Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
201001213/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Tolhuislanden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5636
BR 2012/62 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2978
JOM 2012/1063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001213/1/R4.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

2. [appellant sub 2], wonend te Dalfsen,

3. [appellant sub 3], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

4. [appellant sub 4], wonend te Zwolle,

5. [appellant sub 5], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

6. [appellant sub 6], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

7. [appellant sub 7], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

8. [appellant sub 8], wonend te Zwolle,

9. [appellant sub 9], wonend te Zwolle,

10. [appellanten sub 10] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]) wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen

11. [appellant sub 11], wonend te Zwolle,

12. [appellanten sub 2], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

13. [appellanten sub 13] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]), wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

14. [appellant sub 14], wonend te Zwolle,

15. [appellant sub 15], wonend te Zwolle,

16. [appellant sub 16], wonend te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

17. [appellanten sub 17] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]), wonend te Dalfsen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zwolle,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Tolhuislanden" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellanten sub 12] en [appellant sub 13] bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2010, [appellant sub 14] en [appellant sub 17] bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2010, [appellant sub 15] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2010, en [appellant sub 16] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2010 beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellanten sub 12], [appellant sub 13] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en [appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door A.F. Palthe, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. T.J. Katuin en A. Oosterbaan, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. H.U. van der Zee, en de raad, vertegenwoordigd door A.J.G. Aalders, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Tolhuis Wind BV, vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Timmermans, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan maakt de oprichting van vier windturbines in lijnopstelling mogelijk in het gebied Tolhuislanden, ten noorden van de stad Zwolle tussen de A28 en de spoorlijn Zwolle - Meppel. De in het plan voorziene windturbines hebben een ashoogte van 85 meter, een rotordiameter van 82 meter, een tiphoogte van 126 meter en een gezamenlijk vermogen van 12 Megawatt (MW). Parallel aan de in het plan voorziene lijnopstelling van vier windturbines voorziet op 550 afstand het bestemmingsplan"5e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied (voormalig gemeente) Nieuwleusen, Windenergie" in een lijnopstelling van vier windturbines in de gemeente Dalfsen (hierna: windpark Nieuwleusen-west).

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 8.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake vaststelling van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.1. De raad stelt dat een aantal appellanten niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt. Daartoe verwijst de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 in zaak nr. 200806507/1/R1, betreffende het bestemmingsplan "Buitengebied Windturbinepark" van de gemeente Hattem.

2.2.2. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellanten sub 12], [appellant sub 15], [appellant sub 16] en [appellant sub 17] wonen op een afstand variërend van 1500 meter tot 2400 meter van het plangebied. Gezien de ruimtelijke uitstraling van de windturbines en de plaatsing in het vlakke en open landschap zijn deze afstanden in dit geval te groot om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee moet worden geoordeeld dat, ondanks deze afstand, een eigen, persoonlijk belang van hen rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kunnen zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt, zodat zij aan artikel 8.2 van de Wro geen recht tot het instellen van beroep kunnen ontlenen. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellanten sub 12], [appellant sub 15], Bouthoon en [appellant sub 17] zijn derhalve niet-ontvankelijk.

Zienswijze

2.3. [appellant sub 8] betoogt dat de wijze waarop de raad de door hem naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. In dit verband voert hij aan dat in de zienswijzenota slechts ten dele de behandeling van onderdelen van zijn zienswijze terug te vinden is.

2.3.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad van de gemeente Zwolle de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is aannemelijk gemaakt dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Milieueffectrapportage

2.4. [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 13] en [appellant sub 14] hebben identieke beroepschriften ingediend. Deze appellanten worden aangeduid als [appellant sub 4] en anderen.

2.4.1. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] betogen dat de oprichting van het onderhavige windturbinepark en de oprichting van het windturbinepark in Nieuwleusen-west vanwege de onderlinge samenhang tezamen voor de MER als één activiteit moeten worden beschouwd. Volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] zijn beide plannen gelijktijdig ontwikkeld en heeft er een bestuurlijke en ambtelijke afstemming plaatsgevonden tussen de gemeenten Zwolle en Dalfsen. Daarnaast zullen volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] de beide windparken gebruik maken van een gezamenlijke infrastructuur met betrekking tot levering van elektriciteit aan het net. Het vrijwillig opgestelde plan-MER "Windparken Tolhuislanden en Nieuwleusen-West" (hierna: het plan-MER) voldoet volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] niet, aangezien er geen alternatieve opstellingen zijn onderzocht voor beide windparken met elk vier windturbines.

