Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
201105039/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 8 januari 2008 heeft de burgemeester: - de op 29 juni 2005 aan [appellant] verleende vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening ten behoeve van [coffeeshop] aan de [locatie a] te Enschede ingetrokken, en - de op 18 juli 2007 door [appellant] aangevraagde vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening ten behoeve van het pand aan de [locatie b] te Enschede geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/50 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105039/1/H3.

Datum uitspraak: 18 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 maart 2011 in zaak

nr. 10/213 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Enschede.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 8 januari 2008 heeft de burgemeester: - de op 29 juni 2005 aan [appellant] verleende vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening ten behoeve van [coffeeshop] aan de [locatie a] te Enschede ingetrokken, en - de op 18 juli 2007 door [appellant] aangevraagde vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening ten behoeve van het pand aan de [locatie b] te Enschede geweigerd.

Bij besluit van 24 april 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2009 (LJN BI8218) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 april 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

Bij uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200905102/1/H3 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2009 vernietigd. De Afdeling heeft de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 23 maart 2011, verzonden op 24 maart 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 24 april 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2011, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De burgemeester heeft een advies van 18 oktober 2007 van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna:

het Bureau) aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft de burgemeester medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen.

De Afdeling heeft beslist dat de aldus verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

[appellant] heeft aanvankelijk geen toestemming verleend om mede op basis van voormeld advies van het Bureau uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Steyger en mr. F.A. Pommer, beiden advocaat te 's-Hertogenbosch, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J. van Boxem, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. W. van de Wetering, advocaat te Enschede, zijn verschenen.

Ter zitting op 28 november 2011 heeft [appellant] toestemming verleend om mede op basis van voormeld advies van het Bureau uitspraak te doen. De Afdeling heeft het onderzoek aangehouden en alsnog kennisgenomen van dat advies. [appellant] en de burgemeester hebben vervolgens ingestemd met het achterwege laten van een nadere behandeling van de zaak ter zitting. De Afdeling heeft het onderzoek daarop gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge het derde lid worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan voormelde eis nader worden omschreven.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een vergunning geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen.

Ingevolge het derde lid kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob).

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een vergunning ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, kan een vergunning worden ingetrokken indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het derde lid wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 26 kan de officier van justitie, die beschikt over gegevens die er op duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of, naar redelijkerwijs op grond van feiten of omstandigheden kan worden vermoed, gepleegd zullen worden, het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst wijzen op de wenselijkheid het Bureau om een advies te vragen.

Ingevolge artikel 29 kan het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die een advies ontvangt dat advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de gemeentelijke Drank- en Horecaverordening (hierna: de verordening) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester in een besloten ruimte bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.

Ingevolge artikel 12c, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, wordt vorengenoemde vergunning geweigerd indien de ondernemer niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en niet voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef b, van de DHW.

Ingevolge artikel 12e, aanhef en onder a, trekt de burgemeester de vergunning bedoeld in artikel 12a, eerste lid, in indien niet langer wordt voldaan aan de in artikel 12c gestelde eisen.

2.2. Bij brief van 4 juli 2007 heeft de officier van justitie van het parket Almelo de burgemeester gewezen op de wenselijkheid het Bureau om een advies te vragen. Volgens de officier van justitie is in verband met een lopend strafrechtelijk onderzoek het ernstige vermoeden gerezen dat [appellant] zich gedurende langere tijd, tot zijn aanhouding op 7 juni 2007, schuldig heeft gemaakt aan misdrijven genoemd in de Opiumwet, het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) en de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm), waarbij deels werd geopereerd vanuit, dan wel onder dekmantel van, [coffeeshop]. Op 6 juli 2007 heeft de burgemeester bij het Bureau een verzoek om een advies ingediend. Bij brief van die datum heeft hij [appellant] hiervan op de hoogte gesteld.

Op 18 juli 2007 heeft [appellant] een vergunning aangevraagd als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de verordening ten behoeve van het pand aan de [locatie b] te Enschede wegens de verhuizing van [coffeeshop] naar dit adres.

