Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
201007744/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kagerban Sociaal-Cultureel Centrum De Schoof" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/350
JOM 2012/1070
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007744/1/R1.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Wervershoof, gemeente Medemblik,

2. [appellant sub 2], wonend te Wervershoof, gemeente Medemblik,

en

de raad van de gemeente Wervershoof, thans Medemblik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kagerban Sociaal-Cultureel Centrum De Schoof" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De raad heeft de financiële paragraaf van de samenwerkingsovereenkomst inzake de financiële uitvoerbaarheid van het plan ingezonden. Daarbij heeft hij voor dit stuk verzocht om beperkte kennisneming, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in die zin dat alleen de Afdeling hiervan kennis mag nemen. Bij beslissing van 25 januari 2011 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling het verzoek om beperkte kennisneming ingewilligd. De betrokken partijen is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden informatie in de samenwerkingsovereenkomst uitspraak te doen. Deze toestemming is verkregen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, en J. Kramer, werkzaam voor de Nederlandse Stichting Geluidhinder, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Smak en ing. R.W. Schuurman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting Woningstichting Het Grootslag, vertegenwoordigd door M. Bakker, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Met het bestemmingsplan wordt voorzien in de verplaatsing van het sociaal-cultureel centrum "De Schoof" van de Dorpstraat naar het Bisschop Grentplantsoen. De huidige locatie van De Schoof ligt direct ten zuidoosten van het plangebied op een afstand van ongeveer 50 m. In het plangebied bevinden zich in de huidige situatie seniorenwoningen en groenvoorzieningen.

Procedurele aspecten

2.2. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad de omwonenden van het plangebied onvoldoende bij de voorbereiding van het plan heeft betrokken.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen voorts dat het plan onzorgvuldig is voorbereid nu het voorontwerp van dit plan deels tegelijkertijd ter inzage heeft gelegen met het ontwerpbestemmingsplan "Wervershoof-Kagerban" en dat niet duidelijk is waarom tegelijkertijd twee plannen in voorbereiding waren.

Voorts is volgens [appellant sub 1] en anderen de procedure onzorgvuldig verlopen omdat de raad de locatie van De Schoof heeft vastgelegd voordat onderzoek naar de effecten daarvan op de omgeving zijn uitgevoerd.

2.2.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Niettemin wijst de Afdeling erop dat voor de terinzagelegging van het ontwerpplan gelegenheid is geboden om een inspraakreactie in te dienen, van welke gelegenheid [appellant sub 1] en anderen ook gebruik hebben gemaakt. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.

Voorts staat geen rechtsregel eraan in de weg dat een plan wordt voorbereid terwijl een ander bestemmingsplan voor het betrokken gebied ook nog in voorbereiding is of ten aanzien waarvan een beroepsprocedure aanhangig is. In dit geval was het bestemmingsplan "Wervershoof - Kagerban", waarin het perceel waarop thans De Schoof is voorzien, was bestemd overeenkomstig het toen bestaande gebruik ervan, in ontwerp ter inzage gelegd op het moment waarop het voorontwerp van onderhavig plan voor inspraak ter beschikking kwam. Nu het bestemmingsplan "Wervershoof - Kagerban" hoofdzakelijk conserverend van aard is en op een groter gebied ziet dan onderhavig plan, heeft de raad in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om de nieuwe ontwikkeling in de vorm van de verplaatsing van De Schoof naar het perceel in een apart plan op te nemen.

Voor de keuze voor deze locatie van De Schoof heeft een locatieonderzoek plaatsgevonden. Voorts heeft voor de vaststelling van het plan onderzoek plaatsgevonden naar de gevolgen van deze ontwikkeling op dit perceel op de omgeving. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de planprocedure niet zorgvuldig is verlopen.

Inhoudelijk

2.3. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het voorliggende plan in strijd is met het bestemmingsplan "Wervershoof - Kagerban" overweegt de Afdeling dat juist omdat dat plan niet voorzag in de mogelijkheid om De Schoof naar het Bisschop Grentplantsoen te verplaatsen, de raad een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld. Voorts kunnen in het algemeen aan een voorheen geldend plan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

In dit verband betogen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat het plan zal leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van geluidsoverlast, vermindering van verkeersveiligheid, parkeeroverlast en verlies van uitzicht en groenvoorzieningen.

Geluid

2.4. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat ten onrechte niet is aangesloten bij de in de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstand van 30 m tussen De Schoof en de omliggende woningen.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bedrijven uit categorie 1 en 2 van de richtafstandenlijst uit de VNG-brochure passen binnen de leefomgeving van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de richtafstanden niet bindend zijn en dat hij op grond van de conclusies uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek heeft mogen afwijken van deze normen.

