Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
201102037/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Inpassingsplan Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2012/35
Milieurecht Totaal 2012/347
TBR 2012/89
JOM 2012/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102037/1/R4.

Datum uitspraak: 25 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellant sub 1]), wonend te Waddinxveen,

2. [appellant sub 2], wonend te Waddinxveen,

3. [appellant sub 3], wonend te Waddinxveen,

4. [appellant sub 4], wonend te Waddinxveen,

5. [appellant sub 5], wonend te Waddinxveen,

6. [appellante sub 6], gevestigd te Nijkerk,

7. [appellant sub 7], wonend te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

en

provinciale staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Inpassingsplan Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bij onderscheidenlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2011, [appellant sub 5], [appellante sub 6] en [appellant sub 7] bij onderscheidenlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 6] en [appellant sub 7] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door A.J. Oudijk, werkzaam bij Oudijk Makelaardij, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door A.J. Oudijk, voornoemd, [appellant sub 4], bijgestaan door A.J. Oudijk, voornoemd, [appellant sub 5], [appellante sub 6], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ing. J. van Dijk, werkzaam bij Cumula Advies, [appellant sub 7], bijgestaan door mr. E. Koornwinder, advocaat te 's-Gravenhage, en provinciale staten, vertegenwoordigd door ing. A. Verdoorn en drs. K.P. Spannenburg, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van de Moordrechtboog, een verbinding tussen de nieuwe op- en afritten van de rijksweg A20 en de parallelle structuur langs de A12 in combinatie met een halve aansluiting op de rijksweg A12, en in de aanleg van Het Boogpark, als groene verbinding tussen de Vredenburghzone in Waddinxveen en de Groenblauwe zone langs de nieuwe woonwijk Westergouwe.

Crisis en herstelwet

2.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 2, onder 2.1., van bijlage I van de Chw, voor zover hier van belang, wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Nu het bestreden besluit de vaststelling van een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wro behelst, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

Formele bezwaren

2.3. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat zij ten onrechte niet zijn gehoord voordat het plan werd vastgesteld.

2.3.1. Provinciale staten stellen dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Wro niet verplichten tot het horen van de indieners van een zienswijze. Provinciale staten wijzen erop dat artikel 24 van het Reglement van orde voor vergaderingen van Provinciale Staten voor Zuid-Holland derden de mogelijkheid biedt om indien gewenst in te spreken over een onderwerp dat op de agenda van provinciale staten staat.

2.3.2. Er bestaat in de Awb, noch in de Wro een verplichting op grond waarvan provinciale staten, voordat zij beslissen omtrent de vaststelling van een inpassingsplan, de indieners van zienswijzen tegen het ontwerp van dat plan dienen te horen. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die uit het oogpunt van zorgvuldigheid tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen.

Algemene bezwaren

2.4. Ten aanzien van de betogen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dat in het plan een verplichting tot verwerving van de voor het plan benodigde gronden had moeten worden opgenomen en dat voor het toekennen van bestemmingen aan de benodigde gronden vereist is dat de gronden in eigendom zijn van het bevoegd gezag, overweegt de Afdeling dat daartoe geen wettelijke plicht bestaat. Voor zover het bestaande gebruik niet als zodanig is bestemd in het plan, maar in het belang van een goede ruimtelijke ordening een andere bestemming aangewezen is geacht, dient aannemelijk te zijn dat die bestemming binnen de planperiode van in beginsel tien jaar wordt gerealiseerd. In de plantoelichting staat dat een actief grondbeleid wordt voorgestaan waarbij de gronden op minnelijke basis dan wel door middel van onteigening zullen worden verworven. Gelet hierop ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor twijfel aan de uitvoerbaarheid van het plan. De betogen falen.

