Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201102173/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrumplan Ulestraten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102173/1/R1.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ulestraten, gemeente Meerssen,

en

de raad van de gemeente Meerssen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrumplan Ulestraten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 31 maart 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door drs. R.L.M. Baltesen en ir. J. Zomerplaag, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat onduidelijk is of is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) nu de resultaten van het vooroverleg met de provincie en de VROM-inspectie niet zijn weergegeven.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 200907642/1/R1) volgt uit artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro niet dat het toezenden van het voorontwerp niet voldoende is om als overleg te worden aangemerkt en volgt uit de artikelsgewijze toelichting uit de nota van toelichting dat aan de praktijk wordt overgelaten hoe het overleg wordt gevoerd. Volgens de plantoelichting is het voorontwerp van het plan aan onder meer de provincie en de VROM-inspectie gestuurd. In het verweerschrift staat dat de provincie heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor het geven van opmerkingen en dat de VROM-inspectie niet op het voorontwerp heeft gereageerd. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

2.2. Het plan voorziet ten oosten van de woning van [appellant], voor zover van belang, in achttien seniorenwoningen.

2.3. Deze procedure heeft betrekking op het vastgestelde plan, zodat het betoog van [appellant] over toekomstige doorgroeimogelijkheden thans niet aan de orde kan komen.

2.4. [appellant] betoogt dat de ontwikkelaar van een van de deelgebieden zich heeft teruggetrokken, zodat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

2.4.1. De raad heeft zich in zijn verweerschrift en ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat de ontwikkelaar weliswaar heeft aangegeven te wachten met de ontwikkeling van de woningen ten oosten van de woning van [appellant], maar dat deze ontwikkeling naar verwachting binnen de planperiode van tien jaar zal aanvangen. Gelet hierop heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

2.5. [appellant] betoogt dat geen behoefte aan de voorziene seniorenwoningen bestaat.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat behoefte bestaat aan seniorenwoningen die voldoen aan de daarvoor benodigde hoge standaarden. In dit verband wijst de raad onder meer op de Regionale Woonvisie Maastricht en Mergelland 2010-2020.

2.5.2. In de Regionale Woonvisie Maastricht en Mergelland 2010-2020 staat dat de gemeenten zorg dragen voor een adequate huisvesting van ouderen en andere bevolkingsgroepen die door lichamelijke en/of geestelijke beperkingen extra eisen stellen aan de toegankelijkheid en inrichting van hun woning. Gelet hierop en nu het plan in slechts achttien seniorenwoningen voorziet kan de enkele stelling van [appellant], dat geen behoefte aan seniorenwoningen bestaat, niet slagen.

2.6. [appellant] betoogt dat de seniorenwoningen leiden tot aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van verminderde privacy.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het woon- en leefklimaat van [appellant] in de vorm van privacy niet onevenredig wordt aangetast en dat aan zijn belang wordt tegemoetgekomen doordat de loggia van de meest dichtbij gelegen woning op de eerste verdieping aan de andere zijde van de woning wordt gerealiseerd.

2.6.2. Het plan voorziet voor de gronden ten oosten van de woning van [appellant], voor zover van belang, in de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "bouwvlak", "gestapeld", "maximum aantal wooneenheden 18" en "maximum aantal bouwlagen 3".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor woningen.

Ingevolge lid 5.2.1, onder b, mogen op de voor "Wonen" aangewezen gronden, voor zover van belang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" gestapelde woningen gebouwd worden, met dien verstande dat het maximaal aantal gestapelde woningen niet meer mag bedragen dan aangegeven op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden".

Ingevolge lid 5.2.2 geldt:

a. het hoofdgebouw dient in het bouwvlak te worden gebouwd en bijgebouwen mogen in het bouwvlak worden gebouwd;

b. het maximaal aantal bouwlagen is aangegeven op de verbeelding;

c. de hoogte van een bouwlaag mag niet meer bedragen dan 3,5 m;

(…)

f. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 12,5 m;

(…)

2.6.3. Gelet op de aanduiding "maximum aantal bouwlagen 3" en nu de hoogte van een bouwlaag ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, onder c, van de planregels niet meer mag bedragen dan 3,5 m, bedraagt de voorziene bouwhoogte ten oosten van de woning van [appellant] 11,5 m. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat de seniorenwoningen op een afstand van 15 m van de woning van [appellant] zijn voorzien. Niet kan worden uitgesloten dat de privacy van [appellant] onder deze omstandigheden in enige mate wordt aangetast. Het betreft evenwel een stedelijke omgeving. Daarnaast heeft de raad toegezegd dat de loggia van de meest dichtbij gelegen woning op de eerste verdieping aan de andere zijde van de woning zal worden gerealiseerd. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] niet onevenredig wordt aangetast.

2.7. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

410-635.