Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
201007000/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Landschappelijke Driehoek" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/1067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007000/1/R3.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Breda,

2. [appellant sub 2], wonend te Bavel, gemeente Breda,

3. de stichting Stichting Belangenbehartiging bewoners landschappelijke Driehoek, gevestigd te Breda,

4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], wonend te Breda,

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Landschappelijke Driehoek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, en [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2011, waar [appellant sub 2], [appellant sub 4A], die ook de stichting vertegenwoordigde, en de raad, vertegenwoordigd door P. Ruis en M. van Marrewijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actualisatie van het planologische regime voor de zogenoemde Landschappelijke Driehoek in het zuidoosten van Breda. Het plan maakt onder meer de bouw van een retraitehotel en realisatie van een buitenplaats mogelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de regeling in het plan voor zijn perceel [locatie], voor zover daarbij niet is voorzien in de mogelijkheid van woningbouw. Gezien de locatie van het perceel tussen de Beukenlaan, de Loevesteinstraat en de Franklin Rooseveltlaan stelt [appellant sub 1] dat de door hem voorgestane ontwikkelingen niet tot hinder zullen leiden. Voorts voert hij aan dat in de nabije omgeving van zijn perceel wel nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. In dit verband wijst hij op de geplande hoogbouw in het kader van het zogenoemde plan Stack aan de Loevesteinstraat en op de locatie aan de Franklin Rooseveltlaan.

2.2.1. Volgens de raad strekt het provinciale beleid voor de Landschappelijke Driehoek zoals opgenomen in het Uitwerkingsplan Breda-Tilburg (2004), waaraan de raad zich heeft geconformeerd, ertoe dat nieuwe ontwikkelingen alleen worden verbonden aan groen-stedelijke functies zoals het in het plan voorziene sportpark Jeka en de buitenplaats. De plannen van [appellant sub 1] zijn in strijd met dit beleid nu zij leiden tot toename van verstedelijking en aantasting van landschappelijke kwaliteiten, aldus de raad.

Daarnaast is volgens de raad bij de actualisatie van het gemeentelijke woningbouwprogramma duidelijk geworden dat binnen de gemeente Breda voor de komende tien jaar voldoende planologische ruimte beschikbaar is voor woningbouw. Voor de periode tot 2020 zijn voldoende woningen opgenomen in de in voorbereiding zijnde visies en bestemmingsplannen. Woningbouw kan slechts worden toegelaten in gebieden waar dit noodzakelijk of nadrukkelijk gewenst is. Het gaat daarbij om een kwalitatieve impuls van het ruimtegebruik, aldus de raad.

2.2.2. De raad heeft zich gelet op de hiervoor weergegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij in de enkele stelling van [appellant sub 1] dat zijn perceel geschikt is voor woningbouw geen aanleiding heeft behoeven te zien om van het gemeentelijke beleid en het woningbouwprogramma af te wijken.

2.2.3. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de geplande hoogbouw in het kader van het zogenoemde plan Stack en op de locatie aan de Franklin Rooseveltlaan wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie.

Volgens de raad vormt de Loevesteinstraat in de structuurvisie IJpelaar van juni 2004 de grens tussen het open agrarische gebied, waaronder de Landschappelijke Driehoek, en de rand van de wijk IJpelaar. Dit gebied en deze wijk bevinden zich aan de oostzijde onderscheidenlijk de westzijde van de Loevesteinstraat. Ter plaatse van de rand van de wijk IJpelaar wordt de bestaande bebouwing verdicht en de realisatie van het plan Stack maakt deel uit van deze verdichting. Het perceel van [appellant sub 1] is evenwel gesitueerd aan de oostzijde van de Loevesteinstraat en komt derhalve niet in aanmerking voor woningbouw.

De raad heeft verder gesteld dat intensivering van verstedelijking volgens de nota Ruimtelijke verkenningen stadsas Claudius Prinsenlaan uit 2001 alleen is voorzien aan de noordzijde van de Franklin Rooseveltlaan. Het perceel van [appellant sub 1] ligt aan de zuidzijde van de Franklin Rooseveltlaan.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.2.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, in zoverre, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.2.5. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B]

2.3. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] komen op tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", voor hun perceel [locatie], voor zover in de planregels niet is voorzien in de splitsing van de bestaande woning in twee woningen. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] stellen dat hun pand sinds 1990 door twee families wordt bewoond en dat 60% van het pand historische waarde heeft. Zij voeren aan dat ingeval in dit pand twee afzonderlijke woningen worden toegestaan meer zekerheid bestaat over het behoud hiervan, omdat de kosten van onderhoud en herstel dan kunnen worden gedeeld. Voorts zijn volgens hen in het pand reeds twee wooneenheden aanwezig en is een bouwkundige aanpassing niet nodig. Het als zodanig bestemmen van deze wooneenheden stuit verder niet op bezwaren ten aanzien van de inpasbaarheid in de omgeving, aldus [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B].

