Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
201007061/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "5e herziening van het bestemmingplan Buitengebied (voormalige gemeente) Nieuwleusen, Windenergie" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/1068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007061/1/R4.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

2. [appellant sub 2], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

4. [appellant sub 4], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]) wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

7. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

en

de raad van de gemeente Dalfsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "5e herziening van het bestemmingplan Buitengebied (voormalige gemeente) Nieuwleusen, Windenergie" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. T.J. Katuin en A. Oosterbaan, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. H.U. van der Zee, en de raad, vertegenwoordigd door L.B. van Dam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Westenwind Dalfsen B.V., vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Timmermans, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan maakt de oprichting van vier windturbines in lijnopstelling mogelijk in het gebied Nieuwleusen-west, ten noordwesten van Dalfsen, langs en parallel aan de spoorlijn Zwolle - Meppel. De in het plan voorziene windturbines hebben een ashoogte van 85 meter, een rotordiameter van 82 meter en een tiphoogte van 126 meter. Parallel aan de in het plan voorziene lijnopstelling van vier windturbines voorziet het bestemmingsplan "Windpark Tolhuislanden" op 550 afstand in een lijnopstelling van vier windturbines in de gemeente Zwolle.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 8.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake vaststelling van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een aantal appellanten niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Hiertoe verwijst de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 in zaak nr. 200806507/1/R1, betreffende het bestemmingsplan "Buitengebied Windturbinepark" van de gemeente Hattem.

2.2.2. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6A], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] wonen op een afstand variërend van ongeveer 1330 meter tot 1600 meter van het plangebied. Gezien de ruimtelijke uitstraling van de windturbines en de plaatsing in het vlakke en open landschap zijn deze afstanden in dit geval te groot om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee moet worden geoordeeld dat, ondanks deze afstand, een eigen, persoonlijk belang van hen rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kunnen zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt, zodat zij aan artikel 8.2 van de Wro geen recht tot het instellen van beroep kunnen ontlenen. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], en het beroep van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A], zijn derhalve niet-ontvankelijk.

Zienswijze

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de wijze waarop de raad de door hem naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld niet zorgvuldig is. In dit verband voert hij aan dat de raad bij de beantwoording van de zienswijzen verwijst naar de Nota van Inspraak en Overleg terwijl deze niet bij iedereen bekend is en ook niet bij de beantwoording is toegezonden.

2.3.1. Volgens de raad wordt, aangezien veel zienswijzen nagenoeg dezelfde inhoud hadden als de inspraakreacties in de Nota van Zienswijzen en Kennisgeving, in een aantal gevallen verwezen naar de Nota van Inspraak en Overleg. De raad wijst erop dat aan alle appellanten de Nota van Inspraak en Overleg is toegezonden. Voorts maakte volgens de raad de Nota van Inspraak en Overleg onderdeel uit van de stukken die bij het ontwerp en het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen en via de website te raadplegen waren.

2.3.2. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Nota van Inspraak en Overleg niet ter inzage is gelegd. Gelet daarop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad bij de beantwoording van de ingediende zienswijzen niet naar die nota heeft mogen verwijzen.

Wijziging ontwerpplan

2.4. [appellant sub 6B] en [appellant sub 5] betogen dat de raad niet zorgvuldig heeft gehandeld door het plan ambtshalve te wijzigen ten opzichte van het ontwerp wat betreft de planologische regeling van het agrarisch bedrijf en de bedrijfswoning aan de Nieuwendijk 3. [appellant sub 6B] voert in dit verband aan dat de wijziging had moeten worden meegenomen in de voorbereidingsprocedure. Volgens [appellant sub 5] is het op dit punt vastgestelde beleid niet consequent toegepast.

2.4.1. De raad stelt dat niet onzorgvuldig is gehandeld door het agrarisch bedrijf en de bedrijfswoning aan de Nieuwendijk 3 in het bestemmingsplan mee te nemen. Volgens de raad wordt enkel het gebruik van de bedrijfswoning opnieuw bestemd. Planologisch is dit volgens de raad een ondergeschikte wijziging die meegenomen is bij de vaststelling van het plan. Voor de vestiging van het agrarisch bedrijf is volgens de raad een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld dat inmiddels onherroepelijk is geworden.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp kan aanbrengen. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke voorbereidingsprocedure opnieuw te worden doorlopen.

Het bestemmingsplan "Buitengebied (voormalig) gemeente Nieuwleusen, partiële herziening Nieuwendijk" waarin de vestiging van het agrarisch bedrijf en de bedrijfswoning aan de Nieuwendijk 3 is geregeld, is na de terinzagelegging van het ontwerp van het onderhavig plan onherroepelijk geworden. Het perceel Nieuwendijk 3 is met het bestreden besluit onder het plangebied van onderhavig plan gebracht om de woning ten behoeve van het windturbinepark als bedrijfswoning te mogen gebruiken. De vaststelling van het onderhavig plan heeft geen planologische wijziging van dit perceel met zich gebracht behoudens dat de bij het agrarisch bedrijf behorende bedrijfswoning tevens als bedrijfswoning ten behoeve van de windturbines mag worden gebruikt. Naar het oordeel van de Afdeling is de gewijzigde vaststelling van het plan naar aard en omvang niet zodanig dat een wezenlijk ander plan voorligt. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zijn beleid niet consequent heeft toegepast.