2.4.2. De raad stelt dat er geen functionele, technische en organisatorische samenhang bestaat tussen het windturbinepark in Nieuwleusen-west en het onderhavige windpark.

2.4.3. Ter beoordeling staat of de oprichting van het windturbinepark in Nieuwleusen-west en van het onderhavige windturbinepark tezamen als één activiteit als bedoeld in het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) moeten worden aangemerkt. Uit de toelichting van het plan komt naar voren dat de windturbineparken worden opgericht en geëxploiteerd door twee verschillende vennootschappen. Ter zitting heeft de initiatiefnemer van het windturbinepark in Nieuwleusen-west, Westenwind Dalfsen B.V., gemotiveerd uiteengezet dat beide windturbineparken separate aansluitingen op het elektriciteitsnet krijgen en dat het feit dat de planvorming van de windturbineparken en de daarvoor benodigde onderzoeken samen hebben gelopen voortvloeit uit provinciaal beleid en plaats heeft gevonden vanwege mogelijke cumulatieve effecten en niet vanwege enige organisatorische samenhang tussen beide windturbineparken. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk gemaakt dat een zodanige samenhang bestaat tussen de windturbineparken dat de oprichting daarvan dient te worden aangemerkt als één activiteit als bedoeld in het Besluit.

2.4.4. Op grond van artikel 7.10, eerste lid, onder b, sub 1, van de Wet milieubeheer bevat een plan-MER ten minste een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven.

2.4.5. Uit het plan-MER volgt dat zes alternatieve opstellingen voor de windturbineparken in de Tolhuislanden en in Nieuwleusen-west zijn ontwikkeld. Voor een dubbele lijnopstelling zijn 2 varianten nader uitgewerkt, de voorkeursvariant van 8 turbines en één van 10 turbines. Daarnaast zijn vier clusteropstellingen uitgewerkt van respectievelijk 18, 24, 12 en 16 turbines. Uit de toelichting bij de onderzochte alternatieven komt naar voren dat de keuze voor de alternatieven het gevolg is van het advies van de Commissie voor de mer van 6 mei 2009 om alternatieve opstellingsvarianten te ontwikkelen, die een hogere energieopbrengst geven en mogelijk minder milieueffecten teweeg brengen. De raad heeft gesteld dat het verschil in aantallen windturbines daarnaast wordt veroorzaakt door de beperkingen in het gebied zoals de aanwezige woningen en de laagvliegroute van Defensie. De Afdeling is van oordeel dat de raad gemotiveerd uiteen heeft gezet hoe tot de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven is gekomen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het ten behoeve van het plan opgestelde plan-MER niet voldoet.

Nut en noodzaak van het plan

2.5. [appellant sub 5] betwist het nut en noodzaak van het plan. In dit verband voert [appellant sub 5] aan dat windturbines vanwege de afhankelijkheid van de wind geen constante leverancier van energie zijn hetgeen tot technische problemen kan leiden.

2.5.1. De raad stelt dat het plan past binnen de doelstelling van het rijksbeleid die geformuleerd is in het werkprogramma Schoon en Zuinig om in 2020, 6000 MW aan windenergie op land te realiseren. Het provinciebestuur van Overijssel heeft het gebied Nieuwleusen-West aangewezen als kansrijk voor windenergie. Het provinciebestuur heeft zich in het Energiepact Overijssel ten doel gesteld in 2020 tenminste 80 MW aan windenergie voor Overijssel te realiseren. Deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid bij de besluitvorming kunnen betrekken.

In het plan-MER is een gedetailleerde berekening gemaakt van de netto-energieopbrengst van de windturbines die in het windturbinepark worden geplaatst. De berekening is gemaakt op basis van windmetingen waarbij rekening is gehouden met zogenoemde zogeffecten vanwege het feit dat de windturbines in een park worden geplaatst, geluidcompenserende maatregelen en stilstand om te kunnen voldoen aan de normen voor slagschaduw. Uit de berekening is naar voren gekomen dat de netto-energieopbrengst van een windturbine in het onderhavige windturbinepark 5969 MWh per jaar bedraagt. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de in de plan-MER gemaakte berekening te twijfelen. Ook bestaat er geen aanleiding voor de verwachting dat het gebruik van het windturbinepark tot zodanige technische problemen zou kunnen leiden dat de raad het plan niet aldus heeft mogen vaststellen.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan nut en noodzaak van het in het plan voorziene windturbinepark niet behoefde te worden getwijfeld.