2.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] dat de Ruimte-voor Ruimte-regeling ten onrechte niet is toegepast, overweegt de Afdeling als volgt. De regeling heeft tot doel de kwaliteit van het landschap in Zuid-Holland te vergroten. Daartoe stimuleert de regeling afbraak van voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen en kassen met in ruil daarvoor de bouw van woningen met een kleinere bouwmassa. Het wegbestemmen van het tuinland van [appellant sub 4] en de agrarische bedrijfsgebouwen van [appellant sub 5] dient niet ter verwezenlijking van dat doel maar ter verwezenlijking van het onderhavige plan. Gelet daarop hebben provinciale staten geen aanleiding hoeven zien toepassing te geven aan dit beleid. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3] voor het overige

2.6. [appellant sub 3] betoogt dat hij als gevolg van het plan onevenredig in zijn belangen wordt geschaad, nu aan een groot deel van zijn perceel de bestemmingen "Verkeer" en "Groen- uit te werken" zijn toegekend, waardoor het niet mogelijk is om ter plaatse te blijven wonen en zijn bedrijf uit te oefenen. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat onduidelijk is of de aspecten geluid, luchtkwaliteit en leefomgeving zorgvuldig zijn onderzocht en of er dusdanige maatregelen zijn getroffen dat wonen ter plaatse mogelijk blijft.

2.6.1. Provinciale staten wijzen op de maatschappelijke en verkeerskundige noodzaak van de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark. Het perceel van [appellant sub 3] is nodig voor de verwezenlijking van het plan, waardoor het voor [appellant sub 3] niet mogelijk is ter plaatse te blijven wonen en zijn bedrijf uit te oefenen. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat zal worden overgegaan tot verwerving van het gehele perceel van [appellant sub 3] op minnelijke basis, dan wel op basis van de onteigeningswet. Hierbij wordt volgens provinciale staten rekening gehouden met het feit dat [appellant sub 3] zijn bedrijfsvoering niet kan voortzetten. Provinciale staten stellen verder dat in het Milieueffectrapport Moordrechtboog (hierna: het MER) alle milieuaspecten zijn onderzocht.

2.6.2. In het MER staat dat de aanleg van de Moordrechtboog van belang is voor de ontwikkeling van de Zuidplaspolder, welk gebied door het Rijk is aangewezen als stedelijke uitbreidingszone van de Zuidvleugel van de Randstad. In de Zuidplaspolder worden woningbouw, glastuinbouw, natuur, recreatie en waterberging gerealiseerd. Om deze plannen te realiseren is het van belang dat de infrastructurele voorzieningen in het gebied worden aangepast. De Moordrechtboog vormt een onderdeel van een groter geheel aan nieuwe infrastructuur, welke benoemd is als parallelstructuur A12. De parallelstructuur heeft tot doel de problemen op te lossen op het hoofdwegennet en de gebiedsontwikkelingen in de Zuidplaspolder te ontsluiten. Het Boogpark is een belangrijk ruimtelijk structurerend element en vormt de "groene long" van de Gouweknoop.

2.6.3. De Afdeling stelt voorop dat bestaand legaal gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

2.6.4. Gelet op hetgeen onder 2.6.2. is uiteengezet, hebben provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gemoeid met de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark dan aan het belang van [appellant sub 3] om op zijn perceel te kunnen blijven wonen en zijn bedrijf uit te oefenen. Hierbij betrekt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben toegezegd dat het gehele perceel van

[appellant sub 3] wordt aangekocht. Gelet daarop en op hetgeen onder 2.4. is overwogen, acht de Afdeling voorts aannemelijk dat het plan binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

Nu het plan niet voorziet in de mogelijkheid dat [appellant sub 3] ter plaatse blijft wonen, kan het betoog dat onduidelijk is of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden verzekerd, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6.5. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige

2.7. [appellant sub 1] betoogt dat hij door het plan in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt en dat ten gevolge van het plan zijn woongenot ernstig wordt aangetast. In dit verband voert hij aan dat het plan leidt tot inkomens- en vermogensschade nu een gedeelte van zijn perceel nodig is voor de verwezenlijking van het plan en op zijn perceel een zijweg is voorzien die wellicht over of direct langs zijn woonhuis loopt. Volgens [appellant sub 1] leidt het grondverlies tot aantasting van de economische levensvatbaarheid van zijn bedrijf.

2.7.1. Provinciale staten stellen dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] niet onevenredig wordt beperkt ten gevolge van het plan, nu slechts een klein deel van het perceel nodig is voor de verwezenlijking van het plan en op dat deel van het perceel geen opstallen aanwezig zijn. Indien nodig zullen de gronden die benodigd zijn voor de realisatie van het plan, worden onteigend. Het plan voorziet niet in de zijweg waarop [appellant sub 1] doelt. De precieze ligging van deze zijweg is nog niet bekend.