Milieueffectrapportage

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de oprichting van het onderhavige windturbinepark en de oprichting van het windturbinepark in de Tolhuislanden vanwege de onderlinge samenhang tezamen voor de MER als één activiteit moeten worden beschouwd. In dit verband voert [appellant sub 1] aan dat de gemeente Dalfsen en de gemeente Zwolle samen hebben deelgenomen aan het onderzoek "Windenergie in Noordoost Overijssel" van april 2003 en in december 2006 samen de notitie "Samen sterk voor Windenergie-Windturbines in Zwolle en Dalfsen" hebben uitgebracht. In deze notitie worden beide windparken volgens [appellant sub 1] beschreven als één project. Voorts voert [appellant sub 1] in dit verband aan dat beide windturbineparken gebruik zullen maken van een gezamenlijke infrastructuur met betrekking tot levering van elektriciteit aan het net.

2.5.1. De raad stelt dat er geen functionele, technische en organisatorische samenhang bestaat tussen het windturbinepark in de Tolhuislanden en het onderhavige windturbinepark.

2.5.2. Ter beoordeling staat of de oprichting van het windturbinepark in de Tolhuislanden en van het onderhavige windturbinepark tezamen als één activiteit als bedoeld in het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) moeten worden aangemerkt. Uit de toelichting van het plan komt naar voren dat de windturbineparken worden opgericht en geëxploiteerd door twee verschillende vennootschappen. Ter zitting heeft de initiatiefnemer van het onderhavige windturbinepark, Westenwind Dalfsen B.V., gemotiveerd uiteengezet dat beide windturbineparken separate aansluitingen op het elektriciteitsnet krijgen en dat het feit dat de planvorming van de windturbineparken en de daarvoor benodigde onderzoeken samen hebben gelopen voortvloeit uit provinciaal beleid en plaats heeft gevonden vanwege mogelijke cumulatieve effecten en niet vanwege enige organisatorische samenhang tussen beide windturbineparken.

Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk geworden dat een zodanige samenhang tussen de windturbineparken bestaat dat de oprichting daarvan dient te worden aangemerkt als één activiteit als bedoeld in het Besluit.

Nut en noodzaak van het plan

2.6. [appellant sub 1] en [appellant sub 6B] betwisten het nut en de noodzaak van het plan. In dit verband voert [appellant sub 1] aan dat windturbines vanwege de afhankelijkheid van de wind geen constante leverancier van energie zijn hetgeen tot technische problemen kan leiden. In dit verband voert [appellant sub 6B] aan dat de netto-opbrengst van het windpark niet duidelijk is. Hierbij wijst [appellant sub 6B] op de wisselende getallen met betrekking tot het aantal huishoudens dat van energie kan worden voorzien en dat niet blijkt of bij de berekening van de netto-opbrengst rekening is gehouden met het feit dat mensen, bij stilstand van de windturbines een beroep doen op andere energiebronnen.

2.6.1. De raad stelt dat het plan past binnen de doelstelling van het rijksbeleid, die geformuleerd is in het werkprogramma Schoon en Zuinig om in 2020, 6000 Megawatt (MW) aan windenergie op land te realiseren. Het provinciebestuur van Overijssel heeft het gebied Nieuwleusen-West aangewezen als kansrijk voor windenergie. Het provinciebestuur heeft zich in het Energiepact Overijssel ten doel gesteld in 2020 tenminste 80 MW aan windenergie voor Overijssel te realiseren. Deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid bij de besluitvorming kunnen betrekken.

In het plan-MER is een gedetailleerde berekening gemaakt van de netto-energieopbrengst van de windturbines die in het windturbinepark worden geplaatst. De berekening is gemaakt op basis van windmetingen waarbij rekening is gehouden met zogenoemde zogeffecten vanwege het feit dat de windturbines in een park worden geplaatst, geluidcompenserende maatregelen en stilstand om te kunnen voldoen aan de normen voor slagschaduw. Uit de berekening is naar voren gekomen dat de netto-energieopbrengst van een windturbine in het onderhavige windturbinepark 5969 MWh per jaar bedraagt. Dat de raad wisselende getallen heeft genoemd met betrekking tot het aantal huishoudens dat van energie kan worden voorzien door het onderhavige windturbinepark maakt het bovengenoemde resultaat aan netto-energieopbrengst niet anders. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat bij de berekening van de netto-energieopbrengst van een windturbine moet worden betrokken dat mensen bij stilstand een beroep moeten doen op andere energiebronnen. Bij de berekening van de netto-energieopbrengst is reeds het windaanbod betrokken. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 6B] hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in het plan-MER gemaakte berekening. Ook bestaat er geen aanleiding voor de verwachting dat het gebruik van het windturbinepark tot zodanige technische problemen leidt dat de raad het plan niet aldus heeft mogen vaststellen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan nut en noodzaak van het in het plan voorziene windturbinepark niet behoefde te worden getwijfeld.