2.4.2. In de VNG-brochure wordt in een rustige woonwijk een afstand van 30 m aanbevolen tussen buurt- en clubhuizen en muziek- en balletscholen, zoals De Schoof kan worden aangemerkt, enerzijds en milieugevoelige functies, zoals woningen anderzijds. De afstand tussen De Schoof en de meest nabij gelegen woningen bedraagt ongeveer 15 m.

De in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 m is enkel ingegeven door mogelijke geluidhinder. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden indicatief zijn en dat afwijking hiervan in beginsel mogelijk is met dien verstande dat een afwijking voldoende dient te worden gemotiveerd en dient te worden afgewogen in het licht van het doel van de desbetreffende richtafstand, zoals in dit geval het voorkomen van geluidhinder in nieuwe situaties. De raad is gemotiveerd afgeweken van de VNG-brochure onder verwijzing naar het rapport "Akoestisch onderzoek Nieuwbouwproject Sociaal Cultureel Centrum De Schoof Kerkelaantje Wervershoof" (hierna: het geluidsrapport), waarin de akoestische gevolgen ten gevolge van De Schoof op de omliggende woningen is onderzocht. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat de raad onverkort diende vast te houden aan de VNG-brochure faalt derhalve.

2.4.3. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat een groot aantal hinderveroorzakende activiteiten ten onrechte niet is meegenomen in het geluidsrapport, dat het geluidsrapport is gebaseerd op een aantal onjuiste uitgangspunten en dat uit het geluidsrapport volgt dat sprake zal zijn van overschrijdingen van de waarden uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim). De nieuwe locatie van De Schoof zal leiden tot onaanvaardbare geluidoverlast voor de omliggende woningen.

2.4.4. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de waarden van het Barim kan worden voldaan en dat weliswaar enige geluidhinder kan optreden in de omgeving van De Schoof, maar dat het algemeen belang bij de realisatie van dit gebouw in het centrum van de kernen zwaarder weegt dan het belang van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bij het behouden van een onveranderde leefomgeving.

2.4.5. Aan de gronden waarop De Schoof is voorzien is de bestemming "Maatschappelijk" met deels een bouwvlak toegekend. Binnen het bouwvlak is de aanduiding "maximale bouwhoogte - 8 m" opgenomen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van (sociaal)-culturele doeleinden;

met de daarbij behorende:

b. tuinen, erven en terreinen;

c. parkeervoorzieningen;

d. groenvoorzieningen.

2.4.6. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Barim mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevels van woningen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge het eerste lid, onder b, zijn de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, onder a, b en f, van het Barim blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus als bedoeld in artikel 2.17 het stemgeluid van personen op een onverwarmd en een onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, buiten beschouwing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein. Voorts blijft buiten beschouwing het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor recreatieactiviteiten en het ten gehore brengen van onversterkte muziek voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

Ingevolge het derde lid, onder a, blijft het geluid als gevolg van het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden, buiten beschouwing bij het bepalen van het maximale geluidsniveau.

2.4.7. In het geluidsrapport staat dat het Barim weliswaar niet van toepassing is op alle geluidhinder veroorzakende activiteiten, maar dat voor activiteiten die niet onder het Barim vallen in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel aansluiting is gezocht bij de geluidsnormering in het Barim.

In De Schoof zullen de activiteiten plaatsvinden in twee verschillende ruimtes. In de verdiepte aanleg zal de zogeheten recreatieruimte voor jongeren worden gerealiseerd en op de verdieping is de zogeheten grote zaal voorzien.

2.4.8. Met betrekking tot vermeende gebreken in het geluidsrapport overweegt de Afdeling als volgt.

Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen, hoeft de raad bij de beoordeling van de geluidsbelasting als gevolg van De Schoof niet uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan maar van een situatie die representatief voor de maximale planologische mogelijkheden kan worden geacht.

[appellant sub 1] en anderen voeren in dit verband aan dat in het plan ten onrechte het gebruik als detailhandel, horeca en dienstverlening niet is uitgesloten omdat hiermee geen rekening is gehouden in het geluidsrapport. De Afdeling overweegt dat in artikel 4, lid 4.5, van de planregels het gebruik voor dienstverlening in het geheel, detailhandel anders dan onderschikt en horeca ten behoeve van een zelfstandig horecabedrijf als strijdig gebruik met de bestemming is aangemerkt. Hieruit volgt dat deze vormen van gebruik niet zelfstandig binnen het plan mogelijk zijn, zodat hiermee in het geluidsrapport geen rekening behoefde te worden gehouden.

Voorts overweegt de Afdeling dat uit het geluidsrapport volgt dat de verdiepte ligging met zich brengt dat de eerste bouwlaag grotendeels zal worden afgeschermd hetgeen betekent dat hierdoor de geluidsbelasting ten gevolge van de activiteiten in de eerste bouwlaag op de omgeving lager zal zijn. De enkele stelling dat niet inzichtelijk is gemaakt wat de gevolgen zijn van de verdiepte ligging van De Schoof slaagt derhalve niet.