2.3. Aan de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 8 januari 2008 heeft de burgemeester een advies van het Bureau van 18 oktober 2007 (hierna: het advies) ten grondslag gelegd. Op grond van dat advies is de burgemeester tot de conclusie gekomen dat een ernstige mate van gevaar bestaat dat de reeds verleende vergunning van 29 juni 2005 en de bij brief van 18 juli 2007 aangevraagde vergunning mede worden respectievelijk zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Voorts voldoet [appellant] volgens de burgemeester niet langer aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Beide gronden zijn gebaseerd op het ernstige vermoeden dat [appellant] is betrokken bij de kweek van hennep in Marokko en het geven van opdracht tot invoer daarvan, het ernstige vermoeden dat [appellant] grootschalige handel voert in softdrugs vanuit [coffeeshop] en het ernstige vermoeden dat hij de uit drugshandel verkregen inkomsten witwast. Verder wordt [appellant] in verband gebracht met belastingontduiking en het voorhanden hebben van een vuurwapen met de daarbij behorende munitie. Voorts heeft de burgemeester ten aanzien van [appellant] in aanmerking genomen één veroordeling voor overtredingen van de Opiumwet en één onherroepelijke veroordeling voor overtredingen van de Wwm.

2.4. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 juni 2009 verscheidene beroepsgronden buiten behandeling gelaten. Deze gronden zijn volgens de rechtbank verwijtbaar te laat aangevoerd en de burgemeester heeft hier ter zitting niet adequaat op kunnen reageren. Niet is gebleken dat [appellant] deze gronden niet eerder, in elk geval ruim voor de behandeling ter zitting, had kunnen aanvoeren. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet, althans onvoldoende heeft betwist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het advies voldoende motivering bevat om de eindconclusie te dragen. Dat [appellant] niet is vervolgd voor belastingfraude betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de burgemeester dit niet bij zijn beoordeling mocht betrekken. In het advies zijn feiten en vermoedens opgenomen die wijzen op een strafbare verzwijging van de omzet. Dat de bedragen zoals genoemd in het advies in werkelijkheid lager zijn, neemt niet weg dat [appellant] onjuiste omzetgegevens aan de Belastingdienst heeft opgegeven. Er was naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aanleiding om een vermoeden van belastingfraude aan te nemen. Dat [appellant] inmiddels mogelijk een regeling heeft getroffen met de Belastingdienst, staat aan dit oordeel niet in de weg, aldus de rechtbank.

2.5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 februari 2010 vastgesteld dat de door de rechtbank buiten behandeling gelaten gronden een nadere onderbouwing van een in beroep ingenomen standpunt dan wel een reeds eerder in de procedure naar voren gebrachte grond inhouden die al dan niet zijn toegelicht met gepubliceerde jurisprudentie. Deze aanvullende gronden zijn naar het oordeel van de Afdeling niet van dusdanige aard dat geoordeeld kan worden dat de burgemeester daarop ter zitting niet adequaat kon reageren en daardoor onredelijk in zijn procesvoering is bemoeilijkt. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting dat de burgemeester inhoudelijk op de aanvullende gronden heeft gereageerd, nadat de behandeling van de zaak gedurende enig tijd was geschorst. Omdat de goede procesorde zich derhalve niet verzette tegen behandeling van deze aanvullende gronden, heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank die gronden ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten.

2.6. De Afdeling heeft de zaak naar de rechtbank teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van 3 februari 2010 is overwogen.