Rijks- en provinciaal beleid en Omgevingsverordening

2.7. [appellant sub 6B] betoogt dat de windmolens in strijd met het provinciaal beleid binnen een ganzengebied zijn geplaatst, aangezien windturbines leiden tot een aantasting van de openheid en rust in het gebied. Voorts voert [appellant sub 6B] aan dat in strijd met het provinciale beleid de windturbines niet worden geplaatst langs reeds bestaande infrastructurele voorzieningen die al verstoring voor vogels geven. [appellant sub 1] betoogt dat het plan niet voldoet aan het in het rijks- en provinciaal beleid neergelegde uitgangspunt tot bundeling te komen in combinatie met bestaande grootschalige infrastructuur en bedrijventerreinen. Hij voert aan dat in het plan weliswaar is aangesloten bij beeldbepalende elementen maar dat deze niet te vergelijken zijn met de maatvoering van de turbines. [appellant sub 5] en [appellant sub 1] voeren aan dat het in het plan voorziene windpark in strijd met provinciaal beleid niet landschappelijk is afgestemd met het windturbinepark in de Tolhuislanden in Zwolle en met een windturbinepark in Staphorst nu deze binnen 4 kilometer van het plangebied liggen. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 5] wordt in strijd met het provinciaal beleid de voorgeschreven minimale afstand van 1,5 kilometer tot de lijnopstelling van windturbines binnen het windturbinepark in de Tolhuislanden niet in acht genomen. Volgens [appellant sub 1] is de geprojecteerde plaatsing van de windturbines ook op meerdere punten in strijd met de "Richtlijnen beeldkwaliteit" uit het rapport Windenergie in Noordoost Overijssel van april 2003 dat in opdracht van de provincie door Royal Haskoning is uitgevoerd. [appellant sub 5] betoogt dat de randvoorwaarde dat in "zoekgebied met beperkingen" de windmolens langs verstorende infrastructuur moeten worden geplaatst ten onrechte wordt gesteld nu daar in het rapport van Royal Haskoning niets over gezegd is. Ten slotte voert [appellant sub 1] aan dat het plan niet had mogen worden vastgesteld voordat op nationaal niveau gebieden zijn vastgesteld die in aanmerking mogen komen voor het plaatsen van windturbines.

2.7.1. Volgens de raad is het provinciaal beleid verankerd in de Omgevingsvisie Overijssel en in de Omgevingsverordening Overijssel 2009. De raad wijst erop dat, hoewel het gebied in de Omgevingsvisie is aangewezen als "ganzengebied", windenergie in deze gebieden niet op voorhand is uitgesloten maar de aanvaardbaarheid daarvan per locatie dient te worden onderzocht. Het plan voldoet volgens de raad aan de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie nu het plangebied is aangemerkt als "kansrijk zoekgebied windenergie" en het windpark bestaat uit een cluster van minimaal 4 windturbines. Volgens de raad behoefde geen rekening te worden gehouden met verkenningen die worden uitgevoerd met betrekking tot vaststelling van nieuw rijksbeleid waarbij gebieden worden aangewezen voor het plaatsen van windturbines.

2.7.2. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd met bestaand of toekomstig rijksbeleid is vastgesteld overweegt de Afdeling dat aan dit betoog voorbij moet worden gegaan nu niet is vermeld op welk rijksbeleid het betoog is gebaseerd.

2.7.3. De Partiële streekplanherziening is met de inwerkingtreding van de Omgevingsvisie Overijssel op 1 september 2009 komen te vervallen. De Omgevingsvisie is een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro en was ten tijde van het bestreden besluit van kracht. De raad dient rekening te houden met het provinciale beleid dat is opgenomen in een structuurvisie, zoals de Omgevingsvisie, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

De Omgevingsverordening is een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wro. Het ontwerp van het plan heeft na de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening ter inzage gelegen. Derhalve is de raad op grond van artikel 4.1 van de Wro bij de vaststelling van het plan aan de Omgevingsverordening gebonden.

2.7.4. In de Omgevingsverordening is met betrekking tot de oprichting van windturbines in artikel 2.15.3 opgenomen dat windturbines met een tiphoogte hoger dan 25 meter alleen opgericht mogen worden binnen windparken. Uit de toelichting op de Omgevingsverordening komt naar voren dat windparken minimaal uit vier turbines moeten bestaan. Voort is hierin opgenomen dat in alle gevallen toegelicht zal moeten worden hoe de plaatsing van windturbines zich verhoudt tot de aanwezige gebiedskenmerken. In de Omgevingsvisie is met betrekking tot de oprichting van windturbines in paragraaf 4.8.1 opgenomen dat zowel in het buitengebied als op bedrijventerreinen van een goed landschappelijk ontwerp conform de gebiedskenmerken wordt uitgegaan.

De windturbines worden opgericht binnen een windpark van vier windturbines. In de plantoelichting is beschreven dat rekening is gehouden met de bestaande lijn in het landschap door de vier windturbines evenwijdig aan de spoorlijn Zwolle-Assen, in een lijnopstelling te realiseren. Daarnaast volgt uit deze beschrijving dat er is gekozen voor de combinatie van de windparken Tolhuislanden en Nieuwleusen-West, gesitueerd als twee lijnopstellingen evenwijdig aan elkaar aan weerszijden van het spoor van gelijke grootte en oriëntatie, om verrommeling en versnippering van het landschap te voorkomen.

2.7.5. Het plangebied is in de Omgevingsvisie aangewezen als ganzengebied, maar valt tevens binnen het gebied dat is aangemerkt als "kansrijk zoekgebied windenergie". In paragraaf 4.3.2 van de Omgevingsvisie is als hoofdlijn van beleid opgenomen dat binnen ganzengebieden geen aantasting van de openheid en rust plaatsvindt, maar daarbij is tevens gesteld dat windenergie in deze gebieden niet op voorhand is uitgesloten en dat dit per locatie dient te worden onderzocht. In het rapport "Beoordeling van effecten op vogels en overige fauna en flora van windpark Westenwind" van Bureau Waardenburg B.V. van 15 april 2009 is geconcludeerd dat het verstorende effect van de geplande windturbines op onder meer ganzen, mede gezien de aanwezigheid van een spoorlijn en hoogspanningsmasten langs de westzijde van het in het plan voorziene windpark, zeer gering is. Daarbij is aangegeven dat buiten het effectgebied voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden voor deze vogels aanwezig zijn. Ook is gesteld dat de rust/slaapplaatsen en foerageergebieden van ganzen voornamelijk ten zuidwesten van het plangebied liggen, zodat geen sprake is van barrièrewerking als gevolg van de geplande windturbines.

