Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
201106039/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college aan [appellant sub 1] een reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van een varkensstal tot herberg, een ruimte voor productiegebonden detailhandel, een paardenstal en een berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106039/1/H1.

Datum uitspraak: 18 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 april 2011 in zaak nr. 10/5076 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college aan [appellant sub 1] een reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van een varkensstal tot herberg, een ruimte voor productiegebonden detailhandel, een paardenstal en een berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het college het door [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2010 herroepen en alsnog geweigerd de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 27 april 2011, verzonden op 2 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2011, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 12 augustus 2011. [appellanten sub 2] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 9 augustus 2011.

Het college en [appellant sub 1] hebben verweerschriften ingediend.

[appellanten sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.L.A.M. van Doveren, advocaat te Waalwijk, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. A.C.P.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P.F. Warnier, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Zandleij 2e herziening Schoorstraat 22 Udenhout" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch-Agrarisch Bedrijf".

Ingevolge artikel 3.3.1., aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor een recreatief nachtverblijf in de vorm van logies en ontbijt waarbij de totale gezamenlijke voor deze functie gebruikte vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 5 eenheden met in totaal een maximum vloeroppervlakte van 200 m², waarvan 50 m² voor ondergeschikte horeca mag worden gebruikt.

2.2. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de berekening van de maximum vloeroppervlakte van 200 m² die gebruikt mag worden voor recreatief nachtverblijf, de oppervlakte van het terras van 110 m² niet meegerekend dient te worden. [appellanten sub 2] betogen voorts dat het terras niet voor horecadoeleinden mag worden gebruikt, omdat ingevolge artikel 3.3.1., aanhef en onder c, van de planvoorschriften maximaal 50 m² vloeroppervlakte voor ondergeschikte horeca gebruikt mag worden.

2.2.1. In de planvoorschriften is geen definitie opgenomen van het begrip "vloeroppervlakte". Het begrip moet redelijkerwijs worden uitgelegd als de oppervlakte van de inpandige vloeren. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de oppervlakte van het terras niet betrokken dient te worden bij de berekening van de maximum vloeroppervlakte.

Nu het begrip "vloeroppervlakte" alleen ziet op de inpandige vloeren en in de planvoorschriften geen voorschriften zijn opgenomen die zien op de maximale omvang van uitpandige horeca, is het gebruik van het terras voor horecadoeleinden toegestaan.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maximale vloeroppervlakte van 50 m² voor ondergeschikte horeca wordt overschreden vanwege het ontbreken van een fysieke scheiding tussen de eetruimte en de hal en ontvangstruimte, zodat de gelegenheid geboden wordt de maximale vloeroppervlakte van 50 m² aan ondergeschikte horeca te overschrijden, en voorts ten onrechte heeft overwogen dat de bijkeuken betrokken dient te worden bij de vaststelling van de maximale ruimte die gebruikt wordt ten behoeve van ondergeschikte horeca.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2003 in zaak nr. 200206292/1), moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch moet mede worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 1992 in zaak nr. R03896106; aangehecht), dient bij de beoordeling of sprake is van met de planvoorschriften strijdig beoogd gebruik, wanneer er sprake is van de beslissing op een aanvraag omtrent een bouwvergunning ter zake een reeds voltooid bouwwerk, acht te worden geslagen op hetgeen omtrent het gebruik van het reeds gebouwde bekend is of kan zijn.

2.3.2. Op de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekening is het voor ondergeschikte horeca te gebruiken gedeelte van het pand schuin gearceerd. Dit gearceerde gedeelte beslaat de keuken en een gedeelte van de herberg waarin een bar en drie tafels zijn ingetekend. Het overige gedeelte van de herberg zal worden gebruikt als hal en ontvangstruimte.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat niet op voorhand redelijkerwijs valt aan te nemen dat het beoogd gebruik van de hal en de ontvangstruimte in strijd is met de planvoorschriften. Weliswaar is het gedeelte van de herberg dat gebruikt zal worden als hal en ontvangstruimte niet door een muur gescheiden van het gedeelte dat voor horeca bestemd is en kan dat gedeelte op eenvoudige wijze gebruikt worden voor horecadoeleinden, maar dat zijn onvoldoende concrete aanwijzigen om aan te nemen dat strijdig gebruik is beoogd. Op de bouwtekeningen behorende bij de aanvraag is het gedeelte, voorzien als horeca, als zodanig geduid, terwijl de hal en de ontvangstruimte afzonderlijk daarop zijn weergegeven. Voorts wordt in aanmerking genomen dat tijdens de geregeld door het college uitgevoerde controles op het gebruik van de hal en ontvangstruimte ten behoeve van horecadoeleinden nooit een overtreding is geconstateerd en [appellant sub 1] in zijn brief van 12 augustus 2011 de door hem tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie gedane uitspraak dat gasten om te eten ook buiten het op de bouwtekening gearceerde gedeelte kunnen plaatsnemen, nader heeft uitgelegd in die zin dat dit ongewenste incidenten betreft.

Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de bijkeuken, nu daar ten tijde van het besluit van 22 oktober 2010 een afwasmachine en een diepvriezer stonden en deze daarmee in gebruik was ten behoeve van horeca, betrokken moest worden bij de vaststelling van de maximale vloeroppervlakte. Het toegestane maximum van 50 m² wordt daarmee overschreden.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 1] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het intrekken van de bouwvergunning een te vergaande maatregel is die niet in verhouding staat tot de daarmee te dienen doelen. Nu het college in heroverweging bij besluit van 22 oktober 2010 alsnog geweigerd heeft de bouwvergunning te verlenen, is geen sprake is van een intrekking van een reeds verleende bouwvergunning, maar van de weigering tot verlening van een bouwvergunning.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2012

531-724.