Wat betreft de eventuele geluidsoverlast ten gevolge van de werkzaamheden bij het Kerklaantje overweegt de Afdeling dat deze werkzaamheden tijdelijke overlast met zich kunnen brengen en dat deze overlast niet wordt veroorzaakt door De Schoof zodat hiermee geen rekening behoefde te worden gehouden in het geluidsrapport.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat ten onrechte in het geluidsrapport niet is onderzocht of de wijzigingen aan het Kerkelaantje een reconstructie als bedoeld in de Wet geluidhinder met zich brengen, overweegt de Afdeling dat het Kerkelaantje een weg is waarvoor een maximale snelheid van 30 km per uur geldt en dat de Wet geluidhinder op dit soort wegen niet van toepassing is.

In zoverre is in het geluidsrapport uitgegaan van een situatie die representatief voor de maximale planologische mogelijkheden kan worden geacht.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat bij de berekening van de geluidsemissies als gevolg van de sociaal-culturele activiteiten ten onrechte is uitgegaan van de grens van het bouwvlak en niet van de bestemmingsgrens overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de raad betoogt, sluit artikel 4, lid 4.1, van de planregels niet uit dat op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" waarop geen gebouwen zijn gerealiseerd, geen sociaal-culturele activiteiten kunnen plaatsvinden. In dit verband overweegt de Afdeling dat op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" buiten het bouwvlak een verdiept plein is voorzien en dat ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels de erven en terreinen bij het gebouw kunnen worden gebruikt ten behoeve van de daaraan toegekende bestemming. De raad heeft in zoverre derhalve niet bereikt wat hij heeft beoogd. Nu de raad ter zitting heeft aangegeven dat de raad noch stichting De Schoof voorstaat om het planologisch mogelijk te maken om op het omliggende terrein van De Schoof sociaal-culturele activiteiten uit te oefenen, ziet de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het vaststellen van een planregel die voorziet in een gebruiksverbod voor sociaal-culturele activiteiten buiten gebouwen op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk". De overige beroepsgronden zullen ook met inachtneming van deze planregel worden besproken.

2.4.9. Wat betreft het betoog dat de raad ten onrechte niet duidelijk heeft gemaakt op welke voorwaarden de milieudienst het akoestisch onderzoek heeft beoordeeld, overweegt de Afdeling dat de milieudienst het rapport op technisch aspecten heeft beoordeeld en dat de milieudienst voorts heeft geadviseerd inzake de mogelijkheden en het gebruik van het sociaal-cultureel centrum in relatie tot de milieuvoorschriften. Vervolgens heeft, anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, de raad en niet de milieudienst de ruimtelijke afweging ten behoeve van het voorliggende plan gemaakt.

2.4.10. Met betrekking tot de vermeende overschrijdingen van de waarden in het Barim overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.11. Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van activiteiten in de grote zaal staat in het geluidsrapport dat livemuziek met een bronniveau van 110 dB(A) een overschrijding tot 24 dB(A) met zich brengt. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wijzen erop dat dit een onaanvaardbare overschrijding van de normen uit het Barim is. Om te kunnen voldoen aan deze normen uit het Barim is volgens het geluidsrapport een maximaal binnenniveau mogelijk van 86 dB(A). Ter zitting heeft de raad toegezegd dat de binnenwaarde van 86 dB(A) zal worden gehandhaafd om op die manier te waarborgen dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van het Barim niet worden overschreden. Hierbij heeft de raad uiteengezet dat dit weliswaar betekent dat versterkte livemuziek, zoals bandjes, niet in de grote zaal kunnen oefenen, maar dat deze zaal hier ook niet voor is bedoeld. De bandjes kunnen volgens de raad oefenen in de verdiept aan te leggen jongerenrecreatieruimte waar ingevolge het geluidsrapport een binnenniveau van 108 dB(A) mogelijk is om te voldoen aan de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van het Barim. Ook zal de raad dit binnenniveau handhaven zodat ook vanuit de jongerenrecreatieruimte de geluidsbelasting niet zodanig is dat daarmee de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in het Barim worden overschreden.

Slechts enkele keren per jaar zal in de grote zaal een uitvoering worden gegeven door bands en bandjes waarbij dan de waarden uit het Barim zullen worden overschreden. Dan zal toepassing worden gegeven aan de Festiviteitenregeling uit de APV, aldus de raad. Hierin is bepaald dat in een inrichting maximaal zes festiviteiten per kalenderjaar mogen worden gehouden en dat de waarden uit het Barim dan niet gelden. Dit aantal is zodanig beperkt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten gevolge van activiteiten in de grote zaal geen onaanvaardbare geluidhinder is te verwachten. Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen, kan de raad ten aanzien van de feesten en evenementen zich op de APV beroepen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat meer dan zes festiviteiten per jaar zullen plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat dit niet in de onderhavige procedure aan de orde kan komen, maar in een procedure met betrekking tot een overtreding van bepalingen uit de APV op de desbetreffende onderdelen. Voorts kan het betoog van [appellant sub 1] en anderen ter zitting dat thans een ruimere regeling geldt, wat daar verder ook van zij, en dat daarmee ten onrechte geen rekening is gehouden, niet slagen. De raad diende immers uit te gaan van de APV zoals deze gold ten tijde van de vaststelling van het plan.

