Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
201101677/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2008 heeft het college 75% van de aan [appellant] bij besluit van 12 november 1999 verleende en bij besluit van 20 maart 2002 vastgestelde subsidies voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan zeven particuliere huurwoningen ingetrokken en de teveel uitgekeerde subsidie teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101677/1/A2.

Datum uitspraak: 25 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Duitsland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2010 in zaak nr. 09/2743 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2008 heeft het college 75% van de aan [appellant] bij besluit van 12 november 1999 verleende en bij besluit van 20 maart 2002 vastgestelde subsidies voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan zeven particuliere huurwoningen ingetrokken en de teveel uitgekeerde subsidie teruggevorderd.

Bij besluit van 8 juni 2009, verzonden op 12 juni 2009, heeft het dagelijks bestuur van de Stadsregio Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het door [appellant] tegen het besluit van 20 november 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 november 2009 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 20 november 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 november 2009 heeft het dagelijks bestuur zijn besluit van 8 juni 2009 ingetrokken.

Bij uitspraak van 24 december 2010, verzonden op 27 december 2010, heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 november 2009 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A. Johannsen, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door J. Tel, makelaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door P.A.M. Limonard, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek op 29 september 2011 heropend en het college schriftelijke vragen gesteld.

Het college heeft op de vragen gereageerd bij brieven van 12 en 19 oktober 2011. Deze zijn toegezonden aan [appellant], die daarop zijn reactie heeft gegeven.

Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 121, eerste lid, van de Verordening woninggebonden subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995 (hierna: de ROA-verordening) zijn de raden van de deelnemende gemeenten bevoegd aanvullend subsidie te verlenen van gemeentewege.

Ingevolge punt VI, aanhef en onder f, van het Raamraadsbesluit nieuwbouw en verbetering 1999 heeft de raad van de gemeente Amsterdam, voor zover thans van belang, de basispremie voor ingrijpende particuliere woningverbetering vastgesteld op ƒ 24.500,00 (€ 11.117,62) voor de bijdrage-ineens.

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 1998 kan het college met inachtneming van deze verordening subsidie verlenen, indien en voor zover de voor de subsidie benodigde gelden op de gemeentebegroting zijn gereserveerd.

Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Ingevolge artikel 4:57, eerste lid, kan het bestuursorgaan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.

2.2. Bij besluit van 12 november 1999 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellant] subsidie verleend voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan de particuliere huurwoningen [locatie 1] en [locatie 2] (hierna: de woningen) in de vorm van een bijdrage-ineens uit het Stadsvernieuwingsfonds van ƒ 24.500,00 (€ 11.117,62) per woning, zijnde in totaal ƒ 171.500,00 (€ 77.823,31). In dit besluit is vermeld dat de subsidie geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken in het geval dat binnen tien jaar na het besluit tot verlenen van de subsidie de woningen onder bijzondere titel worden vervreemd. Hierbij is de verplichting opgenomen dat van een eventuele eigendomswisseling de Stedelijke Woningdienst Amsterdam onverwijld in kennis dient te worden gesteld. Bij besluit van 20 maart 2002 is deze subsidie vastgesteld overeenkomstig de verlening. In dit besluit is nogmaals gewezen op de meldingsplicht aan de Stedelijke Woningdienst Amsterdam.

Bij besluit van 20 november 2008 heeft het college de subsidievaststelling gedeeltelijk, voor 75%, ingetrokken en de subsidie nader vastgesteld op 25% van het eerder vastgestelde bedrag. Daarbij is het teveel betaalde teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] in strijd met de aan de subsidie verbonden verplichting de woningen op 12 november 2007 in eigendom heeft overgedragen en daarvan geen mededeling heeft gedaan aan de Dienst Wonen, voorheen de Stedelijke Woningdienst Amsterdam. Op het daartegen gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 8 juni 2009 beslist. Nadien heeft het college bij besluit van 4 november 2009 nader op het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2008 beslist en dit ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 20 november 2009 het besluit van 8 juni 2009 ingetrokken.

2.3. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oost het bevoegde orgaan is tot het nemen van onderhavige besluiten. Hij voert daartoe aan dat het besluit van 12 november 1999 in de plaats is getreden van eerdere besluiten van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oost, zodat het college niet bevoegdelijk op het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2008 heeft beslist.

2.3.1. Zoals het college heeft uiteengezet, was aan [appellant] aanvankelijk, in 1997 door het dagelijks bestuur van het voormalige Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer (thans: Stadsdeel Oost) subsidie verleend voor niet ingrijpende voorzieningen en is deze ingetrokken, nadat bleek dat hij in aanmerking kon komen voor de onderhavige subsidie voor ingrijpende voorzieningen, welke hij op 6 augustus 1999 heeft aangevraagd. Bij het besluit van 12 november 1999 heeft het college deze laatste subsidie verleend. Deze verlening was, anders dan [appellant] betoogt, niet een omzetting van een eerder verleende subsidie. Niet het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oost, maar het college was bevoegd tot intrekking en terugvordering van de subsidie voor ingrijpende voorzieningen. Derhalve was het college eveneens bevoegd op het bezwaar te beslissen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, nu aanvankelijk het dagelijks bestuur onbevoegdelijk op het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2008 had beslist en het college eerst nadat beroep was ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 8 juni 2009 alsnog op het bezwaar heeft beslist, de bezwaarprocedure ten onrechte heeft plaatsgevonden bij het dagelijks bestuur.