Rijks- en provinciaal beleid

2.6. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] betogen dat het plan in strijd is met het rijks- en provinciale beleid dat erop gericht is tot bundeling te komen van windturbines in combinatie met bestaande grootschalige infrastructuur en bedrijventerreinen. Zij voeren aan dat in het plan weliswaar is aangesloten bij beeldbepalende elementen maar dat deze niet te vergelijken zijn met de maatvoering van de turbines. In dit verband hebben [appellant sub 4] en anderen ook bezwaar tegen de mogelijkheid die het plan biedt om windturbines van 145 meter hoog toe te staan. Voorts voeren [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] aan dat de geprojecteerde plaatsing van de windturbines op meerdere punten in strijd is met de "Richtlijnen beeldkwaliteit" uit het rapport Windenergie in Noordoost Overijssel van april 2003 dat in opdracht van de provincie door Royal Haskoning is uitgevoerd. Ten slotte betogen [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] dat het plan in strijd met de Partiële streekplanherziening Windenergie een lijnopstelling binnen vier kilometer van een clusteropstelling van windturbines mogelijk maakt.

2.6.1. De raad stelt dat bundeling van windturbineopstellingen met bestaande grootschalige infrastructuur en bedrijventerreinen de voorkeur heeft, maar in het gebied Tolhuislanden niet realiseerbaar is. Volgens de raad is langs de A28 de woningdichtheid te hoog en is het in het gebied aanwezige bedrijventerrein Hessenpoort en de nabije omgeving daarvan gelegen in een laagvliegzone van het Ministerie van Defensie. De raad wijst erop dat alleen ontheffing kan worden verleend van de maximale toegestane hoogte voor de mast van de windturbine van 85 meter indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het stedenbouwkundig beeld, de woonsituatie, de milieusituatie en andere factoren. De Partiële streekplanherziening Windenergie geeft slechts handvatten en aandachtspunten voor het landschappelijk ontwerp waarbij bewust niet is gekozen voor de term voorschriften, aldus de raad. Volgens de raad is de afstemming tussen de in het plan voorziene lijnopstelling en de clusteropstelling in Staphorst in overeenstemming met de Partiële streekplanherziening Windenergie, omdat de in het plan voorziene windturbines dezelfde oriëntatie hebben als de windturbines in Staphorst en de lijnopstelling van de windturbines aansluit bij de twee windturbines in Staphorst ten westen van de spoorlijn.

2.6.2. Voor zover [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] betogen dat het plan in strijd met het rijksbeleid is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat aan dit betoog voorbij moet worden gegaan nu niet is vermeld op welk rijksbeleid het betoog is gebaseerd.

2.6.3. Het betoog dat het plan ten onrechte middels ontheffingverlening windturbines met een tiphoogte van 145 meter binnen het windpark toestaat mist feitelijke grondslag nu het plan niet in een dergelijke ontheffingsbevoegdheid voorziet. Artikel 4.3, aanhef en onder a en b, van de planregels voorziet slechts in een ontheffingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders om windturbines met een ashoogte van maximaal 100 meter en een maximale rotordiameter van 90 meter toe te staan en niet in een bevoegdheid ontheffing te verlenen van de tiphoogte van 126 meter.

2.6.4. Anders dan de raad kennelijk veronderstelt, is de Partiële Streekplanherziening met de inwerkingtreding van de Omgevingsvisie Overijssel op 1 september 2009 komen te vervallen. De Omgevingsvisie is een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro en was ten tijde van het bestreden besluit van kracht. De raad dient rekening te houden met het provinciale beleid dat is opgenomen in een structuurvisie, zoals de Omgevingsvisie, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

2.6.5. In de Omgevingsvisie is met betrekking tot de oprichting van windturbines in paragraaf 4.8 opgenomen dat zowel in het buitengebied als op bedrijventerreinen van een goed landschappelijk ontwerp conform de gebiedskenmerken wordt uitgegaan. In de plantoelichting is beschreven dat rekening is gehouden met de bestaande lijn in het landschap door de vier windturbines evenwijdig aan de spoorlijn Zwolle-Assen, in een lijnopstelling te realiseren. Daarnaast volgt uit deze beschrijving dat er is gekozen voor de combinatie van de windparken Tolhuislanden en Nieuwleusen-West, gesitueerd als twee lijnopstellingen evenwijdig aan elkaar aan weerszijden van het spoor van gelijke grootte en oriëntatie, om verrommeling en versnippering van het landschap te voorkomen.