2.3.1. Volgens de raad is de Landschappelijke Driehoek in het Uitwerkingsplan Breda-Tilburg (2004) aangeduid als een zogenoemde stedelijk groene drager. Dit houdt in dat stedelijke functies in dit gebied mogen worden ingepast, mits het groene karakter van het gebied gewaarborgd blijft. De plannen van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] zijn in strijd met dit ook door de raad onderschreven beleid, nu zij in juridisch-planologische zin leiden tot een toename van bebouwingsmogelijkheden en verstedelijking en landschappelijke kwaliteiten hierdoor worden verstoord.

Toevoeging van woningen door splitsing is volgens de raad alleen mogelijk ten aanzien van panden die aangemerkt zijn als rijksmonument of gemeentelijk monument. Hierdoor kunnen de kosten van onderhoud worden gedeeld, hetgeen kan bijdragen aan het behoud van deze panden. Ten aanzien van panden die niet als monument zijn aangemerkt geldt dat splitsing geen meerwaarde heeft, aldus de raad.

2.3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] niet is aangemerkt als rijksmonument of gemeentelijk monument. In hetgeen [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het gevoerde beleid ten aanzien van het toestaan van nieuwe bebouwingsmogelijkheden. Hierbij is van belang dat het planologisch mogelijk maken van twee woningen op het betrokken perceel kan leiden tot het benutten van daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden. In het betoog dat het pand door twee families wordt bewoond heeft de raad geen aanleiding behoeven te zien om voor het pand woningsplitsing toe te staan, nu de feitelijke situatie niet van doorslaggevende betekenis is bij het toekennen van een bestemming. Dat, naar gesteld, voor twee woningen heffingen worden betaald, betekent niet dat twee woningen onder het vorige bestemmingsplan waren toegestaan. Dat het pand volgens [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] grotendeels historische waarde heeft en met twee wooneenheden inpasbaar is in de omgeving heeft de raad evenmin van doorslaggevende betekenis behoeven te achten. De raad heeft aan het belang bij het voorkomen van toename van verstedelijking en verstoring van landschappelijke kwaliteiten in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen dan aan de belangen van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] bij het toestaan van splitsing.

2.3.3. In hetgeen [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, in zoverre, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] is ongegrond.

2.3.4. Ten aanzien van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beroepen van [appellant sub 2] en de stichting

2.4. De beroepen van [appellant sub 2] en de stichting zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Horeca (H)" ter hoogte van de kruising tussen de Seminarieweg en het Koolpad. [appellant sub 2] vreest dat de regeling voor een retraitehotel tot aantasting van cultuurhistorische waarden en het woon- en leefklimaat in de Landschappelijke Driehoek zal leiden. Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat het begrip retraitehotel in artikel 1, onder 1.73, van de planregels te ruim is omschreven waardoor volgens hem ten onrechte permanente bewoning mogelijk wordt gemaakt. Voorts is volgens [appellant sub 2] op grond van dit artikel en gezien paragraaf 2.5 van de plantoelichting niet gewaarborgd dat de bij het retraitehotel behorende vergader- en conferentieruimten ten dienste moeten staan van het retraitehotel en is in de planregels de capaciteit van deze voorzieningen daarom ten onrechte niet begrensd. Verder is het ambitieniveau van het retraitehotel ten onrechte niet in het plan vastgelegd.

Voorts voert [appellant sub 2] aan dat het plan ten onrechte in minimaal 300 hotelkamers voorziet. Vanwege dit aantal had de raad volgens [appellant sub 2] een begrenzing moeten aanbrengen van het brutovloeroppervlak van het retraitehotel en de omvang van bijbehorende congresruimten. Voorts had de raad een maximaal aantal bouwlagen, inclusief één parkeerlaag, in het plan moeten vastleggen.

Ook voeren [appellant sub 2] en de stichting aan dat in de planregels ten onrechte niet is voorzien in een maximum aantal ondergrondse parkeerplaatsen ter voorkoming van een zelfstandige congresruimte. Volgens [appellant sub 2] dient het maximum aantal parkeerplaatsen, in het bijzonder vanwege de mogelijkheid tot de bouw van meerdere parkeerlagen, afhankelijk te worden gesteld van de maximale capaciteit van het retraitehotel om verkeershinder te voorkomen. Volgens [appellant sub 2] dient in het plan ook een minimum aantal parkeerplaatsen te worden vastgelegd om te voorkomen dat op niet daarvoor bestemde plaatsen wordt geparkeerd.