2.7.6. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 6B] hebben betoogd, ziet de Afdeling gezien het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met de provinciale Verordening heeft vastgesteld of dat de raad het provinciale beleid onvoldoende in zijn afwegingen heeft betrokken. Het rapport Windenergie in Noordoost Overijssel van Royal Haskoning van april 2003 brengt in dit oordeel geen verandering, omdat dit rapport niet het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid weergeeft.

Geluid

2.8. [appellant sub 1] betoogt dat het akoestisch onderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd niet deugdelijk is. In dit verband voert hij aan dat voor de bepaling van de geluidsbelasting ten onrechte de windnormcurve WNC 40 (hierna: de windnormcurve) uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim) is gehanteerd. Volgens [appellant sub 1] dient te worden uitgegaan van de normstelling voor een landelijke omgeving die wordt aanbevolen in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Voorts stelt hij dat, aangezien uit diverse onderzoeken is gebleken dat tonaal en impulsgeluid kan voorkomen bij windturbines, op grond van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999

(hierna: de Handleiding) een straftoeslag van 5 dB(A) dient te worden toegepast. Daarnaast voert [appellant sub 1] aan dat het gehanteerde bronniveau van de windturbines ten onrechte is gebaseerd op het type Enercon E82 met een vermogen van 2 MW terwijl in het windpark type Enercon E82 met een vermogen van 3 MW wordt geplaatst. Volgens [appellant sub 1] dient, omdat van de 3 MW versie nog geen gecertificeerde berekeningen bekend zijn, een veiligheidsmarge toegepast te worden om er zeker van te zijn dat geen overschrijding van de norm zal plaatsvinden. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat ten onrechte overschrijdingen van de grenswaarde van 40 dB(A) bij

ten minste 13 woningen worden toegestaan. [appellant sub 1] voert daarnaast aan dat, om rekening te houden met de atmosferische condities die vaak 's avonds en 's nachts bij rustig weer optreden, ten onrechte een windsnelheid van 5 m/s als bepalend voor de overschrijding van de windnormcurve is beschouwd. Volgens [appellant sub 1] zijn deskundigen van mening dat de kritische bronsterkte ligt bij 4 m/s en dat de norm 1 dB lager ligt. Ten slotte voert [appellant sub 1] aan dat in het akoestisch onderzoek de invloed van de nabijgelegen snelweg A28 ten onrechte niet is betrokken.

2.8.1. De raad stelt dat de windnormcurve uit het Barim de voor het windpark geldende wettelijke norm is. Volgens de raad heeft onderzoek aangetoond dat windturbinegeluid geen impulsgeluid is en dat geen sprake is van tonaliteit. De raad wijst erop dat in het akoestisch onderzoek voor de bronsterkte gebruik is gemaakt van gegevens omtrent de Enercon E82 3 MW turbine waarbij wordt uitgegaan van de bronsterkte bij 95% van de maximale vermogensopbrengst. Aangezien er geen bronsterktes bij overige windsnelheden zijn opgenomen, is voor het bepalen van de windsnelheids-gewogen bronsterkte gebruik gemaakt van de bekende gegevens van een ander type Enercon turbine. Zelfs als uit aanvullende metingen blijkt dat de bronsterkte toch hoger uitkomt dan waarmee gerekend is moet altijd nog voldaan worden aan de wettelijke geluidsnorm ter plaatse van de woningen. Dit betekent volgens de raad dat altijd de berekende maximale bronsterktes in het akoestisch onderzoek in acht moeten worden genomen. Volgens de raad is in het akoestisch onderzoek voldoende rekening gehouden met onzekerheden. De raad stelt dat uit vele metingen van technisch bureau LBP is gebleken dat de werkelijke bronsterktes goed overeenkomen met de door de fabrikant opgegeven bronsterktes.

Volgens de raad kan met de extra maatregel "knijpen" of het toepassen van een stilstandregeling worden voldaan aan de geluidsnormen ter plaatse van de woningen waar overschrijdingen worden geconstateerd.

Ten slotte is volgens de raad uit vergelijkingen met werkelijk gemeten windsnelheden gebleken dat de berekeningen aansluiten bij werkelijk voorkomende windprofielen.

2.8.2. Het windpark is een type B inrichting, als bedoeld in artikel 1.2 van het Barim. Dit betekent dat het windpark op grond van artikel 1.4, tweede lid, onder de werkingsfeer van het Barim valt zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voor de windturbines gelden dientengevolge de geluidgrenswaarden zoals neergelegd in de artikelen 2.17 en volgende (oud) van het Barim. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Barim, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ingevolge artikel 3.15, derde lid, (oud) van het Barim worden metingen ten behoeve van de bepaling van het langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau (Lar,lt) op de gevel van een gevoelig gebouw of op de erfgrens van een gevoelig terrein en de beoordeling daarvan uitgevoerd met inachtneming van de windnormcurve, bedoeld in grafiek 3.15. Bij het vaststellen van deze curve is een grenswaarde van 40 dB(A) voor de nachtperiode als uitgangspunt genomen.

2.8.3. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van tonaal en impulsgeluid. Gelet hierop heeft de raad bij de beoordeling of aan de windnormcurve uit het Barim kan worden voldaan geen rekening hoeven houden met een straftoeslag van 5 dB voor dergelijke vormen van geluid.