2.6.6. In hetgeen [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] hebben betoogd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid onvoldoende in zijn afwegingen heeft betrokken. Het rapport Windenergie in Noordoost Overijssel van Royal Haskoning van april 2003, brengt in dit oordeel geen verandering, omdat dit rapport niet het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid weergeeft.

Geluid

2.7. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] betogen dat het akoestisch onderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd niet deugdelijk is. In dit verband voeren zij aan dat voor de bepaling van de geluidsbelasting ten onrechte de windnormcurve WNC 40 (hierna: de windnormcurve) uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim) is gehanteerd. Volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] dient te worden uitgegaan van de normstelling voor een landelijke omgeving die wordt aanbevolen in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Voorts stellen zij dat aangezien uit diverse onderzoeken is gebleken dat tonaal en impulsgeluid kan voorkomen bij windturbines op grond van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) een straftoeslag van 5 dB(A) dient te worden toegepast. Daarnaast voeren [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] aan dat het gehanteerde bronniveau van de windturbines ten onrechte is gebaseerd op het type Enercon E82 met een vermogen van 2 MW, terwijl in het windpark type Enercon E82 met een vermogen van 3 MW, wordt geplaatst. Volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] dient, omdat van de 3 MW versie nog geen gecertificeerde berekeningen bekend zijn, een veiligheidsmarge toegepast te worden om er zeker van te zijn dat geen overschrijding van de norm zal plaatsvinden. Voorts voeren [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] aan dat ten onrechte overschrijdingen van de grenswaarde van 40 dB(A) voor de nachtperiode bij ten minste 8 woningen wordt toegestaan. Volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] heeft de raad misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot aanwijzing van een woning als bedrijfswoning door één van deze woningen ten onrechte als bedrijfswoning aan te merken vanwege de hoge geluidsbelasting ter plaatse. In dit verband voert [appellant sub 5] aan dat er geen sprake is van een duidelijke binding of betrokkenheid tussen de woning en de bedrijfsactiviteit. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] voeren daarnaast aan dat, om rekening te houden met de atmosferische condities die vaak 's avonds en 's nachts bij rustig weer optreden, ten onrechte een windsnelheid van 5 m/s als bepalend voor de overschrijding van de windnormcurve is beschouwd. Volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] zijn deskundigen van mening dat de kritische bronsterkte ligt bij 4 m/s en dat de norm 1 dB lager ligt. Ten slotte voert [appellant sub 5] aan dat in het akoestisch onderzoek de invloed van de nabijgelegen snelweg A28 ten onrechte niet is betrokken.

2.7.1. De raad stelt dat de windnormcurve uit het Barim de voor het windpark geldende wettelijke norm is. Volgens de raad heeft onderzoek aangetoond dat windturbinegeluid geen impulsgeluid is en dat geen sprake is van tonaliteit. De raad wijst erop dat in het akoestisch onderzoek voor de bronsterkte gebruik is gemaakt van gegevens omtrent de Enercon E82 3 MW turbine waarbij is uitgegaan van de bronsterkte bij 95% van de maximale vermogensopbrengst. Aangezien er geen bronsterktes bij overige windsnelheden zijn opgenomen, is voor het bepalen van de windsnelheids-gewogen bronsterkte gebruik gemaakt van de bekende gegevens van een ander type Enercon turbine. Zelfs als uit aanvullende metingen blijkt dat de bronsterkte toch hoger uitkomt dan waarmee gerekend is, moet altijd nog voldaan worden aan de wettelijke geluidsnorm ter plaatse van de woningen. Dit betekent volgens de raad dat altijd de berekende maximale bronsterktes in het akoestisch onderzoek in acht moeten worden genomen. Volgens de raad is in het akoestisch onderzoek voldoende rekening gehouden met onzekerheden. De raad stelt dat uit vele metingen van technisch bureau LBP is gebleken dat de werkelijke bronsterktes goed overeenkomen met de door de fabrikant opgegeven bronsterktes.