2.7.2. Ter zitting is vast komen te staan dat de oppervlakte van het perceel van [appellant sub 1], kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4730, ongeveer 5 hectare bedraagt. Het gedeelte aan de zuidzijde van het perceel waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend, bedraagt 10 are en 20 centiare. Gelet op het relatief kleine deel van het perceel dat benodigd is voor het plan en nu op dit gedeelte geen opstallen zijn gevestigd, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onevenredig nadelig effect zal hebben op de bedrijfsvoering van [appellant sub 1].

De Afdeling stelt verder vast dat de woning van [appellant sub 1] op aanzienlijke afstand van het plangebied ligt. Ter zitting is voorts door [appellant sub 1] erkend dat hij ten gevolge van het plan nauwelijks extra hinder zal ervaren, gelet op de ligging van zijn woning ten opzichte van bestaande infrastructuur. Gelet daarop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woongenot van [appellant sub 1] niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van het plan en bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan een zodanig nadelige invloed op de waarde van de woning van [appellant sub 1] zal hebben, dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan zijn gemoeid. De Afdeling overweegt ten slotte dat de zijweg waarop [appellant sub 1] doelt, thans niet ter beoordeling staat nu het plan daarin niet voorziet.

2.7.3. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] voor het overige

2.8. [appellant sub 4] betoogt dat hij als gevolg van het plan in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Hij voert hiertoe aan dat aan de gronden die hij in gebruik heeft als tuinland, de bestemmingen "Verkeer" en "Groen uit te werken" zijn toegekend waardoor hij zijn sierteeltbedrijf niet kan voortzetten. [appellant sub 4] kan zich voorts niet verenigen met de woon- en tuinbestemming die is toegekend aan het deel van zijn gronden dat niet nodig is voor de verwezenlijking van het plan, voor zover daarbij niet is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt dat ter plaatse agrarisch aanverwante functies kunnen worden uitgeoefend en in een mogelijkheid om het bouwvlak te verplaatsen. Voorts betoogt [appellant sub 4] dat de in het plan opgenomen saneringsregeling onredelijk is en tot kapitaalsvernietiging leidt.

Daarnaast betoogt hij dat zijn woongenot ernstig wordt aangetast door het plan. Hij voert hiertoe aan dat onduidelijk is of de aspecten geluid, luchtkwaliteit en leefomgeving zorgvuldig zijn onderzocht en of er dusdanige maatregelen zijn getroffen dat wonen ter plaatse daadwerkelijk mogelijk blijft.

2.8.1. Provinciale staten hebben in de zienswijze van [appellant sub 4], dat voortzetting van het sierteeltbedrijf niet langer mogelijk is nu het tuinland is wegbestemd, aanleiding gezien bij de vaststelling van het plan de bestemming van het agrarisch bouwperceel te wijzigen in de bestemmingen "Wonen" en "Tuin". Aan de overige gronden van [appellant sub 4] zijn de bestemmingen "Verkeer" en "Groen- Uit te werken" toegekend. Deze gronden zullen worden verworven ten behoeve van de realisatie van de Moordrechtboog en het Boogpark. De saneringsregeling waarnaar [appellant sub 4] verwijst, ziet op de bestemming "Agrarisch" en niet op de bestemming "Wonen" die aan de gronden van [appellant sub 4] is toegekend en waarbinnen de bedrijfsgebouwen vallen. Provinciale staten hebben het niet wenselijk geacht ter plaatse door middel van een wijzigingsbevoegdheid agrarisch aanverwant gebruik toe te staan. Verder zijn in het MER alle milieuaspecten onderzocht.

