Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
201011891/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] van 22 februari 2010 om de bij besluit van 6 maart 2007 verleende veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de door [vergunninghoudster] gedreven inrichting aan de [locatie] te Veenwouden met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer te wijzigen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/11
OGR-Updates.nl 2012-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011891/1/A4.

Datum uitspraak: 25 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen

[appellant], wonend te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] van 22 februari 2010 om de bij besluit van 6 maart 2007 verleende veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de door [vergunninghoudster] gedreven inrichting aan de [locatie] te Veenwouden met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] van 22 februari 2010 om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot diezelfde inrichting afgewezen, voor zover aan dit verzoek niet reeds is tegemoet gekomen.

Bij besluit van 5 oktober 2010, verzonden op 7 oktober 2010, heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen zowel het besluit van 18 mei 2010 als het besluit van 1 juni 2010 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Assen ingekomen op 24 november 2010, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter verdere behandeling doorgestuurd naar de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2011, waar [appellant], bijgestaan door D.E. Poeze, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Leyten, zijn verschenen.

Overwegingen

2.1. Op 1 oktober is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Verzoek om wijziging van de milieuvergunning

2.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen.

Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

2.3. Het betoog van [appellant] komt in de kern erop neer, zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat het college bij het besluit van 6 maart 2007 ten onrechte vergunning heeft verleend, omdat bij de voorbereiding van dat besluit geen geuronderzoek is verricht. Wanneer, zo betoogt [appellant], het college wel een geuronderzoek zou hebben verricht, zou zijn gebleken dat de bij het besluit van 6 maart 2007 vergunde ontgeuringsinstallatie ontoereikend is. In dat geval zou volgens [appellant] aanleiding hebben bestaan de huidige vergunningvoorschriften met betrekking tot geur te wijzigen.

2.3.1. Ter zitting heeft het college erkend dat de bij het besluit van 6 maart 2007 vergunde ontgeuringsinstallatie ontoereikend is. Via het verzoek van [appellant] om wijziging van de vergunning met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer kan volgens het college echter niet een andere ontgeuringsinstallatie worden voorgeschreven, omdat daarmee de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Het college wijst erop dat [vergunninghoudster] inmiddels een nieuwe aanvraag om vergunning voor een andere ontgeuringsinstallatie heeft ingediend en dat het college tot vergunningverlening is overgegaan. De nieuwe ontgeuringsinstallatie is reeds in gebruik genomen, aldus het college.

2.3.2. Voor zover [appellant] aanvoert dat de bij besluit van 6 maart 2007 verleende vergunning niet had mogen worden verleend omdat destijds geen geuronderzoek was verricht, overweegt de Afdeling dat de rechtmatigheid van dit besluit thans niet meer aan de orde kan zijn.

2.3.3. Voor het overige vat de Afdeling het beroep van [appellant] op als te zijn gericht op een zodanige wijziging van de vergunning dat voortaan een andere ontgeuringsinstallatie wordt voorgeschreven dan waarvoor vergunning is verleend. De Afdeling overweegt dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Uit artikel 8.1, eerst lid, van de Wet milieubeheer in verbinding met artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer volgt dat dit evenzeer geldt bij toepassing van laatstgenoemd artikel. Dit betekent dat toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer er niet toe kan leiden dat, zoals [appellant] wenst, een andere ontgeuringsinstallatie wordt voorgeschreven dan waarvoor vergunning is verleend, omdat daarmee de grondslag van de aanvraag om de onderliggende vergunning zou worden verlaten. Gelet hierop heeft het college terecht het verzoek van [appellant] om wijziging van de vergunning in deze zin afgewezen.

De beroepsgrond faalt.

Verzoek om handhaving

2.4. Het door [appellant] bij brief van 22 februari 2010 gedane verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen is door het college opgevat als een verzoek om handhaving wegens overtreding van de voorschriften 10.1 tot en met 10.5 van de vergunning van 6 maart 2007. Er is geen grond voor het oordeel dat het college het verzoek niet aldus mocht opvatten.

2.4.1. Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college [vergunninghoudster] wegens overtreding van voorschrift 10.3 van de vergunning een last onder dwangsom opgelegd. Dat besluit staat in de huidige procedure niet ter beoordeling. Tegen dit besluit stonden afzonderlijke rechtsmiddelen open, waarvan [appellant] overigens ook gebruik heeft gemaakt. Thans is nog in geschil of bij het bestreden besluit het besluit van 1 juni 2010, waarbij het verzoek wat betreft de voorschriften 10.1, 10.2, 10.4 en 10.5 is afgewezen, kon worden gehandhaafd.

2.4.2. In voorschrift 10.1 is een geurgrenswaarde vastgelegd. In voorschrift 10.4 is bepaald op welke wijze de controle op de geuremissie moet gebeuren. Het college stelt zich op het standpunt dat niet is vastgesteld dat voorschrift 10.1 (samen met voorschrift 10.4) is overtreden. Ten aanzien van voorschrift 10.2, waarin is bepaald dat geurklachten moeten worden geregistreerd, heeft het college betoogd dat geen overtreding is geconstateerd. Voorschrift 10.5 is volgens het college wel overtreden, voor zover dit voorschrift verplicht om ten behoeve van de ontgeuringsinstallatie de windrichting te registreren. Handhavend optreden acht het college echter zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien.

2.4.3. Ter zitting is vast komen te staan dat het college zowel ten tijde van het nemen van het besluit van 1 juni 2010 als ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek heeft verricht naar de overtreding van voorschrift 10.1, ondanks dat het erkent dat onderzoek naar alle waarschijnlijkheid zou hebben geleid tot de vaststelling van de overtreding van dit voorschrift. Gelet hierop heeft het college in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaard. Dat [vergunninghoudster], zoals het college ter zitting heeft aangevoerd, na het nemen van het bestreden besluit alsnog een geuronderzoek heeft uitgevoerd en een nieuwe aanvraag om vergunning voor een andere ontgeuringsinstallatie heeft ingediend, doet daaraan niet af.

De beroepsgrond slaagt.

2.4.4. Voor het overige heeft [appellant] niets aangevoerd, dat aanleiding geeft tot het oordeel dat het college in redelijkheid niet van handhavend optreden wegens overtreding van de voorschriften 10.2 en 10.5 van de vergunning heeft kunnen afzien.

De beroepsgronden falen.

Slotoverwegingen

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover dit besluit betrekking heeft op de beslissing over het verzoek om handhavend optreden wegens overtreding van voorschrift 10.1. De Afdeling merkt daarbij op dat bij het nieuw te nemen besluit het college dient te beoordelen of aan de thans voor de inrichting geldende voorschriften met betrekking tot geur wordt voldaan.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Vergoeding vindt plaats van de door [appellant] gemaakte reiskosten. Voorts heeft [appellant] verzocht het college te veroordelen in de reiskosten van een ter zitting meegebrachte getuige. De kosten verbonden aan het meebrengen van een getuige komen slechts voor vergoeding in aanmerking, indien overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb, daarvan mededeling is gedaan. Reeds omdat deze mededeling niet is gedaan, dient een proceskostenveroordeling in zoverre achterwege te blijven.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel van 5 oktober 2010, kenmerk S-ajs/10002814, voor zover dit besluit betrekking heeft op de beslissing over het verzoek om handhavend optreden wegens overtreding van voorschrift 10.1;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 52,11 (zegge: tweeënvijftig euro en elf cent);

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012

262-693.