2.4.1. [appellant] is naar aanleiding van zijn bezwaarschrift gehoord door personen die daartoe mede namens het college bevoegd waren. Voorts is het daarvan opgemaakte verslag ten grondslag gelegd aan het besluit van 4 november 2009. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant] door voormelde gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden meldingsplicht, zodat ten onrechte 75% van het subsidiebedrag is teruggevorderd. Daartoe voert hij aan dat Y. Geers, werkzaam bij zijn beheerder, Nico Tel makelaars o.g. B.V., begin augustus 2007 telefonisch melding heeft gedaan van de voorgenomen verkoop bij het voormalige Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer en in verband daarmee heeft verzocht om informatie.

2.5.1. Zoals in 2.2 is overwogen, brengt de aan de subsidie verbonden verplichting mee dat van een eventuele eigendomsoverdracht binnen een termijn van tien jaar na het besluit tot verlenen van de subsidie melding moet worden gedaan bij de Dienst Wonen.

Vaststaat dat [appellant] de woningen op 12 november 2007 en derhalve binnen de termijn van tien jaar in eigendom heeft overgedragen. De meldingsplicht is een doelgebonden verplichting die een doelmatige en rechtmatige aanwending van de subsidiegelden beoogt te waarborgen. [appellant] had daarom de verplichting de eigendomsoverdracht te melden bij de Dienst Wonen. Uit een melding dient te blijken welke woningen waarvoor subsidie was verstrekt op welk moment in eigendom zijn, dan wel zullen worden overgedragen. De enkele mededeling van de makelaar van [appellant] aan een ambtenaar van het stadsdeel dat hij het voornemen heeft panden te verkopen, alsook het inwinnen van informatie met betrekking tot de hoogte van het terug te betalen subsidiebedrag ingeval van eigendomsoverdracht binnen tien jaren, kan niet als een zodanige melding worden aangemerkt. Voorts is niet gebleken dat, in weerwil van de in de besluiten tot verlening en vaststelling van de subsidie opgenomen verplichtingen, door of namens het college mededelingen zijn gedaan waaraan [appellant] het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hetgeen in het telefoongesprek door zijn makelaar naar voren is gebracht, volstond.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat het terugvorderen van 75% van de subsidie gericht is op leedtoevoeging en daarom aan te merken als een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De sanctie moet evenredigheid zijn met de gepleegde overtreding, wat in dit geval ertoe moet leiden dat deze beperkt blijft tot maximaal 20% van het verleende subsidiebedrag.

2.6.1. Anders dan [appellant] betoogt is het wijzigen van de subsidievaststelling en het terugvorderen van het teveel betaalde niet gericht op leedtoevoeging en is dit niet aan te merken als een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2007, 200700547/1; www.raadvanstate.nl) vindt de gehanteerde bevoegdheid zijn grond in de omstandigheid dat niet is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichting, dat de gesubsidieerde de gegevens verstrekt die nodig zijn voor een juiste toepassing van de regeling. Er bestaat dan ook geen grond te beoordelen of met de terugvordering het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende evenredigheidsbeginsel is geschonden. Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de algemene belangen die de meldingsplicht beoogt te beschermen zwaarder heeft mogen laten wegen dan zijn individuele belang bij afzien van de terugvordering van de subsidie en aldus heeft miskend dat de gedeeltelijke intrekking van de subsidievaststelling voor 75% disproportioneel is. Hij voert daartoe aan dat hij de woningen slechts kort vóór afloop van de termijn van tien jaar in eigendom heeft overgedragen en wijst er op dat de meldingsplicht is gesteld ter voorkoming van misbruik van subsidiegelden en ter behoud van huurwoningen met een maximaal redelijke huurprijs voor de Amsterdamse woningvoorraad. Deze doelstellingen zijn niet geschonden, aangezien ook na de eigendomsoverdracht de woningen nog steeds worden verhuurd, aldus [appellant].

2.7.1. Het betoog van [appellant] dat hij de woningen slechts kort vóór afloop van de termijn van tien jaar in eigendom heeft overgedragen en dat reeds daarom de gedeeltelijke intrekking van de subsidievaststelling voor 75% niet proportioneel is, faalt, nu dit betoog ervan uitgaat dat de subsidie al in december 1997 was verleend. Zoals in 2.3.1. is overwogen, is de subsidie niet in 1997, maar in 1999 verleend.

2.7.2. Nu het college de subsidie in 1999, gelet op het Raamraadsbesluit nieuwbouw en verbetering 1999, ten laste van de daarvoor gereserveerde post op de gemeentebegroting heeft verleend, heeft het college niet - namens het dagelijks bestuur - subsidie krachtens de ROA-verordening verstrekt, maar krachtens de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 1998. Gelet hierop heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het besluit van 4 november 2009 ten onrechte getoetst aan de ROA-verordening en de daarop gebaseerde nadere regels.

Het college heeft de subsidievaststelling ten nadele van [appellant] gewijzigd met toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, wegens het niet voldoen aan een aan de subsidie verbonden verplichting. Bij de toepassing van die bevoegdheid hanteert het college, in aansluiting op de ROA-verordening, de vaste gedragslijn dat 75% van de verstrekte subsidie wordt teruggevorderd indien aan de meldingsplicht niet is voldaan. Gelet op de met onderhavige subsidieverplichtingen nagestreefde doelstellingen, te weten het voorkomen van speculatie met verbeterde woningen en het behouden van die woningen voor de sociale huursector, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot deze gedragslijn heeft kunnen komen. Het heeft in de door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien hiervan ten gunste van hem af te wijken. In de besluiten tot subsidieverlening en -vaststelling is uitdrukkelijk gewezen op de meldingsplicht, zodat [appellant] genoegzaam op de hoogte is gesteld van deze verplichting. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze berust.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012

362-710.