Volgens de raad kan met de extra maatregel "knijpen" worden voldaan aan de wettelijke normen ter plaatse van de woningen waar overschrijdingen worden geconstateerd.

De raad wijst erop dat de woning aan de [locatie A] een als zodanig bestemde bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf is. In het plan blijft deze bestemming onverminderd gehandhaafd en wordt de woning ook bestemd als bedrijfswoning bij het windpark. Volgens de raad behoort de woning tot de sfeer van de inrichting. De woning behoort toe aan een deelnemer van het windpark en de bewoner heeft zich verplicht om beheers- en onderhoudstaken uit te voeren, aldus de raad.

Ten slotte is volgens de raad uit vergelijkingen met werkelijk gemeten windsnelheden gebleken dat de berekeningen aansluiten bij de werkelijk voorkomende windprofielen.

2.7.2. Het windpark Tolhuislanden is een type B inrichting, als bedoeld in artikel 1.2 van het Barim. Dit betekent dat het windpark op grond van artikel 1.4, tweede lid, onder de werkingsfeer van het Barim valt zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voor de windturbines gelden dientengevolge de geluidgrenswaarden zoals neergelegd in de artikelen 2.17 en volgende (oud) van het Barim. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Barim, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ingevolge artikel 3.15, derde lid, (oud) van het Barim worden metingen ten behoeve van de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) op de gevel van een gevoelig gebouw of op de erfgrens van een gevoelig terrein en de beoordeling daarvan uitgevoerd met inachtneming van de windnormcurve, bedoeld in grafiek 3.15. Bij het vaststellen van deze curve is een grenswaarde van 40 dB(A) voor de nachtperiode als uitgangspunt genomen.

2.7.3. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van tonaal en impulsgeluid. Gelet hierop heeft de raad bij de beoordeling of aan de windnormcurve uit het Barim kan worden voldaan geen rekening hoeven houden met een straftoeslag van 5 dB voor dergelijke vormen van geluid.

2.7.4. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de windturbines door middel van de maatregel "knijpen" kunnen voldoen aan de windnormcurve uit het Barim. Door het toepassen van de maatregel "knijpen" wordt het toerental van de windturbines lager afgesteld, waardoor de geluidemissie afneemt. Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat deze maatregel goed controleerbaar en handhaafbaar is. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat een ander type windturbine is gebruikt voor het bepalen van de windsnelheids-gewogen bronsterkte leidt tot zodanig andere resultaten van het akoestisch onderzoek dat daarvan niet mocht worden uitgegaan. Voorts heeft de raad met de door hem gegeven onderbouwing uit mogen gaan van de door de fabrikant aangeleverde gegevens over het type windturbine Enercon E82 3 MW, zodat geen veiligheidsmarge behoefde te worden toegepast. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de atmosferische condities die 's nachts voor kunnen komen door aanpassing van de bronsterkte. De resulterende windsnelheidsgewogen bronsterkte is daardoor met 1,4 dB verhoogd. Een windsnelheid van 5 m/s is in het akoestisch onderzoek vervolgens bepalend geacht voor deze bronsterkte. Hetgeen [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met de atmosferische condities die 's nachts voor kunnen komen niet juist is.

[appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verwachte cumulatie van het geluid veroorzaakt door de windturbines met het geluid veroorzaakt door de snelweg A28 zodanig is dat dit aspect bij het akoestisch onderzoek had moeten worden betrokken.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet als deugdelijk kan worden aangemerkt en dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren bij de vaststelling van het plan. Hetgeen is aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bestemmen van de woning op het perceel [locatie A] als bedrijfswoning.

Natuuronderzoek

2.8. [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 8] en [appellant sub 13] stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het windpark voor de natuurwaarden. In dit verband voeren [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] aan dat er ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de aanwezige vleermuispopulatie. Voorts voeren [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] aan dat het gebied Tolhuislanden is aangemerkt als beschermd weidevogelgebied. Volgens [appellant sub 13] zijn de maanden januari en maart waarin veldonderzoeken hebben plaatsgevonden niet geschikt om weide- en trekvogels en andere dieren in winterrust waar te nemen. Voorts voert [appellant sub 13] aan dat er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de grote zilverreiger, die vermeld staat op de Nederlandse Rode Lijst van beschermde diersoorten, in de directe nabijheid van het plangebied voorkomt. Ten slotte voert [appellant sub 13] aan dat door het creëren van waterrijke stukjes land en water de verwachting is dat het voorkomen van beschermde flora en fauna is toegenomen.

