodig was geweest als het college na het vaststellen van het plan overleg had gevoerd met de raad over een specifiek op maat gesneden bestemming voor het perceel van [appellant sub 1].

2.4.4. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

2.4.5. Ingevolge artikel 18, lid B I, onder a, van de planvoorschriften van het vigerende plan, mogen op de gronden met de bestemming "Wonen - W" uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat als woningen vrijstaande eengezinshuizen mogen worden gebouwd, waarbij per bestemmingsvlak ter plaatse van de op de kaart gegeven aanduiding "situering woning" ten hoogste één woning mag worden gebouwd.

Ingevolge artikel 5, onderdeel VI, onderdeel 2, onder a, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan, mogen de voorzieningen die zijn opgenomen op een bij het plan behorende inventarisatielijst worden gehandhaafd.

2.4.6. De Afdeling stelt op basis van de door partijen overgelegde kaarten en luchtfoto's vast dat het buitengebied en het stedelijk gebied aan de Gilzerbaan duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Vast staat dat het perceel van [appellant sub 1] buiten het stedelijk gebied en in het buitengebied ligt. Dat het perceel van [appellant sub 1] nabij de rand van het stedelijk gebied ligt kan hier niet aan afdoen. Verder staat vast dat in het vigerende plan het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen-W" is toegekend en dat geen aanduiding "situering woning" is toegekend. De werkplaats die door [appellant sub 1] als woning wordt gebruikt, is voorts opgenomen op de bovengenoemde inventarisatielijst. Verder is ter zitting gebleken dat deze werkplaats een inhoud heeft van ongeveer 190 m3. Gezien artikel 18, lid B I, onder a, van het vigerende plan kan geen woning of woonvoorziening worden gebouwd op het perceel van [appellant sub 1].

Gezien de bovengenoemde bepalingen onder 2.5.1 wordt met het toekennen van de bestemming "Wonen - Buitengebied" aan het gehele perceel van [appellant sub 1] ten opzichte van het vigerende plan voorzien in de mogelijkheid om een - fors grotere - woning nieuw te realiseren, en in een vergroting van de overige bouwmogelijkheden op het perceel. Het college heeft terecht gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een verstening van het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde Verordening. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. De vraag of het perceel in de GHS ligt, behoeft om die reden geen bespreking meer.

2.4.7. Met betrekking tot de stelling dat [appellant sub 1] geen inzicht heeft gehad in de brieven van 18 juni 2009 en van 15 oktober 2009, overweegt de Afdeling dat deze brieven een vooroverlegreactie, respectievelijk de zienswijze van de provincie betreffen. De standpunten van de provincie zijn weergegeven in het gewijzigde raadsvoorstel en daarmee ook kenbaar voor [appellant sub 1]. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in zoverre in zijn belangen is geschaad.

2.4.8. Ten aanzien van de stelling dat door de reactieve aanwijzing de werkplaats voor de tweede maal onder het overgangsrecht zou vallen, overweegt de Afdeling, nog daargelaten de juistheid van deze stelling, dat deze enkele omstandigheid niet maakt dat geen reactieve aanwijzing kan worden gegeven. Ter beoordeling staat immers enkel of het college een aanwijzing heeft kunnen geven ten opzichte van het plan dat op 26 februari 2010 door de raad is vastgesteld. De raad kan overigens, indien hij overgaat tot het opnieuw vaststellen van een bestemmingsplan voor het perceel van [appellant sub 1], een bestemming opnemen waarbij onder meer een specifieke maximale maatvoering voor bouwwerken wordt opgenomen.

2.4.9. In hetgeen [appellant sub 1] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het perceel [locatie 2]

2.5. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen-buitengebied" aan het perceel [locatie 2].

2.5.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel ten grondslag gelegd dat het vigerende plan geen woningbouw op het perceel mogelijk maakt. Op grond van dit plan is wonen uitsluitend toegestaan in de bebouwing die op de bij het plan behorende inventarislijst staat. Het toekennen van een woonbestemming aan het perceel brengt derhalve meer bouwmogelijkheden met zich dan het vigerende bestemmingsplan toekent. Volgens het college is dit in strijd met het beleid in de Paraplunota en de nadien vastgestelde verordening, inhoudende dat verstening van het buitengebied moet worden teruggedrongen.

