Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201107511/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning met garage op het perceel [locatie] te Ulvenhout (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107511/1/A1.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 25 mei 2011 in zaak nrs. 11/2314 en 11/2139 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning met garage op het perceel [locatie] te Ulvenhout (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op 27 mei 2011, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2012, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.M.J.F. Meeuwis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit van 1 maart 2011 is genomen in strijd met artikel 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu daarin niet is vermeld dat het krachtens mandaat is genomen.

2.1.1. Ingevolge artikel 10:10 van de Awb dient een krachtens mandaat genomen besluit te vermelden namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen.

2.1.2. Niet in geschil is dat het besluit van 1 maart 2011 is genomen door de wethouder B. Bergkamp. Hij is daartoe gemachtigd op grond van het portefeuillehoudersmandaat 2003.

In strijd met artikel 10:10 Awb vermeldt het besluit niet dat het namens het college is genomen. Het betoog is derhalve terecht voorgedragen. Zoals de Afdeling echter eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200905376/1/M2), is het mogelijk het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren, nu [appellant] niet in zijn belangen is geschaad. De Afdeling zal dit dan ook doen.

2.2. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning welke in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 46, derde lid, aanhef en onder b, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, wordt de aanvraag om bouwvergunning die in strijd is met het geldende planologische regime tevens aangemerkt als een verzoek om ontheffing te verlenen, dan wel een projectbesluit te nemen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet op de ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een bestemmingsplan is vastgesteld.

2.3. Ingevolge het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Ulvenhout" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Op gronden met deze bestemming mag de diepte van een hoofdgebouw ingevolge artikel 13.2.2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften maximaal twaalf meter bedragen, met uitzondering van vrijstaande woningen waarbij een diepte van maximaal vijftien meter is toegestaan.

Ingevolge artikel 1.3 wordt onder een aan- en uitbouw verstaan een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar daar wel functioneel onderdeel van uitmaakt.

Ingevolge artikel 1.21 wordt onder een bijgebouw verstaan een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1.46 wordt onder een hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de bouwaanvraag ten onrechte heeft aangehouden tot de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Ulvenhout". Daartoe voert hij aan dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het besluit van 31 augustus 2010, vanwege een onjuiste toepassing van de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, onbevoegd is genomen en dat dit niet is gerepareerd bij de beslissing op bezwaar. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter uit het e-mailbericht van het gemeentelijke Bouw- en Woningtoezicht van 22 april 2010 ten onrechte heeft begrepen dat geen ontheffingsprocedure wordt gevolgd, omdat het bouwplan past in het bestemmingsplan "Ulvenhout" en dat de bouwaanvraag zal worden behandeld nadat dat bestemmingsplan in werking is getreden.

2.4.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat een aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Woningwet bestond. Dit artikel is op het onderhavige geval niet van toepassing, reeds omdat grond bestond de bouwvergunning te weigeren, aangezien het bouwplan in strijd was met het ten tijde van de indiening van de aanvraag op 26 februari 2010 geldende bestemmingsplan "Woongebied Ulvenhout".

De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat het college om die reden ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van belang, de bouwaanvraag had moeten aanmerken als een verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan "Woongebied Ulvenhout". Dat het college er in afwijking daarvan voor heeft gekozen om de behandeling van de bouwaanvraag uit te stellen tot inwerkingtreding van het thans geldende bestemmingsplan "Ulvenhout" dat ten tijde van de indiening van de aanvraag al wel was vastgesteld, omdat, zoals blijkt uit het e-mailbericht van J. Hoevenaars van Bouw- en Woningtoezicht van 22 april 2010, het bouwplan volgens het college daarmee in overeenstemming is, maakt niet dat het besluit tot verlening van de bouwvergunning onbevoegd is genomen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Ulvenhout", omdat voorschriften omtrent de maximale diepte van een vrijstaande woning worden overschreden. Daartoe voert hij aan dat geen sprake is van een hoofdgebouw met een aan- en uitbouw, maar van één hoofdgebouw met een totale diepte van 25,70 meter.

2.5.1. Het bouwplan betreft een vrijstaande woning met inpandige garage. Het gedeelte van de woning met twee bouwlagen heeft een hoogte van zes meter. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat dit gedeelte van het bouwplan ingevolge artikel 1.46 van de planvoorschriften als hoofdgebouw moet worden aangemerkt, nu dit gedeelte, gelet op de bouwhoogte en de woonfunctie, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Het hoofdgebouw heeft een diepte van 11,30 meter hetgeen ingevolge artikel 13.2.2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is toegestaan.

De voorzieningenrechter heeft voorts terecht geoordeeld dat het zogenoemde laagbouwgedeelte van het bouwplan, voor zover dat in één bouwlaag met een hoogte van drie meter is aangebouwd aan de achterzijde van de woning en waar een gedeelte van de woonkamer en een atelier/hobbyruimte zijn gesitueerd, als een aan- en uitbouw in de zin van artikel 1.3 van de planvoorschriften moet worden beschouwd. Dat met de diepte van de aan- en uitbouw de maximaal toegestane diepte van het hoofdgebouw wordt overschreden, maakt niet dat het bouwplan in zoverre in strijd met het bestemmingsplan "Ulvenhout" moet worden geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2007 in zaak nr. 200702926/1) is er sprake van een bouwkundige ondergeschiktheid wanneer er tussen verschillende gedeelten van een bouwwerk een onderscheid in bouwlagen is. De door [appellant] genoemde omstandigheden dat de oppervlakte van het laagbouwgedeelte de oppervlakte van het hoofdgebouw overschrijdt en dat de lengte van het laagbouwgedeelte de lengte van het hoofdgebouw overschrijdt, leiden in dit geval niet tot een andere conclusie.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt eveneens tevergeefs dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat uit de toelichting op het bestemmingsplan "Ulvenhout" blijkt dat het een consoliderend karakter heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200900961/1/H1), zijn de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften beslissend voor het antwoord op de vraag, of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Ulvenhout". Zoals hiervoor overwogen, heeft het college het bouwplan terecht niet in strijd met dat bestemmingsplan geacht. De toelichting, wat daar verder van zij, heeft in dit verband slechts in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst op zichzelf noch in hun samenhang duidelijk zijn, hetgeen zich hier niet voordoet.

2.7. [appellant] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

357-724.