2.7. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat bij de burgemeester twijfel had moeten rijzen over de zorgvuldigheid van het onderzoek en aan de bevindingen in het advies. De rechtbank ziet geen aanleiding haar overwegingen daartoe in haar uitspraak van 3 juni 2009 thans niet meer te volgen. De in die uitspraak buiten behandeling gelaten gronden geven de rechtbank daarvoor geen aanleiding. Dat [appellant] op 18 juli 2008 door de rechtbank Almelo en op 2 april 2010 door het gerechtshof Arnhem van het merendeel van de aan hem ten laste gelegde feiten is vrijgesproken, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat reeds daarmee is gegeven dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De burgemeester heeft volgens de rechtbank in dit kader terecht gesteld dat die uitspraken dateren van na het bestreden besluit en dat hij daarmee bij het nemen van dat besluit geen rekening heeft kunnen houden. De rechtbank is tot eenzelfde oordeel gekomen ten aanzien van hetgeen de burgemeester heeft gesteld omtrent de intrekking van de boetebeschikkingen en de vermindering van de navorderingsaanslagen. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor de burgemeester aanleiding had moeten bestaan om te twijfelen aan de juistheid van de aan het advies van het Bureau ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden en het Bureau in verband daarmee om een nader advies te vragen.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte bij haar beoordeling niet heeft laten meewegen dat de strafrechtelijke vervolging van de in het advies genoemde delicten beperkt is gebleven. Uit het strafvonnis van de rechtbank Almelo van 18 juli 2008 en het arrest van het gerechtshof Arnhem van 2 april 2010 volgt dat [appellant] gedeeltelijk is vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Nu de burgemeester vooruitlopend op het oordeel van de strafrechter de besluiten aangaande de drank- en horecavergunningen heeft genomen, diende hij rekening te houden met vrijspraak. Daarbij komt dat de officier van justitie al vóór de behandeling van de strafzaak op 26 oktober 2007 had geconstateerd dat de feiten die aanleiding waren om van in artikel 26 van de Wet bibob neergelegde bevoegdheid gebruik te maken, onvoldoende werden gedragen door bewijs. Verder is met de Belastingdienst een regeling getroffen en zijn de boetebeschikkingen ingetrokken en de navorderingsaanslagen aanzienlijk verminderd, aldus [appellant]. Ook daarmee had de burgemeester volgens [appellant] bij zijn besluitvorming rekening moeten houden. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar oordeel betrokken dat de vermeende harddrugstester in feite een insulinetester was en het wapenbezit waarvan [appellant] op 2 april 2010 niet is vrijgesproken, was gelegen in de privésfeer en was ingegeven door zelfverdediging. Verder bestaat volgens [appellant] geen verband in de zin van artikel 3 van de Wet bibob tussen het wapenbezit en het exploiteren van een coffeeshop. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbijgegaan dat de burgemeester in strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft nagelaten zich er van te vergewissen of het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en of de feiten de conclusies kunnen dragen. Gelet op de vrijspraken had bij de burgemeester ten tijde van het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit twijfel moeten rijzen over de in het advies opgenomen bevindingen en had de burgemeester het Bureau aldus om een aanvullend advies moeten vragen. Voorts is de rechtbank er evenzeer ten onrechte aan voorbijgegaan dat de burgemeester de Belastingdienst heeft ingezet om het drugsbeleid van de gemeente uit te voeren, hetgeen duidt op oneigenlijk gebruik van bevoegdheden. Nu de burgemeester in vergelijkbare gevallen heeft volstaan met een tijdelijke sluiting op basis van het Damoclesbeleid, heeft de burgemeester voorts gehandeld in strijd met het gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Ook dit heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend, aldus [appellant]. Het advies is alleen gebaseerd op vermoedens en niet op vastgestelde, en aldus bewezen verklaarde, feiten. De vermeende belastingfraude, de aanwezigheid van een harddrugstester en de feiten met betrekking tot de Wwm zijn volgens [appellant] voldoende weersproken. Nu voorts het strafrechtelijk onderzoek is uitgemond in een vrijspraak van overige in het advies geuite vermoedens, heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de burgemeester aan deze feiten een ander gewicht had moeten toekennen dan in het advies is gebeurd.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr. 200606025/1), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

2.8.2. Ter zitting heeft [appellant] terecht onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.19.2 van de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011 in zaak nr. 200909931/1/H3 betoogd dat bij gebreke van een oordeel van de strafrechter in het advies van het Bureau geconcretiseerd moeten worden uiteengezet dat aannemelijk is dat een strafbaar feit is gepleegd en dat de tegen de vermoedelijke dader of daders bestaande verdenking zo ernstig is dat aannemelijk is dat deze het strafbare feit heeft, dan wel hebben begaan. Het advies van 18 oktober 2007 voldoet hier echter aan en de Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] met zijn zienswijze en de gronden van bezwaar niet een zodanige twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de conclusie van dat advies dat de burgemeester om die reden niet, dan wel niet zonder een nader advies te vragen aan het Bureau, daarop mocht afgaan. Voor het oordeel dat de vrijspraken van [appellant] van aan hem ten laste gelegde feiten met betrekking tot overtredingen van de Opiumwet, daartoe een grondslag bieden, ziet de Afdeling geen grond. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester hiermee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden, omdat de vrijspraken dateren van na het bestreden besluit.