2.5.2. [appellant sub 2] en het gemeentebestuur betogen dat ten onrechte een reactieve aanwijzing is gegeven voor het perceel [locatie 2]. [appellant sub 2] voert aan dat in 1986 een bouwvergunning is verleend voor de werkplaats op dit perceel. Sindsdien gebruikt hij deze werkplaats als woning. Volgens hem heeft het college niet gemotiveerd waarom het provinciale belang zwaarder weegt dan zijn belang om in het plan een woonbestemming toe te kennen aan de woning, nu deze niet bijdraagt aan een verdere verstening van het buitengebied. Verder betoogt [appellant sub 2] dat zijn perceel ligt in een overgangszone van stedelijk gebied naar het buitengebied, zodat een woonbestemming geen aantasting van het buitengebied oplevert. Ter zitting heeft [appellant sub 2] er voorts op gewezen dat het perceel niet in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) of de GHS ligt, zodat met het toekennen van een woonbestemming niet voor aantasting van natuurwaarden behoeft te worden gevreesd. Het gemeentebestuur voert aan dat een reeds feitelijk bestaande situatie wordt gecontinueerd, hetgeen in overeenstemming is met paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota, op grond waarvan het verbouwen van bestaande woningen onder voorwaarden is toegestaan.

2.5.3. De Afdeling stelt op basis van de door partijen overgelegde kaarten en luchtfoto's vast dat het buitengebied en het stedelijk gebied aan de Gilzerbaan duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Vast staat dat het perceel van [appellant sub 2] buiten het stedelijk gebied en in het buitengebied ligt. Verder staat vast dat in het vigerende plan het perceel [locatie 2] de bestemming "Wonen-W" is toegekend en dat geen aanduiding "situering woning" is toegekend.

2.5.4. Gezien de bepalingen uit het vigerende plan die hiervoor onder 2.5.2 zijn weergegeven kan onder het vigerende plan geen woning of woonvoorziening worden gebouwd op het perceel van [appellant sub 2]. Wonen is derhalve uitsluitend toegestaan in de op het perceel toegestane bebouwing. Gezien de bovengenoemde bepalingen uit het plan van 26 februari 2010, zoals die onder 2.5.1 zijn weergegeven, wordt met het toekennen van de bestemming "Wonen - Buitengebied" aan het gehele perceel van [appellant sub 2] voorzien in de mogelijkheid om een - fors grotere - woning nieuw te realiseren, en in een vergroting van de overige bouwmogelijkheden op het perceel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een verstening van het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde Verordening, zoals dat hiervoor onder 2.5.4 is weergegeven. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

De vraag of het perceel in de EHS dan wel GHS ligt, behoeft om die reden geen bespreking meer.

2.5.5. Voor zover het gemeentebestuur heeft verwezen naar paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota overweegt de Afdeling dat dit betoog niet kan slagen, nu deze paragraaf ziet op bestaande burgerwoningen in het buitengebied. De woning van [appellant sub 2] is evenwel geen bestaande burgerwoning die als zodanig is bestemd, maar een als woning gebruikte werkplaats.

2.5.6. In hetgeen [appellant sub 2] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het perceel [locatie 3]

2.6. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen-buitengebied" aan het perceel [locatie 3].

2.6.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel ten grondslag gelegd dat het vigerende plan geen woningbouw op het perceel mogelijk maakt. Het toekennen van een woonbestemming aan het perceel brengt derhalve meer bouwmogelijkheden met zich dan het vigerende bestemmingsplan toekent. Volgens het college is dit in strijd met het beleid in de Paraplunota en de nadien vastgestelde verordening inhoudende dat verstening van het buitengebied moet worden teruggedrongen.

2.6.2. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en het gemeentebestuur voeren aan dat ten onrechte een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het perceel, dat thans voor de helft braak ligt en voor de helft beplant is met bomen. Volgens hen had de bestemming "Wonen-buitengebied" moeten worden toegekend, zodat het mogelijk wordt om seniorenwoningen te bouwen. Zij wijzen er op dat hiermee een maatschappelijk belang wordt gediend en dat de keuze voor dit perceel wordt ondersteund door een ruimtelijke onderbouwing. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] wijzen er op dat het perceel deel uitmaakt van een overgangszone tussen het stedelijk gebied en het buitengebied, aangezien het onderdeel is van een aansluitende rij van woningen aan de zuidkant van de Gilzerbaan en direct grenst aan de woonwijk "De Blaak". Verder ligt het perceel binnen de bebouwde kom van Tilburg en maakt het geen deel uit van het buitengebied. Verder bestrijden [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat het perceel, en in ieder geval het braakliggende deel daarvan, in de GHS of EHS ligt. Op het gedeelte van het perceel waar de seniorenwoningen geprojecteerd zijn, zijn bovendien geen wezenlijke natuurwaarden of bos aanwezig. Tot slot wijzen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] er op dat het college zich niet heeft verzet tegen het bestemmingsplan "Blaak Noord-West [locatie 4]", waarbij tegenover het perceel [locatie 3] vier vrijstaande woningen mogelijk zijn gemaakt.