2.8.4. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de windturbines door middel van de maatregel "knijpen" of een stilstandregeling kunnen voldoen aan de windnormcurve uit het Barim en dat deze maatregelen goed controleerbaar en handhaafbaar zijn. Door het toepassen van de maatregel "knijpen" wordt het toerental van de windturbines lager afgesteld, waardoor de geluidemissie afneemt. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat een ander type windturbine is gebruikt voor het bepalen van de windsnelheids-gewogen bronsterkte leidt tot zodanig andere resultaten van het akoestisch onderzoek dat daarvan niet mocht worden uitgegaan. Voorts heeft de raad met de door hem gegeven onderbouwing uit mogen gaan van de door de fabrikant aangeleverde gegevens over het type windturbine Enercon E82 3 MW, zodat geen veiligheidsmarge behoefde te worden toegepast in het akoestisch onderzoek. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de atmosferische condities die 's nachts voor kunnen komen door aanpassing van de bronsterkte. De resulterende windsnelheidsgewogen bronsterkte is daardoor met 1,4 dB verhoogd. Een windsnelheid van 5 m/s is in het akoestisch onderzoek vervolgens bepalend geacht voor deze bronsterkte. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met de atmosferische condities die 's nachts voor kunnen komen niet juist is.

[appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verwachte cumulatie van het geluid veroorzaakt door de windturbines met het geluid veroorzaakt door de snelweg A28 zodanig is dat dit aspect bij het akoestisch onderzoek had moeten worden betrokken.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet als deugdelijk kan worden aangemerkt en dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren bij de vaststelling van het plan.

Woon- en leefklimaat bedrijfswoningen

2.9. [appellant sub 6B] betwist dat voor de in het plan voorziene bedrijfswoningen een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd nu de normen uit het Barim ter plaatse worden overschreden.

2.9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien de berekende geluidbelasting op de gevel van de bedrijfswoningen van maximaal ongeveer 48 dB(A) en de verwachte slagschaduwhinder voor de bedrijfswoningen een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.9.2. Het plan voorziet in vier bedrijfswoningen ten behoeve van het windpark. Deze woningen zijn gelegen aan de Nieuwendijk 3, aan de Staartkampsweg 2 en 3 en aan de Koedijk. Op grond van het plan zijn de woningen onder meer bestemd als bedrijfswoning ten behoeve van de windturbine op de gronden met een bestemming "Bedrijf-Windturbine". Anders dan [appellant sub 6B] kennelijk veronderstelt zijn de normen uit het Barim niet van toepassing op bedrijfswoningen bij de desbetreffende inrichting (vgl. uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 in zaak nr. 200807774/1/R2). Derhalve kan aan de overschrijding daarvan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Koedijk in de nachtperiode een geluidsbelasting van 48,8 dB(A) wordt geconstateerd. Indien de maatregel "knijpen" wordt toegepast bedraagt de hoogste geluidbelasting in de nachtperiode 47,5 dB(A). Ter plaatse van de bedrijfswoningen aan de Staartkampsweg bedraagt de geluidsbelasting 46,3 respectievelijk 46,8 dB(A) en met de maatregel "knijpen" 45,9 respectievelijk 46,1 dB(A). Gelet op de ligging van de woning aan de Nieuwendijk 3 ten opzichte van de windturbines is aannemelijk dat de geluidsbelasting ter plaatse van de bedrijfswoning aan de Nieuwendijk vergelijkbaar is met de geluidsbelasting ter plaatse van de andere bedrijfswoningen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat om de geluidsbelasting ten gevolge van de windturbines te kunnen beperken als alternatief ook een stilstandregeling kan worden toegepast. Voldoende waarborgen bestaan dat ter plaatse geen ernstige geluidhinder zal ontstaan.

Uit het slagschaduwonderzoek komt naar voren dat bij de bedrijfswoning aan de Nieuwendijk 3 geen slagschaduwhinder is te verwachten. Bij de andere bedrijfswoningen treedt jaarlijks gedurende 20 uur slagschaduwhinder op. In de plantoelichting is vermeld dat twee turbines worden voorzien van een automatische stilstandregeling om de hinderduur te beperken. Daarnaast komt uit het slagschaduwonderzoek naar voren dat zeer hinderlijke flikkerfrequenties boven de 2,5 Hz niet voorkomen.

Gelet op het bovenstaande heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat voor de in het plan voorziene bedrijfswoningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Natuuronderzoek

2.10. [appellant sub 1], [appellant sub 6B] en [appellant sub 5] stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het windpark voor de natuurwaarden. In dit verband voert [appellant sub 1] aan dat er ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de aanwezige vleermuispopulatie. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat het naastliggende gebied Tolhuislanden is aangemerkt als beschermd weidevogelgebied en onderdeel uitmaakt van een belangrijk wintergasten- en ganzengebied. [appellant sub 6B] betoogt dat het onwaarschijnlijk is dat van de windturbines in de Tolhuislanden wel negatieve effecten voor de natuur worden verwacht maar van de windturbines in het onderhavige plan niet. Volgens [appellant sub 6B] heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de natuurtoets naar voren komt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn nu in de natuurtoets wordt geadviseerd om met de provincie in overleg te treden over de maatregelen die wenselijk zijn om de negatieve effecten te verzachten. Volgens [appellant sub 5] zijn de maanden januari en maart waarin veldonderzoeken hebben plaatsgevonden niet geschikt om weide- en trekvogels en andere dieren in winterrust waar te nemen. [appellant sub 5] voert daarnaast aan dat er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de grote zilverreiger, die vermeld staat op de Nederlandse Rode Lijst van beschermde diersoorten, in de directe nabijheid van het plangebied voorkomt. Ten slotte voert [appellant sub 5] aan dat door de gecreëerde waterrijke stukjes land en water de verwachting is dat het voorkomen van beschermde flora en fauna is toegenomen.