2.8.1. De raad stelt dat het gebied door het zeer beperkt aanwezig zijn van voor vleermuizen relevante structuren als laanbomen, bosschages en breed open water, en het ontbreken van holtes en spleten voor boombewonende soorten het gebied niet bijzonder geschikt is voor vleermuizen. Volgens de raad is het gebied ook minder geschikt als foerageergebied voor wintergasten, waaronder ganzen, vanwege de aanwezige hoogspanningslijnen en bovenleidingen van spoorlijnen. Hierdoor zal volgens de raad ook een risico op een aanvaring met de turbines afnemen. De raad wijst onder verwijzing naar de uitgevoerde natuurtoets erop dat er ten aanzien van enkele weidevogelsoorten ruimtebeslag en verstoring van broedplaatsen optreedt. Het verlies aan broedplaatsen wordt volgens de raad door de tussen de initiatiefnemers en de provincie overeengekomen compensatieregeling, zijnde 10 hectare agrarisch natuurbeheer, afdoende gecompenseerd. Volgens de raad is uit onderzoek gebleken dat binnen een zone van 200 meter rond een windturbine verstoring van weidevogels kan plaatsvinden. Rekening houdend met de overlapping van de hinderzone van de turbines onderling en met die van de spoorlijn Zwolle-Meppel is een gebied van 10 hectare berekend waar agrarisch natuurbeheer wordt toegepast. Het gaat hier volgens de raad om weidegebied dat zoveel mogelijk in de buurt van de planlocatie is gelegen, waar door (tot na het broedseizoen) uitgesteld maaibeheer de weidevogelpopulatie niet wordt verstoord.

2.8.2. Het plangebied is in de Omgevingsvisie aangewezen als weidevogelgebied met een hoge actuele waarde. In de Omgevingsvisie is in paragraaf 4.3.2 als hoofdlijn van beleid opgenomen dat binnen weidevogelgebieden geen aantasting van de openheid en rust plaatsvindt, maar dat windenergie in deze gebieden niet op voorhand is uitgesloten en dat dit per locatie dient te worden onderzocht.

Uit het rapport "Beoordeling van effecten op vogels en overige fauna en flora van windpark Tolhuislanden" van Bureau Waardenburg B.V. van 18 februari 2009 (hierna: het rapport) blijkt dat onderzoek is verricht naar de effecten van het windturbinepark op wintergasten, waaronder ganzen, en op weidevogels. Op basis van telgegevens is geconstateerd dat ganzen in de weide omgeving van het plangebied voorkomen en dat de grootste concentraties zich bevinden buiten het plangebied. In het rapport is vermeld dat het plangebied voor ganzen vanwege de aanwezigheid van de evenwijdig aan het windpark gelegen spoorlijn en hoogspanningsleiding geen geschikt foerageergebied is. Hierdoor zijn volgens het rapport geen grootschalige negatieve effecten op het foerageergebied van de ganzen te verwachten. Volgens het rapport zal het plaatsen van de turbines het effect van verstoring wel mogelijk in beperkte mate versterken. In het rapport is vermeld dat aangezien de ruime omgeving van het plangebied bestaat uit agrarisch gebied van vergelijkbare kwaliteit, er geen effecten te verwachten zijn op het foerageergebied van ganzen. Voor andere wintergasten is in het rapport vermeld dat het plangebied niet zodanige kenmerken heeft dat veel verschillende soorten voorkomen. Met betrekking tot weidevogels blijkt uit het rapport dat het plangebied belangrijk is voor verschillende soorten weidevogels. In het rapport is geconcludeerd dat het windturbinepark naar verwachting zal leiden tot een verlies aan leefgebied van lokale weidevogels door oppervlakteverlies ten gevolge van de sokkels van de windturbines en de toevoerwegen en door verstoringseffecten vanwege de nabijheid van de windturbines, maar dat door middel van compensatie de negatieve effecten verzacht kunnen worden.

[appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich bij het nemen van zijn besluit niet heeft mogen baseren op de conclusies uit het rapport, voor zover die zien op de risico's voor de aanwezige vogels in het plangebied.