2.4.12. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen aangevoerd dat de waarden uit het Barim worden overschreden ten gevolge van het laden en lossen buiten de periode van 7 tot 19 uur.

In het geluidsrapport staat dat in de avond- en nachtperiode de waarden uit het Barim overschreden worden ten gevolge van laden en lossen. Voorts staat daarin dat het transport van goederen van en naar De Schoof zal plaatsvinden via de hellingbaan aan de voorzijde of het looppad aan de achterzijde en dat enkel een overschrijding optreedt van 3 dB(A) ten gevolge van het wegrijden van het voertuig. In het geluidsrapport staat dat dit een 'worst case scenario' betreft en dat bij het normaal wegrijden van het voertuig de overschrijding minder zal zijn. Het geluidsniveau van het transport zal door de afschermende werking van de zijwanden van de hellingbaan een geringe uitstraling hebben. Voorts zal het gemeentebestuur indien dat ter voorkoming van geluidhinder nodig mocht blijken te zijn een afscherming van de parkeerplaatsen aan het Kerkelaantje realiseren ter voorkoming van een overschrijding van geluidsnormen van het Barim. Ingevolge artikel 5 van de planregels kunnen op die gronden, waaraan de bestemming "Verkeer-Parkeren" is toegekend, zowel groenvoorzieningen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van 5 m worden opgericht.

2.4.13. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het Barim niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Voorts heeft de raad de overige geluidsbelasting ten gevolge van De Schoof beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening waarbij hij aansluiting heeft gezocht bij de waarden uit het Barim.

2.4.14. Met betrekking tot het gecumuleerde geluidsniveau van de activiteiten in de voorziene jongerenrecreatieruimte en van het stemgeluid op het verdiepte plein in de avond- en nachtperiode overweegt de Afdeling als volgt. Nu ingevolge artikel 4:3, lid 7, van de APV De Schoof niet na 24.00 uur geopend mag zijn, behoefde de raad geen rekening te houden met de berekende geluidsbelasting in de nachtperiode. Voor zover [appellant sub 2] ter zitting heeft betoogd dat inmiddels een andere verordening is vastgesteld, wat daar verder ook van zij, overweegt de Afdeling dat deze dateert van na het bestreden besluit en de raad deze omstandigheid niet bij de vaststelling van het plan behoefde te betrekken.

In het geluidsrapport staat dat het gecumuleerde geluidsniveau in de avondperiode maximaal 53 dB(A) bedraagt. Daarbij is een strafcorrectie voor muziekgeluid van 10 dB(A) toegepast. Nu vanwege de toegepaste straffactor het feitelijk optredende geluid lager is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een geluidsniveau van 53 dB(A) niet dusdanig hoog is dat ter plaatse ernstige geluidshinder zal ontstaan in de avondperiode.

Wat betreft de geluidsbelasting door het aan- en afrijden van bezoekers en door het parkeren door bezoekers op de parkeerplaatsen aan het Bisschop Grentplantsoen overweegt de Afdeling dat het aantal parkeerplaatsen voor de woning van [appellant sub 2] noch de ligging daarvan zal wijzigen. Gelet hierop bestaat geen grond voor de verwachting dat de geluidsbelasting door het gebruik van deze parkeerplaatsen door bezoekers van De Schoof in ernstige mate zal toenemen. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat door het voorziene gebouw een noemenswaardige geluidsreflectie zal optreden richting de omliggende woningen.

Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen ter motivering van hun standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid, gewezen op de nabij gelegen kinderopvang en het café Die Twee. In dit verband heeft de raad ter zitting aangegeven dat de kinderopvang andere openingstijden kent dan de tijden waarop in De Schoof voornamelijk activiteiten met grote geluidsproductie zullen plaatsvinden. Voorts heeft de raad ter zitting aangevoerd dat ook voor het café geluidsnormen gelden en dat op kortere afstand dan de woningen van [appellant sub 1] en anderen andere woningen staan, die bepalend zijn voor de toegestane geluidsbelasting vanwege het café. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat gelet hierop ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen geen sprake kan zijn van een cumulatie van geluid, afkomstig van deze geluidsbronnen. Voorts heeft de raad toegezegd dat handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat bij de exploitatie van het café de daarvoor geldende geluidsnormen niet in acht worden genomen.

2.4.15. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene nieuwe locatie van De Schoof niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen in de directe omgeving.