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat de burgemeester bevoegd is hangende een beroepsprocedure terug te komen op een eerder genomen besluit. Nu de burgemeester in dit geval geen gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid door een wijzigingsbesluit te nemen, is een dergelijk besluit in deze procedure niet aan de orde en kan dit bij de verdere beoordeling van deze zaak geen rol spelen. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was bekend dat [appellant] werd vervolgd voor overtredingen van de Opiumwet en de Wwm en, bij voldoening aan evenbedoelde, in de uitspraak van 20 juli 2011 omschreven concretiseringslast, is een veroordeling van de strafrechter niet vereist voor een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, van de Wet bibob. Dat [appellant] ten tijde van het nemen van het besluit van 24 april 2008 niet was veroordeeld voor het voeren van grootschalige handel in softdrugs vanuit [coffeeshop] en het op of omstreeks 7 juni 2007 voorhanden hebben van een vuurwapen met de daarbij behorende munitie en hij inmiddels is vrijgesproken voor de overtredingen van de Opiumwet wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, is op zichzelf dan ook geen grond voor het oordeel dat de burgemeester vermoedens daartoe zoals opgenomen in het advies niet aan de besluiten ten grondslag mocht leggen, dan wel dat bij hem ten tijde van het nemen van het besluit van 24 april 2008 aanleiding had moeten bestaan daaraan te twijfelen, temeer nu [appellant] eerder is veroordeeld wegens overtredingen van de Opiumwet en de Wwm. Daarbij geldt dat in eerste aanleg door de rechtbank Almelo op 18 juli 2008 bewezen is verklaard dat [appellant] zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het verkopen en aanwezig hebben van grote hoeveelheden softdrugs. Vaststaat dat op 7 juni 2007 in [coffeeshop] 1433 g softdrugs is aangetroffen, zijnde een hoeveelheid die buiten de grenzen van het gedoogbeleid valt. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat het bij de verkoop van softdrugs in een coffeeshop onvermijdelijk is om dergelijke strafbare feiten te plegen. Voorts is [appellant] weliswaar niet vervolgd voor witwassen en belastingfraude doch aan hem zijn wel boetebeschikkingen en navorderingsaanslagen opgelegd. Dit maakt aannemelijk dat [appellant] in aanzienlijke mate inkomsten tegenover de Belastingdienst heeft verzwegen en dat hij ook meer omzet ter zake van de verkoop van softdrugs in [coffeeshop] heeft gerealiseerd dan hij aan de burgemeester heeft verantwoord in het kader van het Damoclesbeleid voor coffeeshops. De regeling die de Belastingdienst inmiddels met [appellant] heeft getroffen, waarbij de boetebeschikkingen zijn ingetrokken en de navorderingsaanslagen aanzienlijk zijn verminderd, tot een bedrag van € 300.000,00, is eveneens een omstandigheid die dateert van na de bestuurlijke besluitvoming, zodat de burgemeester ook in zoverre terecht heeft gesteld dat hij hiermee bij het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden. Bovendien toont deze regeling niet aan dat [appellant] in de betrokken periode geen inkomsten voor de Belastingdienst heeft verzwegen. De burgemeester heeft onweersproken gesteld dat hij de vermeende aanwezigheid van de harddrugstester bij zijn besluitvorming buiten beschouwing heeft gelaten en niet aan het besluit van 24 april 2008 ten grondslag heeft gelegd, zodat hetgeen [appellant] dienaangaande heeft aangevoerd geen bespreking behoeft. De enkele stelling van [appellant] dat het vuurwapenbezit waarvan hij op 2 april 2010 niet is vrijgesproken, was gelegen in de privésfeer en door zelfverdediging was ingegeven, kan, wat daar verder ook van zij, evenmin leiden tot het door [appellant] daarmee beoogde doel. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de burgemeester in strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb heeft nagelaten zich er van te vergewissen of het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen.