2.4.1. De raad heeft gesteld dat de regeling in het plan voor het retraitehotel is toegespitst op een verleende vrijstelling en bouwvergunning. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat geen verdere begrenzing ten aanzien van het brutovloeroppervlak van het retraitehotel en de omvang van de bijbehorende voorzieningen in het plan behoeven te worden opgenomen, nu op het plandeel andere hoofdfuncties dan een retraitehotel niet zijn toegestaan en evenmin de bouw van 300 hotelkamers. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het retraitehotel niet tot een onevenredige toename van het verkeer zal leiden.

2.4.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Horeca (H)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een retraitehotel;

b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, architectonische en abiotische waarden;

c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "zwembad" voor een zwembad;

d. nutsvoorzieningen;

e. parkeren, hoofdzakelijk ondergronds, met maximaal circa 35 parkeerplaatsen op maaiveldniveau;

f. groen;

g. water.

Ingevolge artikel 1, onder 1.73, van de planregels wordt onder een retraitehotel verstaan een hotel waarbij de nadruk ligt op rust en ontspanning, met de daarbij behorende voorzieningen zoals een restaurant, wellnesscentrum, vergader- en congresfaciliteiten en sportvoorzieningen zoals tennisbanen en een zwembad.

2.4.3. Het betoog van [appellant sub 2] dat de omschrijving van retraitehotel in artikel 1, onder 1.73, van de planregels gewijzigd dient te worden, omdat hierdoor permanente bewoning mogelijk wordt gemaakt, kan niet worden gevolgd. Anders dan [appellant sub 2] stelt, voorziet artikel 1, onder 1.73 niet in appartementen met hoteldienstverlening. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.4.4. Gelet op artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 1, onder 1.73, van de planregels heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de bij het retraitehotel behorende voorzieningen, waaronder vergader- en congresruimten, niet als hoofdfunctie, maar alleen als aan het hotel ondergeschikte nevenactiviteit zijn toegestaan.

Voorts heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het ambitieniveau van het hotel ruimtelijk niet relevant is en dat dit niet in het plan kan worden vastgelegd. Bovendien is in het plan duidelijk omschreven welke hotelvorm is toegestaan.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, sub b, van de planregels mag binnen het bouwvlak een retraitehotel worden opgericht met maximaal 135 hotelkamers. Derhalve is de stelling van [appellant sub 2] dat het plan in minimaal 300 kamers voorziet onjuist.

2.4.5. Gelet op het aantal van 135 hotelkamers dat maximaal is toegestaan en de ondergeschikte functie van de vergader- en congresruimten heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om verdergaande beperkingen in het plan op te nemen ten aanzien van het brutovloeroppervlak van het retraitehotel en de omvang van vergader- en congresruimten. Evenmin heeft de raad in redelijkheid aanleiding behoeven te zien om een begrenzing aan te brengen in het bouwvolume van het retraitehotel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze nauwelijks afwijkt van het bouwvolume in het bouwplan voor het retraitehotel waarvoor met een onherroepelijke vrijstelling van het vorige bestemmingsplan een bouwvergunning is verleend welke voor rechtmatig moet worden gehouden. Bovendien is niet aannemelijk dat opname van een maximum aantal ondergrondse parkeerlagen gelet op de hotelcapaciteit en de ondergeschiktheid van de bijbehorende congresvoorzieningen, noodzakelijk is.

Verder heeft de raad geen aanleiding behoeven te zien om in het plan een minimum aantal parkeerplaatsen vast te leggen, nu ingevolge artikel 21, lid 21.1, onder a, van de planregels bij het bouwen te allen tijde dient te worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van de normering inzake parkeren is vastgelegd in de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda, zoals vastgesteld op 10 september 2004.

2.5. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat in het plan dient te worden voorzien in een parkeerverbod op openbaar terrein en een afsluiting van de Seminarieweg ter hoogte van de kunstacademie Sint Joost ter voorkoming van verkeershinder. Volgens de stichting dient ook een nader verkeersonderzoek te worden verricht vanwege het voorziene retraitehotel.

2.5.1. In het kader van de vrijstellingsprocedure voor de realisatie van het voorziene retraitehotel is een verkeersonderzoek verricht. Volgens het verweerschrift volgt uit dit onderzoek dat, gelet op onder meer het verwachte aantal verkeersbewegingen en de opbouw van de bestaande wegprofielen en toegangswegen en indien volgens het circulatieplan wordt gereden, geen aanpassingen zijn vereist van de bestaande wegen, waaronder het Koolpad dat als ontsluitingsroute wordt aangemerkt.