Parkeren

2.5. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de omgeving van het Bisschop Grentplantsoen in de bestaande situatie reeds onvoldoende is en dat ten gevolge van het plan ten onrechte parkeerplaatsen zullen verdwijnen waardoor de parkeeroverlast zal toenemen. Voorts is volgens [appellant sub 1] en anderen ten onrechte niet duidelijk waar de nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden en is niet onderzocht wat de gevolgen hiervan zijn voor de omgeving.

2.5.1. Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen, overweegt de Afdeling dat het plan niet hoeft te voorzien in een oplossing voor een eventueel bestaand tekort aan parkeerplaatsen. Voorts heeft het plan niet tot gevolg dat per saldo parkeerplaatsen verdwijnen. In dit verband is van belang dat de raad heeft aangegeven dat de bestaande 12 parkeerplaatsen voor de woningen aan het Bisschop Grentplantsoen 4 en 6 blijven bestaan. Aan deze gronden is in het plan de bestemming "Maatschappelijk" toegekend, waarbinnen ingevolge de planregels ook parkeervoorzieningen zijn toegelaten. Voorts verdwijnen ten gevolge van de aanpassingen aan het Kerkelaantje 15 parkeerplaatsen, maar voorziet het plan op deels de huidige locatie van De Schoof en deels ter plaatse van de bestaande parkeerplaatsen in een nieuwe parkeervoorziening met in totaal 26 parkeerplaatsen. Aan deze gronden is de bestemming "Verkeer-Parkeren" toegekend waarbinnen ingevolge de planregels parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Het plan voorziet derhalve in meer parkeerplaatsen dan het aantal ter plaatse thans aanwezige parkeerplaatsen. Tevens heeft de raad van belang mogen achten dat de parkeerbehoefte in de omgeving zal afnemen omdat de seniorenwoningen aan het Bisschop Grenstplantsoen zullen worden gesloopt.

Gelet op de omstandigheid dat het plandeel met de bestemming "Verkeer-Parkeren" een gering oppervlak heeft en deels ter plaatse van de huidige 15 parkeerplaatsen is voorzien, heeft de raad in redelijkheid een onderzoek naar de gevolgen van de nieuwe parkeervoorziening op de omgeving achterwege mogen laten.

Verkeer

2.6. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen voorts dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verkeersaantrekkende werking van De Schoof terwijl in de VNG-brochure staat dat de verkeersaantrekkende werking van een dergelijk centrum aanzienlijk is. In dat verband voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] aan dat een sociaal-cultureel centrum niet gewenst is op een plaats waar de ontsluiting matig tot slecht is, zoals in de dorpskernen waar ook De Schoof is voorzien.

Ten aanzien van het te realiseren tweerichtingsverkeer op het Kerkelaantje en het gebruik van deze weg als ontsluiting betogen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat onvoldoende rekening is gehouden met verschillende aspecten zoals verkeersveiligheid en trillingen. In dat verband verwijzen zij naar het rapport "Evaluatie 'Verkeersveiligheidsplan' kernen Wervershoof (1999)" van Mobycon van 24 juli 2009 (hierna: rapport evaluatie veiligheidsplan).

2.6.1. In het rapport evaluatie veiligheidsplan staat dat in de huidige situatie bij het Kerkelaantje sprake is van éénrichtingsverkeer vanaf het punt van de huidige locatie van De Schoof richting het Centrumplan. Het voornemen bestaat om de inrichting van het Kerkelaantje te wijzigen in die zin dat sprake zal zijn van tweerichtingsverkeer. In het rapport evaluatie veiligheidsplan staat dat het Kerkelaantje zal worden verbreed om het centrumgebied een tweezijdige ontsluiting te geven voor gemotoriseerd verkeer. Door het verdwijnen van de huidige locatie van De Schoof wordt deze verbreding mogelijk.

Een deel van het Kerkelaantje is in het plan opgenomen en voorzien van de bestemming "Verkeer-Verblijf".

2.6.2. In de VNG-brochure staat dat wat betreft buurthuizen sprake kan zijn van een potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking. In dit geval heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onderzoek naar de verkeersaantrekkende werking niet nodig is omdat De Schoof thans op een afstand van ongeveer 50 m van de in het plan voorziene locatie is gesitueerd en dat de verplaatsing van De Schoof niet meer verkeer zal generen omdat het gebruik van De Schoof niet noemenswaardig zal veranderen. Voorts heeft de raad van belang mogen achten, hetgeen ook niet door [appellant sub 1] en anderen wordt bestreden, dat uit ervaring is gebleken dat relatief veel bezoekers van De Schoof met de fiets of lopend komen.

Met betrekking tot de ontsluiting overweegt de Afdeling dat, gelet op de geringe verkeersaantrekkende werking en de korte afstand tussen de voorziene locatie van De Schoof en de bovenwijkse ontsluitingsweg de Dorpsstraat, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat De Schoof ook goed bereikbaar zal zijn voor gemotoriseerd verkeer en dat wat betreft de ontsluiting geen aanleiding bestaat om De Schoof te voorzien op een locatie buiten de kern.

