Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1196

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
201107715/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft de Belastingdienst de voor [wederpartij] voor het jaar 2007 vastgestelde huurtoeslag herzien en € 521,00 teruggevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/73
AA20120641 met annotatie van L.J.A. Damen
JB 2012/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107715/1/H2.

Datum uitspraak: 18 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011 in zaak nr. 11/371 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft de Belastingdienst de voor [wederpartij] voor het jaar 2007 vastgestelde huurtoeslag herzien en € 521,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2010 vernietigd en de Belastingdienst opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft de Belastingdienst, ter uitvoering van de uitspraak van 8 juni 2011, opnieuw op het door [wederpartij] tegen het besluit van 3 februari 2010 gemaakte bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.

Bij brief van 30 september 2011 heeft [wederpartij] hierop een schriftelijke reactie ingediend.

Nadat partijen bij brieven van 6 oktober 2011, respectievelijk 5 oktober 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

In afwijking van artikel 6:8 van de Awb vangt ingevolge artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.2. [wederpartij] heeft bij brief van 30 september 2010, bij de Belastingdienst ingekomen op 1 oktober 2010, buiten de daarvoor geldende termijn, bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst van 3 februari 2010. Bij het besluit op bezwaar van 13 december 2010 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd op de grond dat de Belastingdienst de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar heeft geacht.

2.3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte in de omstandigheid dat [wederpartij] ten tijde van de ontvangst van het besluit van 3 februari 2010 was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling als bedoeld in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: de WSNP), waardoor haar post naar de haar toegewezen bewindvoerder werd gezonden - de zogenoemde postblokkade - en zij pas na beëindiging van de WSNP op 28 juli 2010 op de hoogte is gesteld van dat besluit, aanleiding heeft gezien de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2.4. Het betoog slaagt. Dat [wederpartij] eerst na verloop van de bezwaartermijn tegen het besluit van 3 februari 2010 bezwaar heeft kunnen maken omdat de voor haar bestemde post vanwege de zogenoemde postblokkade naar haar bewindvoerder werd gezonden, komt voor haar rekening en risico. De toelating tot de WSNP bracht met zich dat [wederpartij] een bewindvoerder werd toegewezen. Het was aan [wederpartij] om met hem afspraken te maken over de doorzending van post. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, acht de Afdeling niet van betekenis dat [wederpartij] niet zelf een bewindvoerder heeft kunnen kiezen.

Met het voorgaande volgt de Afdeling de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin is overwogen dat nalatigheid van de bewindvoerder in het kader van de WSNP voor rekening en risico van degene die onder bewind is gesteld komt (CRvB 12 juli 2011, LJN: BO3575 en 2 november 2010, LJN: BR1355).

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van de Belastingdienst van 13 december 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaren, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgrond faalt.

2.6. Het besluit van 3 augustus 2011, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, wordt gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

Nu de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, is aan het besluit van 3 augustus 2011 de grondslag ontvallen. Reeds om die reden zal de Afdeling het beroep daartegen gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011 in zaak nr. 11/371;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2011 van de Belastingdienst/Toeslagen, kenmerk 2102.50.720, gegrond;

V. vernietigt dat besluit.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2012

47-710.