2.10.1. De raad stelt dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor de natuur. Hierbij is volgens de raad van diverse bronnen van informatie uitgegaan en niet alleen van de verrichte veldbezoeken. Uit de natuurtoets die door Bureau Waardenburg is uitgevoerd komt volgens de raad naar voren dat de plaatsing van de windturbines niet of nauwelijks effect heeft op vleermuizen en op ganzen. Volgens de raad blijkt uit het rapport dat er voldoende uitwijkmogelijkheden voor ganzen zijn in de directe omgeving. De effecten zijn zodanig gering dat volgens de raad de gunstige staat van de instandhouding gewaarborgd blijft. Uit de natuurtoetsen die zijn uitgevoerd in het kader van het windpark Tolhuislanden en in het kader van onderhavig plan komt volgens de raad naar voren dat het aandeel weidevogels in de Tolhuislanden aanzienlijk hoger is dan in Nieuwleusen-west. Hieruit volgt volgens de raad dat er onderscheid is tussen beide gebieden en de te verwachten effecten voor de flora en fauna.

2.10.2. Het plangebied is in de Omgevingsvisie aangewezen als ganzengebied. In het rapport "Beoordeling van effecten op vogels en overige fauna en flora van windpark Westenwind" van Bureau Waardenburg B.V. van 15 april 2009 (hierna: het rapport) is onderzoek verricht naar de verstorende effecten van de geplande windturbines op onder meer ganzen, niet-broedvogels, waaronder zich wintergasten bevinden, en weidevogels. Zoals hiervoor onder 2.7.5. is overwogen, is in het rapport gesteld dat de rust/slaapplaatsen en foerageergebieden van ganzen voornamelijk ten zuidwesten van het plangebied liggen, zodat geen sprake is van barrièrewerking als gevolg van de geplande windturbines. In het rapport wordt geconcludeerd dat binnen de verstoringafstand het voorkomen van niet-broedvogels zeer beperkt is vanwege de aanwezigheid van een spoorlijn en hoogspanningsmasten. Daarnaast is in het rapport met betrekking tot niet-broedvogels vermeld dat potentiële rustgebieden voor watervogels afwezig zijn, zowel in de directe omgeving, als op grotere afstand, ten noorden en oosten van het plangebied. Voor de wintergasten kleine zwaan en kolgans is volgens het rapport wel potentieel foerageergebied aanwezig, maar op basis van onderzoek naar de verspreiding van ganzen en zwanen wordt gesteld dat de verspreiding van deze vogels zich bevindt ten westen van de A28 en daarmee buiten de invloedssfeer van het plangebied. Ten aanzien van de grutto wordt in het rapport geconcludeerd dat het foerageergebied en het slaapplaatsgebied uit ondiep water en slik bestaan dat niet aanwezig is in de omgeving van het plangebied. Uit het rapport komt naar voren dat enkele territoria van weidevogels naar verwachting worden verstoord maar daarbij wordt tevens gesteld dat deze verstoring geen wezenlijke wijziging van betekenis in de verspreiding van populatiedichtheid in het gebied tot gevolg heeft.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 6B] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij het nemen van zijn besluit niet heft mogen baseren op de conclusies uit het rapport, voor zover die zien op de risico's voor de aanwezige vogels in het plangebied.

Met betrekking tot het advies om contact op te nemen met de provincie Overijssel over mogelijke verzachtende maatregelen, overweegt de Afdeling dat dit advies niet afdoet aan de conclusies uit het rapport.

2.10.3. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 5] dat de maanden januari en maart niet geschikt zijn om weide- en trekvogels en andere dieren in winterrust waar te nemen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 5] met deze niet nader onderbouwde stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door Bureau Waardenburg B.V. verrichte onderzoek op dit punt dermate grote tekortkomingen vertoont dat de raad zich bij de vaststelling van het plan daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren.

2.10.4. De bezwaren van [appellant sub 1] over de aanwezigheid van vleermuizen en van [appellant sub 5] over de aanwezigheid van de grote zilverreiger betreffen de toepasselijkheid van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.10.5. In het rapport is vermeld dat de omgeving van het plangebied een open karakter heeft en naar verwachting niet geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen. Daarbij is aangegeven dat voor vleermuizen relevante structuren als laanbomen en bosschages in zeer beperkte mate aanwezig zijn in het plangebied en dat grote wateren waar de meervleermuis en de watervleermuis boven foerageren niet aanwezig zijn in het plangebied. Uit het veldonderzoek dat verricht is door Bureau Waardenburg B.V. komt naar voren dat rond het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen zijn gevonden zoals bomen met holten en spleten voor boombewonende soorten als de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis. De enkele boerderijen die in het plangebied liggen kunnen volgens het rapport wel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen hebben voor de gewone dwergvleermuis, maar deze liggen op minimaal 109 meter van de windturbines af. In het rapport wordt geconcludeerd dat op grond van de beschikbare informatie over vleermuizen en windturbines, de te verwachten soorten en de plaatsing van de windturbines geen negatief effect verwacht wordt op vleermuizen.

Aan de stelling van [appellant sub 5] dat de grote zilverreiger in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied voorkomt gaat de Afdeling voorbij omdat het enkel signaleren van dit dier niet betekent dat het gebied van belang is als verblijf- dan wel broedplaats van deze soort.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.10.6. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd met betrekking tot het creëren van waterrijke stukjes land en water geen aanleiding te oordelen dat de onderzoeksresultaten niet langer actueel waren ten tijde van de vaststelling van het plan. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het plangebied dusdanige wijzigingen in de aanwezige flora en fauna zijn opgetreden ten gevolge van de gecreëerde waterrijke stukjes land en water dat de resultaten van het door Bureau Waardenburg B.V. verrichte onderzoek niet meer representatief waren ten tijde van de vaststelling van het plan.