Met betrekking tot de verkeersveiligheid overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze ten gevolge van het plan zal verminderen. Hierbij acht de Afdeling van belang dat uit het rapport evaluatie veiligheidsplan volgt dat in de spitsuren slechts sprake is van maximaal 85 tot 90 motorvoertuigen per uur op het Kerkelaantje, dat het Kerkelaantje als 30 km-zone is aangewezen en dat het Kerkelaantje ter hoogte van de nieuwe locatie van De Schoof een pleinachtig karakter zal krijgen. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat ook de veiligheid van schoolgaande kinderen op de fiets niet in het geding zal komen omdat zij op een tijdstip dat er nauwelijks of geen verkeer afkomstig is van De Schoof, op het Kerkelaantje zullen fietsen. Voorts staat in het rapport evaluatie veiligheidsplan dat ten gevolge van de nieuwe locatie van De Schoof voor laden en lossen het vrachtverkeer 80 m in plaats van 60 m in het Kerkelaantje zal moeten worden toegelaten en dat voor het overige een verbod voor vrachtverkeer op het Kerkelaantje geldt. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan door het toestaan van vrachtwagens op een extra 20 m van het Kerkelaantje leidt tot een vermindering van de verkeersveiligheid.

Voorts ziet de Afdeling in de enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen dat zij hinder zullen ondervinden van lichtinval en mogelijke trillingen geen aanleiding voor het oordeel dat deze hinder zodanig is dat de raad daaraan een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

Groenvoorzieningen

2.7. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen dat de realisering van De Schoof op de nieuwe locatie de bestaande groenvoorzieningen onherroepelijk en onherstelbaar zal aantasten omdat dit één van de laatst resterende groene plekken is in dit deel van de kern van Wervershoof.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een deel van het groen zal verdwijnen maar dat de feitelijke afname van het groen ten opzichte van het groen in Wervershoof en de wijk Kagerban zodanig klein is dat er geen sprake is van een wezenlijke aantasting van het openbaar groen.

2.7.2. Niet in geschil is dat ten gevolge van dit plan een deel van de groenvoorziening op het perceel van de nieuwe locatie van De Schoof zal verdwijnen. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet leidt tot een wezenlijke aantasting van de openbare groenvoorziening. In dit verband acht de Afdeling van belang dat een deel van de groenvoorziening op het perceel blijft bestaan om te zorgen voor een groene inpassing van het gebouw en dat in de omgeving ook andere groenvoorzieningen zijn.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat een eerder verzoek om woningbouw is afgewezen in verband met het behoud van groen wordt overwogen dat dit verzoek voorzag in de realisatie van particuliere woningbouw. De raad mag, nu wat betreft De Schoof sprake is van een ander belang, een andere afweging maken.

Aantasting uitzicht en schaduwwerking

2.8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de in het plan voorziene bebouwing zal leiden tot een aantasting van hun uitzicht.

In dit verband voeren zij aan dat de in het plan voorziene bouwhoogte van De Schoof te hoog en de oppervlakte ervan te groot is en dat ten onrechte niet duidelijk is in hoeverre rekening is gehouden met de mogelijke effecten van artikel 8, lid 8.1.2, van de planregels.

Voorts is het volgens hen ten onrechte mogelijk om op de gronden met de bestemmingen "Maatschappelijk", "Groen" en "Verkeer-Parkeren" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te realiseren en voorziet het plan ten onrechte in de mogelijkheid om gebouwen buiten het bouwvlak te bouwen omdat de raad onvoldoende heeft onderzocht welke gevolgen dit kan hebben voor het woon- en leefklimaat.

2.8.1. Blijkens de verbeelding gelezen in samenhang met de regels bedraagt de maximale bouwhoogte voor De Schoof 8 m en heeft het bouwvlak een oppervlakte van 750 m².

De Afdeling overweegt dat de nieuwe locatie voor De Schoof is voorzien in een bestaande woonwijk waar blijkens de plantoelichting voornamelijk woningen staan die bestaan uit twee bouwlagen met een kap. Voorts staat direct ten noorden van de nieuwe locatie voor De Schoof een wooncentrum voor senioren dat een grotere oppervlakte heeft en deels een grotere bouwhoogte dan De Schoof. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwingsmogelijkheden voor De Schoof passen binnen de omgeving. Hierbij heeft de raad van belang mogen achten dat de bestaande seniorenwoningen zullen verdwijnen zodat per saldo sprake is van een kleine afname van het bebouwingoppervlak. Voorts is rekening gehouden met de belangen van omwonenden omdat De Schoof verdiept wordt aangelegd waardoor volgens de plantoelichting de volledige hoogte van De Schoof alleen vanaf de Bisschop Grentplantsoen te zien is.

