Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201104141/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellante] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2012/22 met annotatie van mw. mr. T. ten Have
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104141/1/A2.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Goor, gemeente Hof van Twente,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 april 2011 in zaak nr. 09/1406 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellante] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro, wordt een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wro gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, voor zover hier van belang, blijft het recht, zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

[appellante] heeft het verzoek om vergoeding van planschade in november 2008 ingediend, zodat de Wro daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, voor zover hier van belang, is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een besluit als bedoeld in artikel 3.10.

2.2. [appellante] is eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] te Goor (hierna: het perceel). Zij heeft verzocht om vergoeding van planschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van een met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Omgeving Centrum" (hierna: het bestemmingsplan) voor het bouwen van 36 woningen op het ten westen van haar perceel gelegen perceel Van Kollaan 70 te Goor (hierna: het projectgebied). In het bestemmingsplan was het projectgebied aangewezen voor "Bijzondere Doeleinden" en bestemd voor kerken.

2.3. Het college heeft het verzoek om vergoeding van planschade ter advisering voorgelegd aan Langhout & Wiarda Juristen (hierna: Langhout & Wiarda). Deze heeft in een advies van 9 juni 2009, aangevuld bij brief van 16 oktober 2009, geconcludeerd dat de bebouwingsmogelijkheden in het projectgebied fors toenemen en voorts per saldo een geringe verzwaring van het gebruiksregime optreedt. Volgens Langhout & Wiarda ondervindt [appellante] evenwel geen planologisch nadeel. Daartoe is van belang geacht dat de tussen het perceel en het projectgebied gelegen gronden de bestemming "Autoboxen" hebben, op welke gronden autoboxen met een maximum oppervlak per autobox van 20m2 en een goothoogte van 3 meter zijn toegestaan. Nu in het bestemmingsplan geen voorschriften zijn opgenomen betreffende de maximale bouwhoogte, dient volgens Langhout & Wiarda, gelet op de aanvullende werking van de bouwverordening, te worden uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 15 meter. Bij realisering van hetgeen op de tussenliggende gronden maximaal mogelijk is, wordt de met de vrijstelling mogelijk gemaakte bebouwing aan het zicht onttrokken.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 23 juni 2009, zoals gehandhaafd bij besluit van 15 december 2009, ten grondslag gelegd.

2.4. Het geschil beperkt zich tot de vraag, of met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat op de gronden, gelegen tussen het perceel en het projectgebied autoboxen met een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 15 meter konden worden gebouwd. [appellante] betoogt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dit het geval is. Daartoe voert zij aan dat de term autobox alsmede het feit dat in de planvoorschriften slechts een goothoogte is genoemd, er op duidt dat de planwetgever een rechthoekig bouwwerk met een platte afdekking voor ogen heeft gehad. Voorts voert zij aan dat een 12 meter hoge kap niet kan worden gerealiseerd, omdat de planwetgever heeft beoogd dat ter plaatse enkel gebouwen kunnen worden gebouwd voor de stalling van auto's en het gebruik van de hoge zolder voor bijvoorbeeld opslag van goederen derhalve in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.1. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in de planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door verandering van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

2.4.2. Een autobox is - gelet op de omschrijving die daaraan volgens "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven - primair bedoeld voor het stallen van één auto of ander voertuig. Dat betekent dat, hoewel opslag van goederen in een autobox op zich mogelijk is, uitgesloten is dat op basis van een geldende bestemming "Autoboxen" vergunning zou kunnen worden verleend voor het bouwen van een bouwwerk met een zodanige vorm en afmetingen, te weten een oppervlakte van 20 m2, een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 15 meter, dat niet langer kan worden staande gehouden dat de functie van stalling voor een voertuig voorop staat. In de planvergelijking had daar dan ook niet van mogen worden uitgegaan. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft hetgeen [appellante] verder heeft aangevoerd geen bespreking meer.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen het beroep tegen het besluit van 15 december 2009 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 april 2011 in zaak nr. 09/1406;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 15 december 2009, kenmerk 300347;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

502.