2.8.3. Voorts ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank er in de aangevallen uitspraak ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de burgemeester oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden. Niet is gebleken dat de burgemeester het advies heeft gevraagd, of dat het Bureau onderzoek heeft verricht voor een ander doel dan dat, waartoe de Wet bibob is vastgesteld, het voorkomen dat overheidsorganen onbewust en ongewild door vergunningen te verlenen, subsidie te geven of een overheidsopdracht te gunnen, criminele activiteiten faciliteren. De stelling van [appellant] dat de burgemeester in vergelijkbare gevallen heeft volstaan met een tijdelijke sluiting op basis van het Damoclesbeleid, is niet nader onderbouwd met concrete voorbeelden. Van een schending van het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel is de Afdeling dan ook niet gebleken.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bij haar bestreden besluit niet is genomen in strijd met de artikelen 6, eerste lid, en 13 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), heeft miskend dat de burgemeester steeds argumenten heeft genegeerd waardoor geen sprake was van een "fair trial" in de zin van artikel 6 van het EVRM. Voorts is ook de aangevallen uitspraak op zichzelf in strijd met het recht op een "fair trial", nu de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan beroepsgronden. Daarnaast heeft het er de schijn van dat dit beginsel is geschonden door het verloop van de rechtbankprocedure, nu een van de leden van de meervoudige kamer van de rechtbank zich na de behandeling van de zaak ter zitting heeft verschoond en deze in dat late stadium is vervangen door een andere rechter. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het recht op een "fair trial" niet is voorbehouden aan strafrechtelijke vervolging, ook geldt wanneer, zoals hier, burgerlijke rechten en verplichtingen in het geding zijn. Nu het [appellant] voorts ondanks de vrijspraken onmogelijk wordt gemaakt zijn onderneming te heropenen, is eveneens gehandeld in strijd met het in artikel 13 van het EVRM neergelegde recht op een "effective remedy".

2.9.1. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de burgemeester argumenten ten onrechte heeft genegeerd. Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte aan beroepsgronden is voorbijgegaan ziet de Afdeling, al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking nemende, evenmin grond.

Zoals uit de aangevallen uitspraak kan worden opgemaakt is aan partijen na de behandeling van de zaak ter zitting bij brief van 20 december 2010 meegedeeld dat de samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd naar aanleiding van het ter zitting gedane mondelinge verzoek van één van de rechters om zich te verschonen. Niet valt in te zien dat hierdoor het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces is geschonden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat partijen vanwege de wijziging in de samenstelling in de gelegenheid zijn gesteld mee te delen of zij behoefte hadden aan een nieuwe zitting of dat zij ermee konden instemmen dat uitspraak werd gedaan zonder nieuwe behandeling van de zaak ter zitting. [appellant] en de burgemeester hebben vervolgens toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat in strijd met artikel 13 van het EVRM is gehandeld, reeds omdat [appellant] geen beroep op de rechter is onthouden.

2.9.2. De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester zich, gelet op de in [coffeeshop] aangetroffen hoeveelheid softdrugs van 1433 g, het verboden wapenbezit en de belastingontduiking, op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat een vergunning als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de verordening door [appellant] mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Voorts bestaat voldoende samenhang tussen de activiteiten waartoe deze vergunning strekt en de strafbare feiten waarmee [appellant] in verband wordt gebracht, omdat een dergelijke vergunning het plegen van deze strafbare feiten kan faciliteren.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de burgemeester gelet op het verboden wapenbezit en de belastingontduiking in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat [appellant] niet langer voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Ingevolge de artikelen 12c, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 12e, aanhef en onder a, van de verordening was de burgemeester gehouden de op 29 juni 2005 aan [appellant] verleende vergunning in te trekken alsmede om zijn aanvraag van 18 juli 2007 om een dergelijke vergunning af te wijzen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2012

312-597.