2.6.3. De Afdeling stelt op basis van de door partijen overgelegde kaarten en luchtfoto's vast dat het buitengebied en het stedelijk gebied aan de Gilzerbaan duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Vast staat dat het perceel van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] buiten het stedelijk gebied en in het buitengebied ligt. Verder staat vast dat in het vigerende plan het perceel [locatie 3] de bestemming "Wonen-W" is toegekend en dat geen aanduiding "situering woning" is toegekend. Woningbouw op dit perceel is derhalve niet mogelijk.

2.6.4. Gezien de hiervoor onder 2.5.1 en 2.5.5 genoemde bepalingen uit het plan van 26 februari 2010 en het vigerende plan wordt met het toekennen van de bestemming "Wonen - Buitengebied" in het plan van 26 februari 2010 aan het gehele perceel van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] ten opzichte van het vigerende plan voorzien in de mogelijkheid om woningen te realiseren. Het college heeft terecht gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een verstening van het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde Verordening, zoals weergegeven onder 2.5.4. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. De vraag of het perceel in de EHS dan wel GHS ligt, behoeft om die reden geen bespreking meer.

2.6.5. Voorts hebben het gemeentebestuur en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] niet aannemelijk gemaakt dat het maatschappelijk belang bij de bouw van de seniorenwoningen op deze locatie zwaarder zou moeten wegen dan het belang van het college bij het vrijwaren van het buitengebied van nieuwe bebouwing. Voor zover [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben betoogd dat het college geen bezwaren heeft gehad tegen de bouw van vier villa's op het perceel tegenover zijn perceel, overweegt de Afdeling dat deze villa's nog binnen het stedelijk gebied van Tilburg vallen en het overige deel van het perceel [locatie 4] in het buitengebied. De door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] genoemde situatie komt dus niet overeen met de thans aan de orde zijnde situatie, waarin het perceel van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] buiten het stedelijk gebied ligt.

2.6.6. In hetgeen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het perceel [locatie 5]

2.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen-buitengebied" aan het perceel [locatie 5].

2.7.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel ten grondslag gelegd dat het vigerende plan geen woningbouw op het perceel mogelijk maakt. Het toekennen van een woonbestemming aan het perceel brengt derhalve meer bouwmogelijkheden met zich dan het vigerende bestemmingsplan toekent. Volgens het college is dit in strijd met het beleid in de Paraplunota en de nadien vastgestelde verordening inhoudende dat verstening van het buitengebied moet worden teruggedrongen.

2.7.2. [appellant sub 4] en het gemeentebestuur betogen dat ten onrechte voor het perceel [locatie 5] een reactieve aanwijzing is gegeven. Zij wijzen er op dat de recreatieve voorziening die op dit perceel gevestigd is sinds 1997 permanent bewoond wordt, en dus als zodanig bestemd had moeten worden.

2.7.3. Niet in geschil is dat de recreatieve voorziening op het perceel [locatie 5] in het vigerende bestemmingsplan geen woonbestemming heeft.

2.7.4. Gezien de hiervoor onder 2.5.1 en 2.5.5 genoemde bepalingen uit zowel het plan van 26 februari 2010 als het vigerende plan wordt met het toekennen van de bestemming "Wonen - Buitengebied" in het plan van 26 februari 2010 aan het gehele perceel van [appellant sub 4] voorzien in de mogelijkheid om woningen te realiseren. Het college heeft terecht gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een verstening van het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde Verordening, zoals weergegeven onder 2.5.4. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. De vraag of het perceel in de EHS dan wel GHS ligt, behoeft om die reden geen bespreking meer.

2.7.5. Voor zover [appellant sub 4] en het gemeentebestuur betogen dat het college voor de situatie op het perceel [locatie 5] een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat het gaat om een bestaande woning die permanent wordt bewoond en omdat het gebruik van de woning onder het overgangsrecht van het vigerende plan valt, overweegt de Afdeling dat, zoals zij eerder heeft overwogen (in overweging 2.6.2 van de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605059/1) het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet betekent dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik.