Om te beoordelen op welke wijze compensatie dient plaats te vinden voor de verstoring van weidevogelgebied door de windturbines heeft adviesbureau Tauw in opdracht van Tolhuis Wind BV een notitie opgesteld. In deze notitie wordt de conclusie getrokken dat 10 hectare compensatiegebied geschikt gemaakt moet worden voor weidevogels. Tolhuis Wind BV heeft naar aanleiding van deze notitie een koopoptie gesloten voor het aankopen van 3,4 hectare weidegebied in de directe nabijheid van het plangebied dat wordt ingericht als weidevogelbroedgebied. Daarnaast is door Tolhuis Wind BV een huuroptie overeengekomen met grondeigenaren voor een aanvullende 5,5 hectare, drie kilometer ten noorden van het plangebied, waarbij het perceel gedurende de exploitatieduur van het windpark zal worden beheerd als weidevogelgebied. Het college van gedeputeerde staten heeft, hoewel de gewenste 10 hectare niet wordt gehaald, onder de voorwaarden dat alle percelen jaarlijks met ruige stalmest worden bemest, dat de percelen niet gemaaid worden voor het einde van het broedseizoen en dat in het broedseizoen op de percelen geen landbouwactiviteit of bezoek plaats mag vinden, de compensatie die geboden wordt voldoende geacht. Gelet op het vorenstaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan er vanuit mogen gaan dat de maatregelen die ter compensatie van de verstoring van het weidevogelgebied worden getroffen toereikend zijn.

2.8.3. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 13] dat de maanden januari en maart niet geschikt zijn om weide- en trekvogels en andere dieren in winterrust waar te nemen overweegt de Afdeling dat [appellant sub 13] met deze niet nader onderbouwde stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door Bureau Waardenburg B.V. verrichte onderzoek op dit punt dermate grote tekortkomingen vertoont dat de raad zich bij de vaststelling van het plan daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren.

2.8.4. De bezwaren van [appellant sub 4] en anderen over de aanwezigheid van vleermuizen en van [appellant sub 13] over de aanwezigheid van de grote zilverreiger betreffen de toepasselijkheid van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.8.5. In het rapport is vermeld dat de omgeving van het plangebied een open karakter heeft en naar verwachting niet geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen. Daarbij is aangegeven dat voor vleermuizen relevante structuren als laanbomen en bosschages in zeer beperkte mate aanwezig zijn in het plangebied en dat grote wateren waar de meervleermuis en watervleermuis boven foerageren niet aanwezig zijn in het plangebied. Uit het veldonderzoek dat verricht is door Bureau Waardenburg B.V. komt naar voren dat rond het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen zijn gevonden als bebouwing voor de gewone dwergvleermuis of bomen met holten en spleten voor boombewonende soorten als de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis. In het rapport wordt geconcludeerd dat op grond van de beschikbare informatie over vleermuizen en windturbines, de te verwachten soorten en de plaatsing van de windturbines geen negatief effect verwacht wordt van de ingreep op vleermuizen.

Aan de stelling van [appellant sub 13] dat de grote zilverreiger in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied voorkomt, gaat de Afdeling voorbij omdat het enkel signaleren van dit dier niet betekent dat het gebied van belang is als verblijf- dan wel broedplaats van deze soort.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.8.6. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd met betrekking tot het creëren van waterrijke stukjes land en water geen aanleiding te oordelen dat de onderzoeksresultaten niet langer actueel waren ten tijde van de vaststelling van het plan. [appellant sub 13] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het plangebied dusdanige wijzigingen in de aanwezige flora en fauna zijn opgetreden ten gevolge van de gecreëerde waterrijke stukjes land en water dat de resultaten van het door Bureau Waardenburg B.V. verrichte onderzoek niet meer representatief waren ten tijde van de vaststelling van het plan.

Gezondheidsrisico's

2.9. [appellant sub 4] en anderen stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gezondheidsrisico’s van de windturbines. In dit verband voeren [appellant sub 4] en anderen onder verwijzing naar een onderzoek van Nina Pierpont en de Rijksuniversiteit Groningen aan dat windturbines gezondheidsschade veroorzaken. In dit verband stellen zij dat de wettelijke norm die gehanteerd wordt voor de afstand die aangehouden moet worden tussen windturbines en woningen achterhaald is. Voorts stellen [appellant sub 4] en anderen dat de maatregel "knijpen" die getroffen wordt om er zorg voor te dragen dat de windturbines aan de wettelijke geluidsnorm voldoen niet controleerbaar en handhaafbaar is.

