Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV2411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
201104347/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft het CBR [appellant] geschikt geacht, voor zover van belang, voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie A met de volgende beperkingen: code 10.01 "Handschakeling", code 45 "Motorrijwiel uitsluitend met zijspan", vanwege een amputatie van het linkerbeen inclusief kniegewricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104347/1/A3.

Datum uitspraak: 1 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 11 maart 2011 in zaken nrs. 11/234 en 11/415 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft het CBR [appellant] geschikt geacht, voor zover van belang, voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie A met de volgende beperkingen: code 10.01 "Handschakeling", code 45 "Motorrijwiel uitsluitend met zijspan", vanwege een amputatie van het linkerbeen inclusief kniegewricht.

Bij besluit van 22 december 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Looijen, advocaat te Zetten, en het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, aanhef en onder b, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar haar oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het vierde lid registreert het CBR, door middel van bij ministeriële regeling vastgestelde codering, de noodzakelijk geachte aanpassingen aan het motorrijtuig dan wel de door de bestuurder te gebruiken kunst- of hulpmiddelen in het rijbewijzenregister, indien zij van oordeel is dat zonder deze aanpassingen dan wel kunst- of hulpmiddelen de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Hoofdstuk 9 van de bijlage is getiteld "Lichamelijke handicaps". Hierin is bepaald dat de geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap in eerste instantie wordt beoordeeld door het CBR op basis van de aantekening van de keurende arts op de eigen verklaring en de eventueel reeds beschikbare overige gegevens, bijvoorbeeld een rapport van de revalidatiearts. In de tweede plaats kan het CBR een beoordeling vragen door een deskundige van het CBR op het gebied van de praktische geschiktheid. Deze deskundige adviseert het CBR veelal na uitvoering van een technisch onderzoek of een rijtest over de mogelijkheden van de aanvrager van het rijbewijs om, zo nodig met aanpassingen aan het voertuig, een motorrijtuig te besturen. Bij twijfel over de geschiktheid van de betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijscategorie te worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw bezien.

2.2. Op 21 juni 2010 heeft [appellant] een Eigen Verklaring ingediend ter verkrijging van een verklaring van geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie B. Bij besluit van 25 oktober 2010 is, op grond van een rapport van de deskundige praktische rijgeschiktheid [deskundige], de verklaring van geschiktheid door het CBR afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A en B met bepaalde beperkingen. [appellant] is tevens verzocht een nieuw rijbewijs voor categorie A aan te vragen waarop de genoemde beperkingen zijn bijgeschreven. In het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat hij in het bezit dient te blijven van zijn huidige rijbewijs voor categorie A zonder enige beperkingen. Hiertoe heeft hij een verklaring van de huisarts, een verklaring van de gemeente Tiel en een polisoverzicht van de verzekeraar overgelegd. Bij besluit van 22 december 2010 heeft het CBR het besluit van 25 oktober 2010 gehandhaafd.

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van het door [deskundige] uitgebrachte rapport. De door [appellant] in het geding gebrachte verklaringen en stukken brengen de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel, nu daaruit niet blijkt dat de conclusie van [deskundige], inhoudende dat personen die geen kniegewricht hebben ongeschikt worden geacht als bestuurder van een solo motor, onjuist is dan wel op onjuiste veronderstellingen zou zijn gebaseerd.

2.4. Allereerst betoogt [appellant] dat het CBR buiten haar opdracht en bevoegdheid is getreden door het opleggen van een beperking van het motorrijbewijs. Hij voert hiertoe aan dat de Eigen Verklaring is afgelegd in het kader van de verkrijging van een autorijbewijs en dat het CBR derhalve geen beperking had mogen opleggen van het motorrijbewijs.