2.8.2. Zoals hiervoor onder 2.6.3. is overwogen, kunnen provinciale staten op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen besluiten dat bestaand legaal gebruik dient te wijken voor een nieuwe ontwikkeling.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.6.2. is uiteengezet, hebben provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang dat met de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark is gemoeid, dan aan het belang van [appellant sub 4] om op zijn perceel zijn sierteeltbedrijf te kunnen blijven uitoefenen. Hierbij betrekt de Afdeling dat provinciale staten hebben aangegeven dat bij de verwerving van de benodigde gronden rekening zal worden gehouden met het feit dat [appellant sub 4] zijn bedrijfsvoering niet kan voortzetten.

Provinciale staten hebben voorts in redelijkheid kunnen besluiten aan de gronden op het perceel van [appellant sub 4] die niet nodig zijn voor de verwezenlijking van de Moordrechtboog en het Boogpark, een woon- en tuinbestemming toe te kennen. Gesteld noch gebleken is dat [appellant sub 4] concrete plannen voor het oprichten van een agrarisch aanverwant bedrijf bij provinciale staten bekend heeft gemaakt waar zij bij de vaststelling van het plan rekening mee dienden te houden. Daarnaast bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid overeenkomstig de feitelijke situatie het bouwvlak hebben kunnen situeren om de bestaande woning van [appellant sub 4]. Ten behoeve van het MER hebben provinciale staten een akoestisch onderzoek en een luchtkwaliteitsonderzoek laten uitvoeren. Uit deze onderzoeken volgt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] als gevolg van het plan de geldende normen voor geluid en luchtkwaliteit niet worden overschreden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4] onvoldoende zijn onderzocht en hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4] niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van het plan.

Het betoog dat de in artikel 3.7.1., onder b, aanhef en derde lid, van de planregels opgenomen saneringsregeling onredelijk is en tot kapitaalsvernietiging leidt, mist feitelijke grondslag nu deze regeling niet van toepassing is op het perceel van [appellant sub 4].

2.8.3. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5] voor het overige

2.9. [appellant sub 5] betoogt dat, nu zijn woning aan de [locatie 1] is wegbestemd, het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid op het perceel tussen de [locatie 2] en [locatie 3] een nieuwe woning te realiseren.

2.9.1. Blijkens de verbeelding liggen over het perceel tussen de [locatie 2] en [locatie 3] de Veiligheidszones leiding 1 en leiding 2 en de Veiligheidszones vervoer gevaarlijke stoffen 1 en 2. Provinciale staten hebben erop gewezen dat volgens de bij deze aanduidingen behorende planregels binnen deze zones geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Uit artikel 1.53 van de planregels volgt, voor zover hier van belang, dat onder een kwetsbaar object wordt begrepen één of meerdere woningen in een gebied dat de bestemming wonen heeft. Gelet daarop hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen besluiten geen woonbestemming toe te kennen aan het perceel gelegen tussen de [locatie 2] en [locatie 3] ten behoeve van het realiseren van een nieuwe woning.

2.10. [appellant sub 5] betoogt verder dat de aanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied 3" had moeten worden beperkt tot die gronden waar de aansluiting op het bedrijventerrein Distripark Doelwijk is voorzien en dat aan de resterende gronden tussen de Moordrechtboog en het bedrijventerrein Distripark Doelwijk een bedrijfsbestemming had moeten worden toegekend

2.10.1. In de reactie op de zienswijze en ter zitting hebben provinciale staten gemotiveerd uiteengezet dat de exacte ligging van de aansluiting van de Moordrechtboog op het bedrijventerrein Distripark Doelwijk niet duidelijk is. Provinciale staten hebben er in redelijkheid voor kunnen kiezen niet vooruit te lopen op de besluitvorming omtrent de aansluiting van het Distripark. De Afdeling acht het gebied waaraan de aanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied 3" is toegekend bovendien niet onredelijk groot. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de aanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied 3" zoals in het plan neergelegd niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

2.11. [appellant sub 5] kan zich voorts niet verenigen met de planregeling voor zijn perceel [locatie 2]. Hij voert hiertoe aan dat niet is voorzien in de mogelijkheid wonen te combineren met agrarisch aanverwante functies. Voorts voorziet het plan slechts in één woning, terwijl op het perceel van oudsher twee afzonderlijke wooneenheden aanwezig zijn. Het plan voorziet dan ook ten onrechte niet in de mogelijkheid om bij sloop van de voormalige boerderij twee vrijstaande woningen te bouwen op dit perceel.