Ten aanzien van de vrees voor vermindering van het lichtinval overweegt de Afdeling dat enige vermindering van de lichtinval in het wooncentrum voor senioren tijdens de wintermaanden weliswaar niet valt uit te sluiten, maar dat gelet op de eerder genoemde bouwhoogte en de afstand van De Schoof tot het wooncentrum voor senioren, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare vermindering van de lichtinval.

2.8.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1.2, van de planregels, wordt bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkoffers, liftkokers en lichtkappen vergroot, mits:

a. de maximale oppervlakte van deze vergroting ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;

b. deze vergroting niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt;

c. deze vergroting niet meer dan 20 m² per plaatselijke verhoging bedraagt.

In afwijking van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder a, waarin staat dat gebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd, kan het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 4, lid 4.4, daarvan ontheffing verlenen (thans een omgevingsvergunning voor afwijking van bij het plan aan te geven regels verlenen), mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid, en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden mits:

1. dit alleen betrekking heeft op uitbreidingen, waarbij ondergeschikte gebouwen (zoals een berging of een fietsenstalling) geheel buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;

2. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten hoogste gelijk zal zijn aan de oppervlakte van het bouwvlak;

3. de geluidbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.

2.8.3. Artikel 8, lid 8.1.2, van de planregels voorziet in een beperkte verhoging van ondergeschikte delen van het gebouw en artikel 4, lid 4.4, voorziet in een beperkte mogelijkheid voor bouwen buiten het bouwvlak. De Afdeling ziet in deze zowel in aard als omvang beperkte mogelijkheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onderzoek had moeten doen naar de gevolgen van toepassing van deze bepalingen. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de ontheffing van artikel 4, lid 4.4, alleen kan worden verleend als de geluidsbelasting op de woningen van [appellant sub 1] en anderen binnen de daartoe gestelde normen blijft, zodat rekening is gehouden met het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen.

2.8.4. De planregels voorzien erin dat op de gronden met de bestemmingen "Maatschappelijk", "Groen" en "Verkeer-Parkeren" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 5 m kunnen worden gerealiseerd. Voorts voorzien de planregels voor deze bestemmingen in de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van een goede milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid, en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen kan stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen naar voren gebracht waarom zij zich niet kunnen verenigen met deze bouwmogelijkheden, zodat reeds hierom hun betoog niet kan slagen.

2.9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4 tot en met 2.8.4, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nieuwe locatie van De Schoof geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] met zich brengt.

2.10. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad zijn keuze om De Schoof op de voorziene locatie te realiseren onvoldoende heeft onderbouwd ten aanzien van de ruimtelijke, verkeerskundige en landschappelijke aspecten en dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar het mogelijke alternatief, overweegt de Afdeling als volgt. De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van het alternatief dienen in die afweging te worden meegenomen. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, heeft de raad in het rapport "Locatiekeuze nieuwbouw Schoof, status definitief" van 7 mei 2008 onderzoek gedaan naar een andere mogelijke locatie. Nu in de notitie locatiekeuze staat aangegeven dat de in het plan voorziene locatie stedenbouwkundig de beste locatie is, heeft de raad in redelijkheid de afweging kunnen maken om niet voor het alternatief te kiezen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat voor een andere locatie gekozen dient te worden omdat de exploitatie van De Schoof op de voorziene locatie hinder zal veroorzaken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het daarbij, gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 2.4 tot en met 2.9.4, om onevenredige hinder zal gaan.

Beleid

2.11. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het voorliggende plan in strijd is met de door de raad vastgestelde "Structuurvisie Wervershoof 2020, Samenwerken aan een ruimtelijke toekomst" van 27 maart 2008 (hierna: structuurvisie). Zij wijzen hierbij op de volgende passages uit de structuurvisie.

2.11.1. In de structuurvisie staat dat het behoud van voorzieningen in alle kernen belangrijk is voor de leefbaarheid. Om een goede bereikbaarheid zoveel mogelijk te garanderen krijgen voorzieningen een prominente plaats in het centrum van de verschillende kernen. Er wordt naar gestreefd om een compleet voorzieningenpakket aan te kunnen blijven bieden waarin alle sectoren vertegenwoordigd zijn.

Verder is in de structuurvisie aangegeven dat de karakteristieke uitstraling van de bestaande dorpslinten zoveel mogelijk in stand dient te blijven en dat de woon- en leefomgeving zal worden verbeterd.

Voorts staat in de structuurvisie dat de gemeente het streven naar een duurzaam milieu in de breedste zin als doelstelling voor het toekomstige milieubeleid hanteert. De aandacht gaat vooral uit naar beperking van de (milieu)hinder door bedrijvigheid, verkeer of anderszins (visueel of geuroverlast) door een stringente naleving van de milieuwetgeving en het handhavingsbeleid. De te hanteren afstanden die genoemd zijn in de VNG-brochure gelden als planologisch aandachtsgebied. In principe kunnen er binnen deze zonering geen milieugevoelige functies worden gevestigd.

