Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201101578/1/R4 en 201102214/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college hogere geluidgrenswaarden vanwege industrielawaai en vanwege verkeerslawaai als bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van een aantal woningen te Alkmaar. Dit besluit is op 16 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door F.M. Borst en ir. B.L. Schaafsma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101578/1/R4 en 201102214/1/R4.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], de Belangenvereniging Industrieterrein "Oudorp" e.o. (hierna: BVIO), en [appellant B], alle gevestigd respectievelijk wonend te Alkmaar, (hierna: [appellant] en anderen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college hogere geluidgrenswaarden vanwege industrielawaai en vanwege verkeerslawaai als bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van een aantal woningen te Alkmaar. Dit besluit is op 16 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door F.M. Borst en ir. B.L. Schaafsma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De hogere waarden zijn vastgesteld in verband met voorgenomen realisatie van woningen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein "Oudorp" alsmede de geluidzone van de Alexander Flemingstraat, Marconistraat en Schermerweg. De realisatie van deze woningen wordt door het bestemmingsplan "Jaagpad Oost" mogelijk gemaakt.

2.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college.

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2.1. De ontwerpen voor de bestreden besluiten tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden zijn ter inzage gelegd tezamen met het ontwerp van het bestemmingsplan "Jaagpad Oost", ten behoeve waarvan de hogere waarden zijn vastgesteld. [appellant] en anderen hebben zienswijzen inzake het bestemmingsplan naar voren gebracht. Daarbij hebben zij de besluiten tot het vaststellen van hogere grenswaarden niet genoemd. Ter zitting hebben [appellant] en anderen erkend dat zij over het hoofd hebben gezien dat ook ten aanzien van deze besluiten zienswijzen naar voren konden worden gebracht. Zij betogen dat de zienswijzen inzake het bestemmingsplan inhoudelijk tevens betrekking hebben op de besluiten tot het vaststellen van hogere geluidgrenswaarden. [appellant] en anderen hebben evenwel noch in de stukken, noch ter zitting duidelijk gemaakt welke in de zienswijzen aan de orde gestelde bezwaren zien op de thans bestreden besluiten.

2.3. De conclusie is dat [appellant] en anderen geen zienswijzen tegen de ontwerpplannen naar voren hebben gebracht bij het college. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Het beroep van [appellant] en anderen is gelet hierop niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

539.