Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
201012488/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Kern Raamsdonk, woning Stationstraat" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012488/1/R3.

Datum uitspraak: 18 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Raamsdonk, gemeente Geertruidenberg,

en

de raad van de gemeente Geertruidenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Kern Raamsdonk, woning Stationstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] , en de raad, vertegenwoordigd door M.H.C. Elsevier-van Olst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt op het perceel tussen de [locaties] te Raamsdonk een woning mogelijk gemaakt. Thans is een bakkerij op [locatie a] aanwezig met op het naastgelegen perceel een opslagruimte. Het is de bedoeling deze opslag te verwijderen en te vervangen door een woning.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. Anders dan door de raad ter zitting is gesteld, is [appellant] belanghebbende bij het bestreden besluit, nu hij in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied op het perceel [locatie b] woont en aldaar een broodfabriek exploiteert. Zijn beroep is derhalve ontvankelijk.

2.3. [appellant] voert aan dat de anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer is gesloten, niet via elektronische weg beschikbaar is gesteld.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder a, Wro wordt het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar gesteld.

2.3.2. Via de website www.geertruidenberg.nl heeft het ontwerpplan met onder andere een advies van het waterschap en een akoestisch rapport ter inzage gelegen. Vast staat dat de anterieure overeenkomst niet via elektronische weg beschikbaar is gesteld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 december 2009, zaak nr. 200901438/1/R3 moet genoemde bepaling aldus worden uitgelegd dat deze in ieder geval de verplichting inhoudt om het ontwerpbestemmingsplan, dat wil zeggen de verbeelding en de planregels, en de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan via elektronische weg beschikbaar te stellen. Deze verplichting strekt zich eveneens uit tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de planregels, zoals een Staat van Bedrijfsactiviteiten, en tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de plantoelichting en die daarvan deel uitmaken. Nu de anterieure overeenkomst niet tot die stukken behoort, bestond geen plicht deze via elektronische weg beschikbaar te stellen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de zakelijke weergave van de anterieure overeenkomst onduidelijk is omtrent de genoemde namen en dat een onjuiste kadastrale aanduiding van bedoeld perceel is gegeven. Verder voert [appellant] aan dat artikel 5 van de planregels, zoals dat ter inzage heeft gelegen, niet is ondertekend en van een datum voorzien.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de anterieure overeenkomst als zodanig geen juridisch bindend deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Verder is niet aannemelijk dat de stukken waar [appellant] op wijst dusdanige onjuistheden en onvolkomenheden bevatten dat daardoor een geheel vertekend beeld van de situatie ter plaatse ontstaat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voldoende duidelijk is om welk perceel het gaat, aangezien ook het adres waaronder het plaatselijk bekend is, wordt genoemd.

Over de ondertekening van de planregels wordt overwogen dat de planregels samen met de plantoelichting door BRO zijn opgesteld en gebundeld. Op de eerste pagina van deze bundel staat een stempel met handtekening, waaruit volgt dat het stuk bij het raadsbesluit van 28 oktober 2010 hoort. Hiermee zijn de planregels gewaarmerkt. Het betoog faalt.

2.5. [appellant], die op het perceel [locatie b] woont en een broodfabriek exploiteert, betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Hij voert daartoe aan dat de raad de omgeving van het plangebied ten onrechte heeft aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Volgens [appellant] is hooguit sprake van een gebied met functiemenging. [appellant] vreest in verband met het omgevingstype gemengd gebied voor precedentwerking, omdat de geplande ontwikkelingen op het aan zijn perceel grenzende perceel [locatie c] dan volgens hem doorgang kunnen vinden en hij daardoor in zijn bedrijfsactiviteiten zal worden beperkt.

2.5.1. In de VNG-brochure worden richtafstanden gegeven ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken, waarbij het gebiedstype mede bepalend is. Bij deze richtafstanden wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding. De VNG-brochure kan worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe situaties. Als uitgangspunt geldt dat de aangegeven indicatieve afstanden gemotiveerd kunnen worden toegepast. Onder gemengd gebied wordt in de VNG-brochure verstaan: "gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven (…). Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied."

2.5.2. Het plangebied ligt in de dorpskern van Raamsdonk. Aan de Stationstraat wordt wonen afgewisseld met andere functies zoals horeca, ambachtelijke bedrijvigheid en detailhandel. Gelet op deze kenmerken heeft de raad in redelijkheid het gebied als een gemengd gebied kunnen aanmerken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat in de omgeving van het plangebied wordt uitgegaan van een zekere functiescheiding teneinde met toepassing van de richtafstanden uit de VNG-brochure een bepaalde afstand tussen woningen en bedrijvigheid te kunnen garanderen. Onder deze omstandigheden heeft de raad, gelet op het uitgangspunt van de VNG-brochure, in redelijkheid de VNG-brochure op deze wijze kunnen toepassen en was hij niet gehouden om, zoals [appellant] stelt, de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging uit bijlage 4 toe te passen. Het betoog faalt.

Over de gevreesde precedentwerking wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daar geen sprake van kan zijn, aangezien bij elke nieuwe ontwikkeling een nieuwe planologische afweging gemaakt dient te worden waartegen rechtsmiddelen openstaan. Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2012

350-661.