2.7.6. Voor zover [appellant sub 4] en het gemeentebestuur aanvoeren dat het perceel voor een woonbestemming in aanmerking komt omdat de eveneens in bosachtig gebied gelegen en daardoor vergelijkbare percelen met de kadastrale nummers 401, 405, 409 en 412 wel de bestemming "Wonen-buitengebied" hebben, overweegt de Afdeling dat deze grond niet kan slagen, reeds omdat op deze percelen ook onder het vigerende plan permanente bewoning was toegestaan.

2.7.7. In hetgeen [appellant sub 4] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De percelen met de medebestemming "Dagrecreatie".

2.8. Bij het bestreden besluit heeft het college een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot artikel 8, lid 8.2.2, onder b, van de planregels.

2.8.1. In het ontwerp van het plan luidde artikel 8, lid 8.2.2, van de planregels, dat betrekking heeft op gronden met de bestemming "Bos" en de medebestemming "Dagrecreatie", als volgt:

"Voor het bouwen van dagrecreatieve voorzieningen ter plaatse van de - indicatieve - aanduiding "dagrecreatie" gelden de volgende regels:

a. bestaande dagrecreatieve voorzieningen, die zijn opgenomen op de bij dit bestemmingsplan gevoegde "Lijst van dagrecreatieve voorzieningen" en als zodanig - indicatief - zijn aangeduid op de plankaart, mogen worden gehandhaafd.

b. nieuwbouw van dagrecreatieve voorzieningen is niet toegestaan, met dien verstande dat gehele of gedeeltelijke vernieuwing van een bestaande dagrecreatieve voorziening is toegestaan, mits:

1. de situering niet wordt gewijzigd en

2. de aard en functie van de dagrecreatieve voorziening niet worden gewijzigd en

3. de bestaande bouwhoogte niet wordt vergroot en

4. de bestaande oppervlakte niet wordt vergroot en

5. de bestaande inhoud niet wordt vergroot.

In het door de raad vastgestelde plan is voorwaarde 1 van artikel 8, lid 8.2.2, onder b, geschrapt.

Bij de reactieve aanwijzing heeft het college bepaald dat artikel 8, lid 8.2.2, onder b, na de zinsnede "nieuwbouw van dagrecreatieve voorzieningen is niet toegestaan", is komen te vervallen.

2.8.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat in het bestemmingsplan op de gronden met de bestemming "Bos" indicatieve bouwvlakken gelden. Hierdoor is het mogelijk dat herbouw of nieuwbouw van recreatieve voorzieningen in beginsel overal binnen de perceelsgrenzen kan geschieden, met inachtneming van de overige bepalingen van artikel 8, lid 8.2.2, met het gevolg dat ter plaatse aanwezige natuurwaarden worden aangetast. Volgens het college is dit in strijd met de Paraplunota en de Verordening.

2.8.3. 't Geregt en het gemeentebestuur voeren aan dat ten onrechte bij de reactieve aanwijzing artikel 8, lid 8.2.2, sub b, grotendeels is geschrapt. Volgens 't Geregt is hierdoor geen herbouw van recreatiewoningen meer mogelijk indien die verloren gaan bij een calamiteit. Verder wijst 't Geregt er op dat het college zich kon verenigen met de tekst uit het ontwerp van het bestemmingsplan, en dus bij de reactieve aanwijzing de eerste voorwaarde aan artikel 8, lid 8.2.2, onder b, hadden kunnen toevoegen.

2.8.4. In paragraaf 4.8.2 van de Paraplunota is vermeld dat in de GHS-natuur, subzone overig bos- en natuurgebied, alleen bestaande en voormalige (agrarische) bouwvlakken als nieuwe locaties voor verblijfsrecreatie in aanmerking komen.

In artikel 3.1.3, eerste lid, onder a en b van de Verordening is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en dat regels worden gesteld ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening wordt gehouden met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder cultuurhistorische waarden en kenmerken.

2.8.5. Vast staat dat in het plangebied gronden met de bestemming "Bos" in de EHS liggen. De Afdeling overweegt dat met het wegvallen van de voorwaarde dat bij gehele of gedeeltelijke vernieuwing van een recreatiewoning de situering niet mag wijzigen, het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de mogelijkheid om elders binnen de perceelsgrenzen een recreatieve voorziening te herbouwen. Het college heeft terecht gesteld dat hierdoor de natuurwaarden op deze percelen kunnen worden aangetast, hetgeen in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde Verordening, zoals hiervoor onder 2.10.4 is weergegeven. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.8.6. In hetgeen 't Geregt en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Slotconclusie

2.9. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

361.