2.11.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van De Schoof in het centrumgebied bijdraagt aan het doel om een compleet pakket aan voorzieningen te kunnen aanbieden. Voorts hebben [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat door het plan de bestaande dorpslinten worden aangetast en dat het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Voorts zal, zo volgt uit het rapport evaluatie verkeersveiligheidsplan, de verkeerssituatie rondom de huidige locatie van De Schoof verbeteren vanwege de verbreding van het Kerkelaantje. Ten aanzien van het beleid om naar een duurzaam milieu te streven, overweegt de Afdeling dat de raad de milieuaspecten in zijn belangenafweging heeft betrokken, waarbij gemotiveerd door middel van het daarbij betrekken van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek van de VNG-brochure is afgeweken.

2.11.3. Voorts overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de nieuwe locatie voor De Schoof niet past binnen het provinciaal beleid, feitelijke grondslag mist. In dit verband is ter zitting gebleken dat [appellant sub 1] en anderen zich in het beroepschrift niet hebben gebaseerd op een provinciale beleidsregel maar op een nieuwsbericht op de provinciale internetpagina.

Financiële uitvoerbaarheid

2.12. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat onvoldoende inzichtelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is. In dat verband voeren zij aan dat niet duidelijk is op welke wijze een planschaderisicoanalyse is gemaakt en of daarmee bij de financiële onderbouwing van het plan rekening is gehouden. Voorts is niet duidelijk of rekening is gehouden met de kosten die gemaakt moeten worden ter voorkoming van geluidhinder en verkeersonveiligheid en kosten ten behoeve van bodemsanering en aanpassing van het rioleringsstelsel.

2.12.1. In paragraaf 5.2 van de plantoelichting staat dat de gemeente budget beschikbaar heeft gesteld ten behoeve van de realisatie van De Schoof en dat de gemeente een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met de Woningstichting Het Grootslag en stichting De Schoof. Van de financiële paragraaf van deze overeenkomst heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen. Hierin staat dat de Woningstichting Het Grootslag bedragen zal activeren voor de bouw- en grondinvestering, waaronder, zo heeft de raad ter zitting gesteld, ook met alle kosten van de planrealisering rekening is gehouden. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben niet betoogd dat De Woningstichting Het Grootslag deze bedragen niet kan activeren.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2], onder verwijzing naar de "notitie akoestische aspecten Sociaal Cultureel Centrum De Schoof" van 10 november 2011 van de Nederlandse Stichting Geluidshinder, dat de exploitatie van De Schoof niet rendabel kan zijn in verband met de hoge kosten die moeten worden gemaakt voor geluidwerende voorzieningen in de grote zaal, respectievelijk de beperkingen van de exploitatiemogelijkheden van die zaal in verband met de optredende geluidsoverlast, overweegt de Afdeling als volgt. Woningstichting Het Grootslag is bekend met de beperkingen die volgen uit het Barim en het voorhanden zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden waardoor versterkte muziek in de grote zaal slechts beperkt mogelijk is. Voorts heeft zij zich op het standpunt heeft gesteld dat een rendabele exploitatie van De Schoof mogelijk is als wordt vastgehouden aan de geldende geluidsnormen. Dat volgens [appellant sub 2] de subsidie in de komende jaren zal worden verminderd, wat daar verder ook van zij, is een omstandigheid die dateert van na de datum van het nemen van het bestreden besluit en kan reeds daarom het bestreden besluit niet raken.

Conclusie

2.13. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij niet is voorzien in een gebruiksverbod voor sociaal-culturele activiteiten buiten gebouwen op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk", is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.13.1. De Afdeling ziet, mede naar aanleiding van het door de raad ter zitting daartoe gedane verzoek, aanleiding om zelf voorziend een planregel vast te stellen waarbij aan artikel 4, lid 4.5, van de planregels een bepaling onder d wordt toegevoegd waarbij het gebruik van de gronden voor sociaal-culturele doeleinden op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" buiten de gebouwen wordt verboden.

2.13.2. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen voor het overige en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is voor het overige en het beroep van [appellant sub 2] is geheel ongegrond.

Proceskosten

2.14. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Wervershoof van 20 mei 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kagerban Sociaal-Cultureel Centrum De Schoof", voor zover daarbij niet is voorzien in een gebruiksverbod van de gronden voor sociaal-culturele activiteiten buiten gebouwen op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk";

III. bepaalt dat aan de planregels artikel 4, lid 4.5, onder d, wordt toegevoegd en dat dit als volgt komt te luiden: het gebruik van de gronden waarop geen gebouwen zijn gerealiseerd ten behoeve van sociaal-culturele doeleinden;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] geheel en [appellant sub 1] en anderen voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Medemblik aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

533-675.