Nu de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, bestaat er geen aanleiding om dit standpunt van de raad onjuist te achten.

2.5.2. Volgens de raad leidt de bestaande verkeersafwikkeling niet tot problemen en worden de verkeersintensiteiten gecontroleerd. Voor zover nodig zullen er verkeersmaatregelen worden getroffen, aldus de raad.

De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verkeersmaatregelen, in dit geval het door [appellant sub 2] voorgestane parkeerverbod op openbaar terrein en een afsluiting van de Seminarieweg ter hoogte van de kunstacademie Sint Joost, niet thuis horen in het plan. Niet is gebleken dat het plan aan het treffen van die maatregelen in de weg staat.

2.6. Het beroep van [appellant sub 2] is voorts gericht tegen artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder d, van de planregels waarin parkeren op gronden met een verkeersbestemming mogelijk wordt gemaakt. Volgens [appellant sub 2] staat een parkeerfunctie in de weg aan het toekomstige parkeerbeleid ter plaatse van de Seminarieweg en leidt deze functie tot ongewenst parkeren.

2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat parkeren deel uit maakt van de verkeersfunctie en dat derhalve in dit gebruik dient te worden voorzien.

De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Zoals overwogen onder 2.5.2 horen verkeersmaatregelen ter voorkoming van ongewenst parkeren niet thuis in het plan.

2.7. Voorts zijn de beroepen van de stichting en van [appellant sub 2] gericht tegen artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels waarin een bevoegdheid is opgenomen voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-L)" in "Maatschappelijk (M)" ten behoeve van een zogenoemde buitenplaats. Daartoe voert de stichting aan dat de regeling voor de maatschappelijke bestemming te vaag is en dat deze ongewenste ontwikkelingen mogelijk maakt.

2.7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.2, aanhef, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied" de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-L)" te wijzigen in "Maatschappelijk (M)" met inachtneming van de in dit lid genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Maatschappelijk (M)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen;

b. nutsvoorzieningen;

met daarbij behorend:

c. parkeren;

d. wegen, paden en tuinen;

e. groen;

f. speelvoorzieningen;

g. water.

Ingevolge artikel 1, onder 1.63, wordt onder maatschappelijke voorzieningen verstaan: voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, medisch, paramedisch, cultuur, religie, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren.

2.7.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels het plan kan wijzigen binnen de bij het plan te bepalen grenzen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid.

2.7.3. Hetgeen de stichting heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de maatschappelijke bestemming en de daaronder begrepen voorzieningen, die met name zijn genoemd en als bekend mogen worden verondersteld, voldoende duidelijk is. De stichting heeft haar stelling dat de maatschappelijke bestemming te vaag is niet nader onderbouwd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat 'maatschappelijke voorzieningen' in bestemmingsplannen een gebruikelijke benaming voor een bestemming is.

2.7.4. Voorts heeft de raad in zijn afweging over de wenselijkheid van de buitenplaats in redelijkheid kunnen betrekken dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan de sociale veiligheid en dat met de opbrengsten hiervan de aanleg van groen en water op en rondom het naastgelegen sportpark kan worden gefinancierd. Ook heeft hij in zijn afweging kunnen betrekken dat met een buitenplaats een optimaal gebruik van omliggende voorzieningen, alsmede de verbetering van het uitzicht vanaf de lintbebouwing worden bevorderd. De raad heeft in de enkele stelling van de stichting dat voorzieningen binnen de maatschappelijke bestemming als ongewenst en onnodig worden ervaren in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om de wijzigingsbevoegdheid niet in het plan op te nemen.

2.7.5. Wat betreft de in artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels voorziene wijzigingsbevoegdheid voeren [appellant sub 2] en de stichting verder aan dat de verkeerstoename als gevolg van de buitenplaats niet is onderzocht. Dit klemt volgens hen temeer nu deze locatie ook te maken krijgt met verkeer vanwege de groei van de sportlocatie en voor het Koolpad geen verkeersonderzoek is verricht.

2.7.6. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.2, aanhef onder e, van de planregels mogen de te ontwikkelen activiteiten ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied" geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse in het gedrang komt. Gelet hierop en gelet op het voor het retraitehotel verrichte verkeersonderzoek waarbij het Koolpad is betrokken, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid, waarvan de concrete invulling nog onduidelijk is, geen verkeersonderzoek behoefde te worden verricht.

2.7.7. In hetgeen [appellant sub 2] en de stichting hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, in zoverre, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 2] en de stichting zijn ongegrond.

2.7.8. Ten aanzien van [appellant sub 2] en de stichting bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

429-629.