2.11.1. Provinciale staten stellen dat overeenkomstig de feitelijke situatie aan het perceel [locatie 2] een woonbestemming ten behoeve van één woning is toegekend. Volgens de gemeentelijke basisadministratie staat de woning thans leeg. Verder is het niet wenselijk geacht om de bestemming "Wonen" te kunnen wijzigen om agrarisch aanverwant medegebruik toe te staan en is niet gebleken van concrete plannen van [appellant sub 5] voor het oprichten van een agrarisch aanverwant bedrijf.

Provinciale staten wijzen erop dat aan huis gebonden beroepen zijn toegestaan binnen de bestemming "Wonen".

2.11.2. Gelet op de beoogde aanleg van de Moordrechtboog hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet wenselijk is dat ter plaatse agrarisch aanverwante functies worden uitgeoefend. Voorts is gesteld noch gebleken dat [appellant sub 5] concrete plannen voor het uitoefenen van agrarisch aanverwante functies bij provinciale staten bekend heeft gemaakt waarmee bij de vaststelling van het plan rekening diende te worden gehouden. Ter zitting hebben provinciale staten onweersproken gesteld dat in de akte van levering van het perceel aan [appellant sub 5] staat dat het verkochte bestaat uit een boerderij met bijgebouwen. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel twee afzonderlijke wooneenheden aanwezig zijn, dan wel dat de woning consequent bewoond is geweest door twee huishoudens. Gelet hierop hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen besluiten om aan het perceel voor een woning een bouwvlak toe te kennen voor maximaal één woning.

2.11.3. Ter zitting hebben provinciale staten gesteld dat de aanduiding "bouwvlak" abusievelijk niet aan de bestaande woning op het perceel [locatie 2] is toegekend. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" ten behoeve van het perceel [locatie 2], in zoverre niet in overeenstemming is met de bedoeling van provinciale staten en mitsdien niet met de bij het voorbereiden van een besluit te brachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om zelf voorziend de situering van het bouwvlak aan te passen zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1.

Het beroep van [appellante sub 6]

2.12. [appellante sub 6] betoogt dat de woning op het perceel [locatie 4] ten onrechte als bedrijfswoning is bestemd, nu de huurders van deze woning geen enkele binding hebben met zijn bedrijf. Bovendien is het bestemmen als bedrijfswoning in strijd met artikel 2, derde lid, onder d, van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening).

2.12.1. Provinciale staten stellen dat vanwege het gebruik van de percelen [locatie 4] en [locatie 5] ten behoeve van het agrarisch loonbedrijf, aan het perceel [locatie 4] geen woonbestemming is toegekend.

2.12.2. Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder d, van de Verordening, voor zover hier van belang, dienen in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande stedelijke functies in het gebied buiten de bebouwingscontouren (aangegeven op kaart 1) bepalingen te bevatten die voorzien in of in overeenstemming zijn met de regel dat nieuwe bedrijfswoningen bij niet-agrarische bedrijven, agrarisch aanverwante bedrijven en niet-volwaardige agrarische bedrijven worden uitgesloten.

2.12.3. Het perceel [locatie 4] had in het vorige plan een agrarische bestemming. Met het aanmerken van de woning als bedrijfswoning wordt in zoverre de regeling in het vorige plan gecontinueerd. Aannemelijk is dat het toekennen van een woonbestemming aan de woning nadelige gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 6] op het perceel en het naastgelegen perceel [locatie 5]. Gelet daarop hebben provinciale staten er in redelijkheid voor kunnen kiezen geen woonbestemming aan de woning toe te kennen. Nu niet wordt voorzien in een nieuwe bedrijfswoning bij een niet-agrarisch bedrijf, agrarisch aanverwant bedrijf of een niet-volwaardig agrarisch bedrijf, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 2, derde lid, onder d, van de Verordening.

2.13. [appellante sub 6] betoogt verder dat ten onrechte geen bouwvlak is opgenomen op het perceel, sectie C, nr. 5030. Hij wenst een bouwvlak op dit perceel, zodat daar een geluidsscherm kan worden opgericht waardoor kan worden afgeweken van de in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aanbevolen afstand tot gevoelige objecten.

