Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV1184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
201106975/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gelselaar, Dorp 2010" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106975/1/R2.

Datum uitspraak: 18 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en andere (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Berkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gelselaar, Dorp 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 juli 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2011, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door J.G.M. Lammers en G.W. Janssen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan beoogt de raad een grotendeels conserverend planologisch regime aan het dorp Gelselaar te geven. Tevens geeft het plan de mogelijkheid om bij toekomstige ontwikkelingen rekening te houden met het voornemen van het Rijk om het dorp aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. De raad stelt dat de beroepsgronden die zijn aangevoerd in het nader ingekomen stuk van [appellant sub 1] van 25 juli 2011 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Hiertoe voert de raad aan dat gronden naar voren worden gebracht die niet eerder zijn aangevoerd.

2.2.1. Anders dan de raad stelt, heeft [appellant sub 1] in voornoemd stuk geen nieuwe beroepsgronden aangevoerd, maar een nadere toelichting gegeven op al eerder ingediende gronden. Nu deze toelichting beknopt is, ruimschoots voor de behandeling van de zaak ter zitting is ingediend en niet dusdanig van aard is dat de andere partijen hierop niet adequaat hebben kunnen reageren, bestaat geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten wegens strijd met een goede procesorde.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte aan de locatie Diepenheimseweg/Pierinkdijk, aan de zuidzijde van de Pierinkdijk, de bestemming "Groen" is toegekend en wenst op deze locatie een woonbestemming. Hij voert hiervoor aan dat tussen hem en het gemeentebestuur de afspraak bestond dat een woonbestemming zou worden toegekend aan de desbetreffende locatie. Voor zover de raad aanvoert dat de voorgelegde situatietekeningen die bij de zienswijze zijn overgelegd, zouden afwijken van de gemaakte afspraken, stelt [appellant sub 1] dat dit geen grond voor de afwijzing van een woonbestemming kan zijn, nu het onderhandelingsresultaat zag op de toezegging van deze bestemming en niet op de verlening van een vergunning op basis van een specifiek ontwerp. De enkele verwijzing naar "demografische ontwikkelingen" is volgens [appellant sub 1] niet voldoende om van dat resultaat af te wijken.

2.3.1. Over het betoog van [appellant sub 1] dat gemaakte afspraken niet zijn nagekomen, overweegt de Afdeling dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een woonbestemming, ter plaatse van bedoelde locatie zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Hierbij betrekt de Afdeling dat van gemeentewege bij brieven van 14 december 2007 en 16 maart 2010 aan [appellant sub 1] is aangegeven dat niet wordt meegewerkt aan de uitvoering van woningbouwplannen op de desbetreffende locatie.

2.3.2. [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.3.3. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluitonderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie]. Volgens [appellant sub 2] maakt dit ten onrechte de vestiging mogelijk van bedrijven tot en met categorie 2 van de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Hij betoogt dat deze bestemming ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, nu zijn woning op 18 meter afstand van het perceel is gelegen en andere woningen tot 3 meter afstand van het perceel zijn gelegen. Volgens [appellant sub 2] zou moeten worden gekozen voor een conserverende bestemming.

Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de raad onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat het doel van de bestemming is nu de bestemming niet kan dienen om het bestaande bedrijf te legaliseren. Dit bedrijf is ook onder het thans geldende plan niet toegestaan, aldus [appellant sub 2].

2.4.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voornamelijk conserverend van aard is, zodat de geldende bestemmingen, waar mogelijk, opnieuw zijn opgenomen. De raad stelt dat de vestiging van een agrarisch bedrijf, hetgeen mogelijk was op grond van het vorige bestemmingsplan, op de locatie [locatie], welke is gelegen binnen de bebouwde kom van Gelselaar ongewenst is, omdat een agrarisch bedrijf meer overlast aan omwonenden zou geven dan een bedrijf dat valt onder de gekozen bestemming.

Het doel van de bestemming voor deze locatie is volgens de raad duidelijk, namelijk om de bestaande bedrijvigheid van een passende bestemming te voorzien. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de bestemming op deze locatie uitsluitend bedoeld is om het bestaande bedrijf tijdelijk toe te staan met het oog op de verhuizing van het bedrijf, waarvoor concrete plannen bestaan.

Voorts heeft de raad ter zitting gesteld dat de vestiging van andere bedrijven op de betrokken locatie niet gewenst is. Daarom is de raad begonnen met de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan dat de vestiging van woningen en zorg mogelijk maakt na de verhuizing van het bestaande bedrijf.

2.4.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn, voor zover van belang, de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 van bijlage 1 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Bij het opstellen van de staat van bedrijfsactiviteiten is door de raad aangesloten bij de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure).

2.4.3. Ingevolge artikel 25, lid 25.4, van de planregels mag, voor zover van belang, het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 25, lid 25.6, van de planregels is het bepaalde in artikel 25, lid 25.4, niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestaande gebruik op het perceel in strijd is met de bepalingen uit het vorige bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat het bestaande bedrijf, dat niet valt onder categorie 1 of 2 van bijlage 1 'Staat van Bedrijfsactiviteiten', niet als zodanig is bestemd in het plan en niet onder de werking van het overgangsrecht valt. Nu de raad heeft gesteld met het plan het bestaande bedrijf op deze locatie mogelijk te hebben willen maken en de vestiging van andere bedrijven op deze locatie niet wenselijk te achten, overweegt de Afdeling dat de raad met het plan in zoverre niet heeft bereikt hetgeen is beoogd. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover het de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie] toekent, dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Proceskosten

2.5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding ten aanzien van [appellant sub 1].

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Berkelland van 5 april 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Gelselaar, Dorp 2010" voor zover dat het plandeel betreft dat de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie] toekent;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en andere ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Berkelland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.236,65 (zegge: twaalfhonderdzesendertig euro en vijfenzestig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Berkelland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. M.G.J. Parkins-de Vin w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2012

271-723.