Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201104601/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college aan [belanghebbende] vergunning verleend voor het realiseren van een uitweg ten behoeve van het perceel [locatie] te Zaandam. Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het college een nieuw besluit in de plaats gesteld van het besluit van 9 april 2010 en daarbij wederom [belanghebbende] vergunning verleend voor het realiseren van de uitweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104601/1/A3.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 maart 2011 in zaak nr. 10-4649 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college aan [belanghebbende] vergunning verleend voor het realiseren van een uitweg ten behoeve van het perceel [locatie] te Zaandam. Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het college een nieuw besluit in de plaats gesteld van het besluit van 9 april 2010 en daarbij wederom [belanghebbende] vergunning verleend voor het realiseren van de uitweg.

Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft het college de door [appellant A], [appellant B], en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. K. Ouggaali en M. van Kraalingen, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg.

Ingevolge het derde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Volgens artikel 3.1, vierde lid, van de Beleidsregels Uitwegen gemeente Zaanstad 2008 (hierna: de Beleidsregels) wordt een uitwegvergunning in ieder geval geweigerd indien één of meer parkeerplaatsen moeten vervallen, terwijl beperkt parkeerruimte in de straat of in de omgeving aanwezig is.

Volgens artikel 3.2.2, derde lid, aanhef en onder 1, kan het realiseren van een uitweg tot gevolg hebben dat de parkeermogelijkheden op de openbare weg worden beperkt. Daarom worden alleen in die gevallen uitwegvergunningen verleend, indien de uitweg gebruikt wordt om het parkeren van twee of meer gemotoriseerde voertuigen op eigen terrein mogelijk te maken, maar niet in de voortuin en maximaal één openbare parkeerplaats komt te vervallen.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 mei 2010 heeft het college ten grondslag gelegd dat geen van de weigeringsgronden voor een uitwegvergunning zich voordoet. Het college heeft zich hierbij onder andere op het standpunt gesteld dat de uitwegvergunning niet in strijd is met het bestemmingsplan, dat geen parkeerplaatsen verloren gaan, dat vanuit de uitweg voldoende zicht en ruimte is op de te betreden weg (hierna: de Zaanderhorn), dat voor de twee bomen die gekapt moeten worden inmiddels een kapvergunning is verleend en dat de uitwegvergunning geen invloed heeft op de breedte van de Zaanderhorn.

2.3. De rechtbank ziet in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de bruikbaarheid van de Zaanderhorn dermate zal worden aangetast dat dit de verlening van een uitwegvergunning in de weg staat. Tevens is de rechtbank van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat door de aanleg van de uitweg geen parkeerplaatsen vervallen op de Zaanderhorn.

2.4. Allereerst betogen [appellant A] en [appellant B] dat de aanvraag niet voldoet aan de eisen die aan een dergelijke aanvraag gesteld worden. Zij voeren hiertoe aan dat onvoldoende duidelijk is wat wordt aangevraagd. Uit geen enkel stuk kan worden opgemaakt hoe breed de uitweg gaat worden en wat de eventuele gevolgen zijn voor het parkeren.

2.4.1. Dit betoog faalt. Gezien een door het college in het geding gebrachte luchtfoto, een brief van 8 februari 2011 waarin het college op verzoek van de rechtbank de exacte maatvoering van de uitweg heeft weergegeven en het gegeven dat de uitweg al enige jaren bestaat, is voldoende duidelijk wat met de aanvraag voor de uitwegvergunning is beoogd. Tevens heeft het college in het besluit van 4 augustus 2011 gesteld dat met de aanleg van de uitweg geen parkeerplaatsen verloren gaan. De gevolgen voor het parkeren waren derhalve na dat besluit bekend.

2.5. Voorts betogen [appellant A] en [appellant B] dat de uitwegvergunning volgens artikel 3.1, vierde lid, van de Beleidsregels geweigerd had moeten worden. Zij voeren hiertoe aan dat door de aanleg van een uitweg parkeerplaatsen langs de Zaanderhorn zullen vervallen. Daarnaast wordt niet voldaan aan de eisen die worden gesteld in artikel 3.2.2, derde lid, van de Beleidsregels.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3.1, vierde lid en artikel 3.2.2, derde lid, van de Beleidsregels niet in de weg staan aan de verlening van een uitwegvergunning indien door het realiseren van die uitweg geen parkeerplaatsen komen te vervallen. Volgens de Beleidsregels wordt onder een parkeerplaats verstaan: een ruimte geschikt om te parkeren, hetzij in een aangegeven parkeervak, hetzij op een legale ruimte op de openbare weg.

De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat het college, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, aannemelijk heeft gemaakt dat geen parkeerplaatsen vervallen op de Zaanderhorn. [appellant A] en [appellant B] hebben voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de rechtbank dit ten onrechte heeft geoordeeld. Reeds hierom behoeft deze grond geen verdere bespreking.

Het betoog faalt.

2.6. Tot slot betogen [appellant A] en [appellant B] dat het college meewerkt aan het legaliseren van een illegale situatie. De bewoners van de [locatie] hebben immers zonder vergunning een sloot gedempt en een uitweg gerealiseerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

2.6.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college met betrekking tot het dempen van de sloot niet bevoegd is handhavend op te treden. Het bevoegde orgaan in dezen is het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Voorts is het college niet verplicht handhavend op te treden tegen een illegale situatie, indien concreet zicht op legalisering bestaat. [belanghebbende] heeft op 18 maart 2010 een uitwegvergunning aangevraagd. Door verlening van de vergunning mocht het college de illegale situatie legaliseren en afzien van handhaving.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

176-730.