2.13.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat een bouwvlak op perceel, sectie C, nr. 5030 niet gewenst is, gelet op de naastgelegen woning op het perceel [locatie 6]. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit artikel 3.2, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat bouwwerken buiten een bouwvlak mogen worden opgericht. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 6] in zoverre onevenredig in zijn belangen wordt geschaad door het plan.

2.14. [appellante sub 6] betoogt voorts dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt en nauwelijks meer kan uitbreiden, nu in artikel 3.2, onder c, van de planregels is neergelegd dat ten hoogste 50% van het bouwvlak op het perceel [locatie 5] mag worden bebouwd. Voorts betoogt hij dat artikel 3.2, onder c, van de planregels ten onrechte verwijst naar het onder sub c bedoelde bouwvlak, nu het onder sub a bedoelde bouwvlak wordt bedoeld.

2.14.1. Provinciale staten stellen dat de bouwvlakken die aan de percelen [locatie 4] en [locatie 5] zijn toegekend, enige uitbreidingsruimte bieden. Bovendien biedt artikel 14.1, onder c, van de planregels de mogelijkheid een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van een afwijking van de voorgeschreven oppervlakte van de bebouwing, mits de afwijking niet meer bedraagt dan tien procent van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages.

2.14.2. [appellante sub 6] heeft niet gemotiveerd bestreden dat het plan voorziet in enige uitbreidingsruimte voor zijn percelen [locatie 4] en [locatie 5]. Voorts is gesteld noch gebleken dat [appellante sub 6] concrete uitbreidingsplannen bij provinciale staten bekend heeft gemaakt waar provinciale staten bij de vaststelling van de planregeling voor het perceel rekening mee dienden te houden. De Afdeling overweegt voorts dat de verwijzing in artikel 3.2, onder c, van de planregels naar het onder sub c bedoelde bouwvlak een kennelijke verschrijving betreft die niet tot rechtsonzekerheid leidt, nu evident is dat bedoeld is naar het onder sub a bedoelde bouwvlak te verwijzen.

2.15. [appellante sub 6] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid de strategische werkvoorraad aan grond buiten op te slaan.

2.15.1. Mede gelet op de naastgelegen woning op het perceel [locatie 6] hebben provinciale staten het toestaan van buitenopslag van grond, vanwege de ruimtelijke uitstraling die daarvan uitgaat, niet wenselijk geacht. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Nu [appellante sub 6] heeft aangevoerd dat zijn belang slechts gelegen is in het kunnen opslaan van de strategische werkvoorraad en provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat opslag binnen de bebouwing is toegestaan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 6] in zoverre onevenredig in zijn belang wordt geschaad door het plan. Het betoog faalt.

2.16. [appellante sub 6] betoogt dat aan zijn percelen [locatie 4] en [locatie 5] ten onrechte de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" zijn toegekend, nu uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP 2008) volgt dat een loonbedrijf valt onder de hoofdbestemming "Bedrijven". Daarnaast is de bestemming "Bedrijven" niet in strijd is met artikel 2 van de Verordening, nu sprake is van een bestaande situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Verordening.

2.16.1. Provinciale staten stellen dat het loonbedrijf onder meer diensten verleent aan agrarische bedrijven en onderhoud verricht aan landbouwwerktuigen. Vanwege deze relatie met de agrarische sector is het loonbedrijf aangemerkt als een agrarisch aanverwant bedrijf. Het toekennen van de bestemming "Bedrijven" op deze locatie is in strijd met artikel 2 van de Verordening.

2.16.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontour (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Verordening, voor zover van belang, worden onder bestaande functies begrepen functies die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig zijn, of waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Verordening vrijstelling of bouwvergunning is verleend danwel een aanvraag om vrijstelling of bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend, of die in overeenstemming met deze verordening tot stand zijn gekomen, of waarvoor ontheffing van deze Verordening is verleend of wordt geacht te zijn verleend. In alle andere gevallen is sprake van nieuwe functies. Onder nieuwe functies wordt ook begrepen uitbreiding van bestaande functies, tenzij anders is bepaald of de bepaling zich daartegen verzet.