Gezondheidsrisico’s

2.11. [appellant sub 1] en [appellant sub 6B] stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gezondheidsrisico’s van de windturbines. [appellant sub 1] en anderen voeren onder verwijzing naar een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen aan dat windturbines gezondheidsschade veroorzaken. In dit verband stellen zij dat de wettelijke norm die gehanteerd wordt voor de afstand die aangehouden moet worden tussen windturbines en woningen achterhaald is. Voorts stelt [appellant sub 1] dat de maatregel "knijpen" die getroffen kan worden om er zorg voor te dragen dat de windturbines aan de wettelijke geluidsnorm voldoen niet controleerbaar en handhaafbaar is. [appellant sub 6B] voert onder verwijzing naar een onderzoek van de Portugese wetenschapper Alves Pereira aan dat hij vreest voor negatieve gezondheidseffecten vanwege het laagfrequente geluid dat windturbines kunnen veroorzaken. Nu geen volledige duidelijkheid geboden kan worden of het laagfrequente geluid van windmolens geen negatieve effecten met zich kan brengen, heeft er volgens [appellant sub 6B] geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden.

2.11.1. De raad heeft op basis van het briefrapport 609333002/2008 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu met de titel "Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden"(hierna: het RIVM- rapport) geconcludeerd dat het plan uit gezondheidskundig oogpunt aanvaardbaar is. In het RIVM-rapport is volgens de raad gesteld dat het laagfrequente deel van het geluid van windturbines weliswaar tot extra hinder kan leiden, maar dat gelet op de bestaande onderzoeken, waaronder dat van Alves Pereira, onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat dit een factor van belang is voor het bepalen van de oorzaak van gezondheidsklachten. Volgens de raad levert Alves Pereira geen bewijs dat laagfrequent geluid veroorzaakt door windturbines gezondheidsklachten tot gevolg heeft. In het RIVM-rapport wordt volgens de raad gesteld dat verstoring van slaap kan optreden bij geluidniveaus van 45 dB(A). Andere van geluid bekende effecten op de gezondheid zijn volgens het RIVM op grond van de toelaatbare geluidniveaus niet te verwachten. De raad wijst er in dit verband op dat het toelaatbare en tevens hoogst berekende geluidniveau op omliggende woningen ten gevolge van het windturbinepark 40 dB(A) bedraagt.

2.11.2. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het plan vanuit gezondheidskundig oogpunt niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het RIVM-rapport. Dat toepassing van het zogenoemde "knijpen" niet goed controleerbaar en handhaafbaar zou zijn acht de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.4. is overwogen, niet aannemelijk. Mede gezien de afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en de voorziene windturbines is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het plan vanuit gezondheidskundig oogpunt aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Externe veiligheid

2.12. [appellant sub 1] betoogt dat de samenhang van de ter plaatse aanwezige risicofactoren niet voldoende is onderzocht. [appellant sub 5] betoogt dat het plan niet voldoet aan de zogenoemde "high impact zone" van een gasleiding van de Gasunie, aangezien de windturbines zich binnen de zone bevinden. Daarnaast wordt volgens [appellant sub 5] afgeweken van de minimale afstand tot hoogspanningslijnen van 250 meter.

2.12.1. Volgens de raad bevinden de windturbines zich niet binnen de "high impact zone" van de gasleiding. De raad wijst erop dat voor dezelfde windturbines in windpark Tolhuislanden de berekende "high impact zone" 112 meter is. De bedoelde hoofdaardgastransportleiding is volgens de raad op grotere afstand van de voorziene windturbines gelegen. De raad wijst er in dit verband op dat de gasleiding ten westen van het spoor ligt en de windturbines 460 meter ten oosten van het spoor zijn voorzien. Volgens de raad voldoet de gehanteerde afstand van 221 meter voor het windpark tot hoogspanningslijnen ruimschoots aan de minimale afstand die aangehouden moet worden volgens het Handboek Risicozonering Windturbines.

2.12.2. In de door LBP opgestelde notitie "Risicozonering windturbines" zijn de resultaten van de ten behoeve van het plan uitgevoerde risicoanalyse neergelegd. Hierbij is uitgegaan van de richtlijnen die het Handboek Risicozonering Windturbines geeft voor het bepalen van het risico na plaatsing van een windturbine op een specifieke locatie. In de risicoanalyse is vermeld dat voor een windturbine met een vermogen van 3 MW de maximale werpafstand van afbrekende bladeren 369 meter bedraagt. Volgens de risicoanalyse bevinden zich binnen de maximale werpafstand geen spoorwegen, industrie en/of belangrijke aardgasleidingen. Uit het plan-MER komt naar voren dat de Gasunie adviseert om een "high impact zone" van een gasleiding aan te houden die berekend wordt door de formule: masthoogte+1/3 lengte rotorblad. Uit het plan-MER volgt dat bij de afmetingen van de windturbines op basis van deze formule een "high impactzone" van 99 meter breed moet worden aangehouden. In het plan-MER is vermeld dat de gasleiding ten westen van de spoorlijn Zwolle-Meppel loopt. De windturbines worden 460 meter ten oosten van het spoor opgericht. Gelet hierop liggen de windturbines niet binnen de "high impact zone" van de gasleiding.

Uit de risicoanalyse komt naar voren dat zich binnen de maximale werpafstand een hoogspanningslijn bevindt. Uit de toelichting van het plan volgt dat de windturbines op 221 meter afstand van de hoogspanningslijn Zwolle-Staphorst worden gerealiseerd. In de risicoanalyse is aan de hand van een in het Handboek Risicozonering Windturbines neergelegde formule berekend dat voor de in het plan voorziene windturbines een minimale afstand van 5 meter tot een hoogspanningslijn in acht moet worden genomen. Hieruit volgt dat een afstand van 221 meter tot de hoogspanningslijn Zwolle-Staphorst voldoet. De norm van 250 meter waar [appellant sub 5] naar verwijst is gesteld in het uitvoeringskader van het Streekplan 2000+ en in de Partiële streekplanherziening Windenergie. Zoals hiervoor onder 2.7.3. is overwogen is dit provinciale beleid met de inwerkingtreding van de Omgevingsvisie komen te vervallen.