2.4.1. De beroepsgrond is voor het eerst aangevoerd in hoger beroep. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is aan te nemen dat deze niet in beroep kon worden aangevoerd, kan hij reeds om die reden niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

Overigens is het CBR ingevolge artikel 124, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegd een rijbewijs voor een bepaalde categorie ongeldig te verklaren indien uit een onderzoek dat is gedaan naar aanleiding van een aanvraag voor een verklaring van geschiktheid ten behoeve van een rijbewijs voor een andere categorie blijkt dat de aanvrager ook voor die categorie niet beschikt over de vereiste lichamelijke of geestelijk geschiktheid. Hieruit volgt dat het CBR een besluit mocht nemen over de geschiktheid van [appellant] voor het besturen van motorrijtuigen van categorie A.

2.5. Voorts betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte het CBR heeft gevolgd in haar beslissing. [appellant] voert hiertoe aan dat hij in staat had moeten worden gesteld een rijtest te ondergaan om aan te tonen dat geen enkele beperking van zijn rijbewijs voor categorie A noodzakelijk is. De door hem ingebrachte verklaringen en stukken zouden hiervoor voldoende aanleiding geven. Het CBR maakt gebruik van een advies met een standaardbeslissing terwijl niemand als een standaardgeval te beschouwen is, aldus [appellant].

2.5.1. Ingevolge hoofdstuk 9 van de bijlage bij de Regeling heeft het CBR een rapport laten opmaken door deskundige praktische rijgeschiktheid [deskundige]. Uit dit rapport blijkt dat het een vaste werkwijze van deskundigen op het gebied van praktische rijgeschiktheid is om personen die geen kniegewricht hebben alleen geschikt te achten voor motorrijtuigen van de categorie A indien gebruik wordt gemaakt van een motorrijwiel met zijspan. Reden hiervoor is dat personen zonder kniegewricht onvoldoende in staat worden geacht om in onverwachte situaties een overhellende motor aan één kant op te vangen. Een rijtest is in dit geval volgens de vaste werkwijze niet nodig.

Het CBR heeft in haar besluit op bezwaar ten aanzien van de rijtest gesteld dat het niet mogelijk is om noodsituaties te testen. Een eventuele rijtest is daarom in het geval van [appellant] niet aan de orde. Voor zover [appellant] van mening is dat hij is beschouwd als een standaardgeval, heeft het CBR ter zitting van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat zij niemand met een handicap als standaardgeval beschouwt. Volgens het CBR wordt per geval bekeken wat, gelet op de handicap van de persoon, de mogelijkheden zijn voor het verkrijgen van een rijbewijs van de categorie A. Het CBR neemt ter bevordering van een juiste beoordeling ten aanzien van personen met een handicap bovendien deel aan de projectgroep 'Motor Mobiliteit voor Gehandicapten'.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 201002918/1/H3 behoort het tot de expertise van de deskundigen praktische rijgeschiktheid om de rijgeschiktheid te beoordelen van onder andere personen met een lichamelijke handicap. Ingevolge hoofdstuk 9 van de bijlage bij de Regeling heeft het CBR [deskundige] aangewezen om een rapport op te maken over de rijgeschiktheid van [appellant]. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het CBR haar standpunt in het bij de rechtbank bestreden besluit niet in redelijkheid op de conclusies van [deskundige] heeft kunnen baseren. Niet is gebleken dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR het rapport niet aan haar besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

De Afdeling acht het voorts niet onaannemelijk dat onverwachte situaties niet door middel van een rijtest getest kunnen worden. Daarnaast is de deskundige ingevolge hoofdstuk 9 van de bijlage bij de Regeling niet gehouden een rijtest af te nemen. Deze omstandigheden in samenhang met de vaste werkwijze van de deskundigen praktische rijgeschiktheid maken het niet onredelijk dat in het geval van [appellant] is afgezien van het afnemen van een rijtest.

Het betoog faalt.

2.6. Tot slot betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn verzoek tot het benoemen van een eigen deskundige heeft afgewezen. Hij voert hiertoe aan dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het ingenomen standpunt van het CBR onjuist is.

2.6.1. De benoeming van een deskundige op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht is een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank. Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van het rapport van de [deskundige] is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank in redelijkheid de benoeming van een of meer deskundigen achterwege heeft kunnen laten.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012

176-730.