2.16.3. Het perceel [locatie 4] heeft in het vorige plan een agrarische bestemming. Ter plaatse werd en wordt een loonbedrijf uitgeoefend. Gelet daarop is geen sprake van een uit planologisch oogpunt legaal bedrijf en derhalve niet van een bestaande functie als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Verordening. Onder stedelijke functies worden volgens artikel 1 van de Verordening onder meer begrepen bedrijfsfuncties.

Het toekennen van de bestemming "Bedrijven" aan dit perceel zou betekenen het toekennen van een bestemming die nieuwvestiging van stedelijke functies buiten de bebouwing mogelijk zou maken. Artikel 2 van de Verordening sluit het toekennen van deze bestemming uit. Gelet hierop en op de aard van de uitgeoefende bedrijvigheid hebben provinciale staten aan dit perceel in redelijkheid de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" kunnen toekennen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

De Afdeling volgt provinciale staten evenwel niet in hun stelling dat het toekennen van de bestemming "Bedrijven" aan het perceel [locatie 5] in strijd is met artikel 2, eerste lid, van de Verordening, nu onder het vorige plan vrijstelling is verleend voor de uitoefening van het agrarisch loonbedrijf op dat perceel. Gelet hierop is sprake van een uit planologisch oogpunt legaal bedrijf en van een bestaande functie als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Verordening.

De Afdeling stelt verder vast dat ingevolge paragraaf 2.2. van de SVBP 2008 de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" onder de bestemming "Bedrijven" dient te worden geplaatst. Uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (hierna: de Regeling), in samenhang met artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), volgt dat provinciale staten een inpassingsplan dienen vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP 2008, die als bijlage II deel uitmaakt van de Regeling. Nu in het plan de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" is geplaatst onder de bestemming "Agrarisch" dient te worden geoordeeld dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" voor zover dat betrekking heeft op perceel [locatie 5] in strijd met artikel 2, eerste lid van de Regeling in samenhang met artikel 1.2.6. van het Bro, is vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.17. [appellant sub 2] vreest dat ten gevolge van het plan de toegankelijkheid van zijn perceel, waar hij een transportbedrijf exploiteert, in gevaar komt nu niet is gewaarborgd dat de hoogte van de tunnel in de Zuidelijke Dwarsweg -onder de nieuwe Moordrechtboog- ten minste 4,2 meter bedraagt. Hierbij dient volgens [appellant sub 2] in aanmerking te worden genomen dat hij geen gebruik kan maken van de ontsluiting aan de westzijde van de Middelweg wanneer er sprake is van ijzel en gladde wegen. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij vanaf zijn perceel de Zuidelijke Dwarsweg op kan rijden, nu deze weg aan de andere kant van de thans aanwezige sloot komt te liggen. Volgens [appellant sub 2] heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, nu onvoldoende inzicht is verschaft in de gevolgen van het plan voor zijn transportbedrijf.

2.17.1. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat de verbinding parallel aan de Zuidelijke Dwarsweg en onder de Moordrechtboog is opgenomen in het door de raad van de gemeente Zuidplas op 2 november 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Gouweknoop". Dit plan maakt een doorrijhoogte van 4,2 meter mogelijk. Bovendien is in de vergadering van de stuurgroep parallelstructuur A12 van 5 november 2010 beslist een doorrijhoogte in de tunnel in de Zuidelijke Dwarsweg- onder de nieuwe Moordrechtboog- van 4,2 meter toe te passen, nu uit nader onderzoek is gebleken, voor zover thans van belang, dat er geen verschil hoeft te zijn in uitvoeringskosten tussen een tunnel van 3,5 meter en een tunnel van 4,5 meter hoogte. Voorts hebben provinciale staten verklaard dat de ontsluiting van het perceel van [appellant sub 2] is verzekerd. In reactie hierop heeft [appellant sub 2] ter zitting aangegeven dat de toegankelijkheid van zijn perceel hiermee gewaarborgd is. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van [appellant sub 2].

2.17.2. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.18. Eerst ter zitting heeft [appellant sub 7] aangevoerd dat de bedrijfswoning is wegbestemd.

