Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201102807/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ0917, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellante] om verlening van vergunningen ten behoeve van de exploitatie van [coffeeshop] en [café] gelegen aan onderscheidenlijk de [locatie A] en de [locatie B] te Amsterdam (hierna: de horecabedrijven), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 3
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102807/1/A3.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2011 in zaak nr. 09/3593 in het geding tussen:

[appellante], [gemachtigde], wonend te [woonplaats], [bedrijf B], gevestigd te Amsterdam, en [persoon B], wonend te [woonplaats],

en

de burgemeester van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellante] om verlening van vergunningen ten behoeve van de exploitatie van [coffeeshop] en [café] gelegen aan onderscheidenlijk de [locatie A] en de [locatie B] te Amsterdam (hierna: de horecabedrijven), afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 juni 2008 gehandhaafd, met dien verstande dat artikel 3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV) aan de afwijzing ten grondslag wordt gelegd.

Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft bij brieven van 9 en 12 november 2011 nadere stukken ingediend.

De burgemeester heeft een advies van 24 april 2008 van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna:

het Bureau) aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft de burgemeester medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen.

De Afdeling heeft beslist dat de aldus verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

[appellante] heeft toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), verleend. De Afdeling heeft kennisgenomen van het advies.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door

mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J. Pot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) kunnen bestuursorganen voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder c, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge het zesde lid hebben bestuursorganen eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2.2. De burgemeester heeft de aanvraag van [appellante] om exploitatievergunningen afgewezen, omdat naar zijn oordeel ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob. Voorts bestaat naar het oordeel van de burgemeester het vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde vergunningen een strafbaar feit is gepleegd, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. De burgemeester is bij zijn besluitvorming afgegaan op een door het Bureau uitgebracht advies van 24 april 2008 (hierna: het advies).

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunningen reeds mocht weigeren op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob, omdat ernstig gevaar bestaat dat de door [appellante] gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Hierbij heeft de burgemeester de mate van het gevaar volgens de rechtbank mogen bepalen op basis van strafbare feiten die verband houden met handel in drugs en die zijn gepleegd door [persoon A], tot wie [appellante] tot de beëindiging van door haar gedreven ondernemingen op 1 oktober 2007 in een zakelijk samenwerkingsverband stond. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts aannemelijk dat [persoon A] vermogen heeft verschaft aan [appellante] en dat hij zeggenschap over [appellante] heeft gehad.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in relatie staat tot de strafbare feiten, gepleegd door [persoon A]. De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat de burgemeester op grond van onduidelijke geldstromen tussen [appellante], [bedrijf A] en [bedrijf B] heeft mogen concluderen dat het vermoeden bestaat dat [persoon A] via [bedrijf A] een groot deel van de winst van [appellante] ontvangt. Daarbij geldt dat de maandelijkse vergoeding aan [bedrijf A] van € 13.155,00, gelet op de bruto jaaromzet van de horecabedrijven, een passende vergoeding betreft voor het gebruik van een vergunning en een gedoogverklaring en huur van bedrijfsruimte, aldus [appellante].

2.5. Bij brief van 12 november 2011 heeft [appellante] voorts aangevoerd, dat [persoon A] nimmer eigenaar is geweest van de horecabedrijven en dat de huidige bedrijfsstructuur van [appellante] niet op zijn initiatief tot stand is gekomen. Dat [appellante] een en ander eerst in een zo laat stadium van de procedure naar voren brengt, acht de Afdeling in strijd met de eisen van een goede procesorde. Niet is gebleken dat [appellante] dit niet in een eerder stadium van de procedure naar voren had kunnen brengen. De brief van 12 november 2011 dient daarom in zoverre buiten beschouwing te worden gelaten. Datzelfde geldt voor de in dat verband bij brief van 9 november 2011 overgelegde stukken. De Afdeling acht verder van belang dat [appellante] in een eerder stadium van de procedure nimmer heeft betwist, dat [persoon A] het initiatief heeft genomen tot de huidige bedrijfsstructuur van [appellante]. Zoals [appellante] tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie heeft verklaard, heeft [persoon A] de financiële constructie destijds bedacht om een deel van de opbrengsten aan [persoon B] te laten toekomen als alimentatie. Ook heeft [appellante] in de beroepsfase erkend dat [persoon A] in het verleden eigenaar is geweest van de horecabedrijven.

2.6. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011 in zaak nr. 200909931/1/H3), mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van het advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen, dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval, indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

2.6.1. Niet in geschil is dat [persoon A] strafbare feiten heeft gepleegd die verband houden met Opiumwetdelicten en dat hij sinds 11 juli 2007 gedetineerd is in Turkije vanwege handel in verdovende middelen. Voorts is evenmin in geschil dat [persoon A] de horecabedrijven in het verleden heeft gekocht en als eigenaar heeft geëxploiteerd en dat op zijn initiatief de huidige bedrijfsstructuur van [appellante] tot stand is gekomen. Hoewel [persoon B], enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf A], bij de oprichting van [bedrijf A] in 2004 de economische eigendom van de horecabedrijven heeft ingebracht, heeft [persoon A] zich ook na de echtscheiding tussen hem en [persoon B] in 2006 tegenover de politie voorgedaan als eigenaar van de horecabedrijven en telefonisch met een medewerker gesproken over de toekomst van het café en over de energierekeningen van de coffeeshop.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester op grond van onduidelijke geldstromen tussen [appellante], [bedrijf A] en [bedrijf B] heeft mogen concluderen dat het vermoeden bestaat dat [persoon A] via [bedrijf A] een groot deel van de winst van [appellante] ontvangt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de maandelijkse vergoeding aan [bedrijf A] van € 13.155,00 niet kan worden aangemerkt als een passende vergoeding voor het economisch gebruik van de horecabedrijven. De rechtbank heeft ten aanzien van deze vergoeding terecht overwogen, dat dit bedrag relatief hoog is en een onzakelijk karakter heeft. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat deze vergoeding, anders dan [appellante] stelt, niet ziet op het gebruik van een vergunning en een gedoogverklaring en op huur van bedrijfsruimte. Het huurrecht, de vergunning en de gedoogverklaring zijn immers door [persoon B] in persoon ingebracht in [appellante].

De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen, dat [persoon A] vermogen heeft verschaft aan [appellante] en zeggenschap heeft gehad over de exploitatie van de door [appellante] uitgebate horecabedrijven. De rechtbank heeft met juistheid aangenomen dat [appellante] in relatie staat tot de hiervoor vermelde strafbare feiten.

Het betoog faalt.

2.6.2. [appellante] kan aldus in verband worden gebracht met handel in verdovende middelen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zijn de hiervoor vermelde strafbare feiten naar hun aard gericht op het behalen van op geld waardeerbare voordelen. Gelet hierop, kunnen de in het advies vermelde bevindingen de conclusie dragen, dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Voorts bestaat voldoende samenhang tussen de exploitatie van horecabedrijven en de strafbare feiten waarmee [appellante] in verband wordt gebracht, omdat deze vergunningen het plegen van deze strafbare feiten kunnen faciliteren. Gelet op de aard van de strafbare feiten waarmee [appellante] in verband wordt gebracht, alsmede de ernst daarvan, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunningen in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

195-597.