In de risicoanalyse wordt geconcludeerd dat gezien de afstand tussen de dichtstbijzijnde rijksweg en het windturbinepark risico's als gevolg van ongevallen met personen en met gevaarlijke stoffen op deze weg geen rol spelen. Daarnaast is in de risicoanalyse vermeld dat het Ministerie van Defensie heeft aangegeven dat de locatie van het windturbinepark niet is gelegen binnen een laagvliegroute. Ten slotte is in de risicoanalyse vermeld dat het windturbinepark voldoet aan de in het Handboek Risicozonering Windturbines voor bebouwing opgenomen richtwaardes voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) aangezien binnen de PR-contour voor het windturbinepark van 162 meter zich geen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten bevinden en de huizen in de omgeving verspreid staan.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, bestaat gezien het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat plan vanuit een oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.

Opruimplicht

2.13. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] dat hij vreest dat de privaatrechtelijke plicht tot opruimen van de windturbines niet wordt nageleefd wordt overwogen dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het plan maar op privaatrechtelijke afspraken tussen Westenwind Dalfsen BV en grondeigenaren. Derhalve ziet deze beroepsgrond op een aspect dat in deze procedure niet aan de orde is.

Financiële uitvoerbaarheid van het plan

2.14. [appellant sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 5] zal de planschade veel hoger uitvallen dan is geraamd. In dit verband voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 5] aan dat uit een in opdracht van [appellant sub 1] door Katuin Juristen uitgevoerd onderzoek blijkt dat vanwege vermindering van de WOZ-waarden de mogelijke planschade nu al meer dan € 3.600.000,00 bedraagt. In dit verband voert [appellant sub 5] aan dat uit jurisprudentie van het Gerechtshof Leeuwarden valt af te leiden dat percentages waardevermindering van 30% realistisch zijn bij woningen binnen 2,5 kilometer van een windpark. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat door de komst van het windpark de WOZ-inkomsten uit de Tolhuislanden structureel sterk verminderd zijn.

2.14.1. Volgens de raad is er geen rechtstreekse relatie tussen WOZ- waardedaling en de toekenning van planschade. De raad wijst erop dat uit de planschade-risicoanalyse die door Langhout en Wiarda juristen en rentmeesters (hierna: Langhout en Wiarda) is uitgevoerd naar voren is gekomen dat er voor enkele woningen een planologische verslechtering optreedt. De omvang van de schade wordt begroot op een bedrag van tussen de € 5.000,00 en € 46.000,00. In de planschadeovereenkomst die met de initiatiefnemers (hierna: Westenwind Dalfsen B.V.) is gesloten is afgesproken dat de kosten van mogelijke planschade voor de initiatiefnemers komt, aldus de raad.

2.14.2. De door Katuin gehanteerde methodiek om de planschade te berekenen gaat uit van de vermindering van de WOZ-waarden van de woningen. Voor de bepaling van de WOZ-waarde is vooral de feitelijke situatie van belang en wordt geen rekening gehouden met hetgeen planologisch maximaal mogelijk is. Hetgeen planologisch maximaal mogelijk is, is het uitgangspunt bij de bepaling van planschade. Derhalve is een verlaging van de WOZ-waarde op zichzelf niet doorslaggevend voor een planologische verslechtering. In hetgeen door [appellant sub 1] is aangevoerd, bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van de juistheid van de door Langhout en Wiarda opgestelde planschade-risicoanalyse heeft mogen uitgaan. Nu voorts uit de stukken naar voren is gekomen dat een planschadeovereenkomst is gesloten met de initiatiefnemers van het plan, waarin is bepaald dat de planschade kan worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld. De stelling dat ten gevolge van het plan verminderde WOZ-inkomsten uit het gebied De Tolhuislanden worden ontvangen doet hier niet aan af.

Alternatieve locatie

2.15. [appellant sub 6B] betoogt dat onvoldoende de door hem naar voren gebrachte alternatieve locatie voor het windturbinepark is onderzocht. Volgens [appellant sub 6B] ligt de locatie, anders dan de raad heeft aangenomen, buiten de laagvliegroute van het Ministerie van Defensie en vormen de hoogspanningslijnen ter plaatse geen obstakel. Daarnaast stelt [appellant sub 6B] dat het onduidelijk is of de bij de alternatieve locatie gelegen woningen daadwerkelijk hinder ondervinden ten gevolge van het windturbinepark.

2.15.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de alternatieve locatie die door [appellant sub 6B] naar voren is gebracht niet haalbaar is. Locaties nabij het bedrijventerrein Hessenpoort zijn volgens de raad in verband met de daar aanwezige laagvliegroute van het Ministerie van Defensie en de vele aanwezige hoogspanningslijnen niet geschikt. Voorts zijn er volgens de raad veel woningen gelegen die hinder zouden kunnen ondervinden van de windturbines.

2.15.2. De Afdeling overweegt dat, voor zover [appellant sub 6B] wijst op het door hem naar voren gebrachte alternatief, de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De Afdeling ziet in hetgeen door [appellant sub 6B] naar voren is gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het door [appellant sub 6B] naar voren gebrachte alternatief voor het plan onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Conclusie

2.16. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 6B] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.17. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], en het beroep van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de overige beroepen, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

568-678.