2.18.1. Geen rechtsregel verbiedt dat na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn alsnog nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

Hetgeen [appellant sub 7] ten aanzien van de bedrijfswoning heeft aangevoerd, is van gehele andere aard dan hetgeen hij heeft aangevoerd in de zienswijze tegen het ontwerp van het plan en het beroepschrift. Gelet hierop hebben provinciale staten niet de mogelijkheid gehad adequaat op dit betoog te reageren. Voorts is niet gebleken dat [appellant sub 7] deze beroepsgrond niet in een eerder stadium naar voren heeft kunnen brengen. Gelet daarop verzet de goede procesorde zich ertegen dat dit betoog bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

2.18.2. [appellant sub 7] betoogt dat het plan zal leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit en tot geluidoverlast voor de dieren in zijn dierenpension en zijn personeel, nu de Moordrechtboog direct naast het dierenpension is voorzien. Hij acht dit onaanvaardbaar en in strijd met artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en het Honden- en Kattenbesluit 1999. Daarnaast gaat het specifieke karakter van het dierenpension als hoogwaardige en rustgevende verblijfplaats voor dieren verloren waardoor hij inkomensschade leidt.

2.18.3. Provinciale staten stellen dat, gelet op de verkeerskundige en maatschappelijke noodzaak van de Moordrechtboog en de omstandigheid dat de gekozen variant de optimale is gebleken, is gekozen voor de vaststelling van het plan in de huidige vorm. [appellant sub 7] kan zijn bedrijfsvoering voortzetten. Het dierenpension blijft bereikbaar via de oostzijde door middel van de nieuwe verbinding die wordt gerealiseerd onder de Moordrechtboog door en via de westzijde door de ontsluiting naar de Bredeweg. De ontsluiting van het perceel kan aan de westzijde worden gerealiseerd en de huidige parkeerplaatsen kunnen worden gehandhaafd. Het laten vertoeven van honden en katten in een buitenverblijf wordt niet onmogelijk gemaakt door het plan, zodat geen sprake is van strijd met het Honden- en Kattenbesluit 1999. Er is evenmin sprake van strijd met artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren, waarin is bepaald dat het zonder redelijk doel verboden is om bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

2.18.4. Zoals hiervoor in 2.8.2. is overwogen, volgt uit het luchtkwaliteitsonderzoek dat ten gevolge van het plan de luchtkwaliteitsnormen niet zullen worden overschreden. Een dierenpension is geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder, zodat hieraan niet dezelfde bescherming toekomst als aan een woning of een andere geluidgevoelige bestemming. In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting ter plaatse van het dierenpension niet berekend. Gelet op de berekende geluidsbelasting ter plaatse van de omliggende percelen is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat als gevolg van het plan ter plaatse van het dierenpension sprake zal zijn van een onaanvaardbaar verblijfsklimaat. Van strijd met artikel 36 van de Gezondheid- en Welzijnswet voor dieren is derhalve geen sprake. Nu voorts niet in geschil is dat op het perceel ruimte voor speelweiden en/of buitenverblijven blijft bestaan, is het plan niet in strijd met het Honden- en Kattenbesluit 1999. Ten slotte hebben provinciale staten zich, gelet op de reeds aanwezige infrastructuur in de nabijheid van het dierenpension, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het karakter van het dierenpension door het plan niet zodanig wordt aangetast dat hieraan in de belangenafweging doorslaggevende betekenis moest worden toegekend.

2.18.5. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.19. Provinciale staten dienen ten aanzien van [appellante sub 6] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 5] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 7] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en van [appellante sub 6] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 10 november 2010, kenmerk 6266, voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" die rust op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 2] te Waddinxveen en voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "agrarisch loonbedrijf", voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 5] te Waddinxveen;

III. bepaalt dat de situering van het bouwvlak, voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 2] te Waddinxveen, wordt aangepast zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het besluit van provinciale staten van 10 november 2010, kenmerk 6266, voor zover het betreft het onder III genoemde plandeel.

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en van [appellante sub 6] voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 7] geheel ongegrond;

VI. veroordeelt provinciale staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat provinciale staten van Zuid-Holland aan:

a) [appellant sub 5] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt;

b) [appellante sub 6] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012

472-678.

<HR>

Kaart 1