2.9.1. De raad heeft op basis van het briefrapport 609333002/2008 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu met de titel "Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden"(hierna: het RIVM- rapport) geconcludeerd dat het plan vanuit gezondheidskundig oogpunt aanvaardbaar is. In het RIVM-rapport is volgens de raad gesteld dat het laagfrequente deel van het geluid van windturbines weliswaar tot extra hinder kan leiden, maar dat er gelet op de bestaande onderzoeken, onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat dit een factor van belang is voor het bepalen van de oorzaak van gezondheidsklachten. Volgens de raad wordt in het RIVM-rapport gesteld dat verstoring van slaap kan optreden bij geluidniveaus van 45 dB(A) of meer. Andere van geluid bekende effecten op de gezondheid zijn volgens het RIVM op grond van de toelaatbare geluidniveaus niet te verwachten. De raad wijst er in dit verband op dat het toelaatbare en tevens hoogst berekende geluidniveau op omliggende woningen ten gevolge van windpark Tolhuislanden 40 dB(A) bedraagt. Volgens de raad worden in andere landen geen strengere normen gehanteerd voor de afstand tussen windturbines en woningen.

2.9.2. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het plan vanuit gezondheidskundig oogpunt niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het RIVM-rapport. Dat toepassing van het zogenoemde "knijpen" niet goed controleerbaar en handhaafbaar zou zijn acht de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.7.4. is overwogen, niet aannemelijk. Mede gezien de afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en de voorziene windturbines is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het plan vanuit gezondheidskundig oogpunt aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Externe veiligheid

2.10. [appellant sub 5] betoogt dat de samenhang van de ter plaatse aanwezige risicofactoren niet voldoende is onderzocht.

2.10.1. In de door LBP opgestelde notitie "Risicozonering windturbines" zijn de resultaten van de ten behoeve van het plan uitgevoerde risicoanalyse neergelegd. Hierbij is uitgegaan van de richtlijnen die het Handboek Risicozonering Windturbines geeft voor het bepalen van het risico na plaatsing van een windturbine op een specifieke locatie. In de risicoanalyse is vermeld dat voor een windturbine met een vermogen van 3 MW de maximale werpafstand van afbrekende bladeren 369 meter bedraagt. Volgens de risicoanalyse bevindt zich binnen de maximale werpafstand geen industrie. Uit de risicoanalyse komt naar voren dat zich binnen de maximale werpafstand van de windturbines een spoorlijn, een ondergrondse aardgasleiding en een hoogspanningsleiding bevinden.

De spoorlijn waarover personenvervoer en gevaarlijke stoffen worden vervoerd ligt volgens de risicoanalyse op 60 meter afstand van het windturbinepark. Uit de risicoanalyse volgt dat ProRail ten aanzien van personenvervoer heeft vastgesteld dat de minimale vereiste afstand van de mast van een windturbine tot het spoor in dit geval 48,85 meter is. Gelet hierop wordt in de risicoanalyse geconcludeerd dat voldaan wordt aan de algemene afstandseis. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt in de risicoanalyse geconcludeerd dat wanneer wordt uitgegaan van de generieke faalfrequenties voor tankwagons op het spoor het toegevoegde risico van het windturbinepark verwaarloosbaar klein is.

Uit de risicoanalyse volgt dat zich op 42 meter afstand van het windturbinepark een gasleiding bevindt. De Gasunie heeft, hoewel dat het windturbinepark binnen de "high impact zone" van de gasleiding ligt, welke zone met de formule masthoogte+1/3 lengte rotorblad is vastgesteld op 99 meter, de ligging van het windturbinepark acceptabel geacht. De Gasunie acht van belang dat de bijdrage van de windturbines aan de faalfrequentie van de gasleiding minder dan 10% bedraagt, dat er zich geen kwetsbare objecten bevinden binnen de contour van het plaatsgebonden risico (hierna: de PR-contour) van de gasleiding en dat de realisatie van de windturbines niet bijdraagt aan een toename van het groepsrisico.

Volgens de risicoanalyse worden de windturbines op 320 meter afstand van de hoogspanningslijn Zwolle-Staphorst gerealiseerd. In de risicoanalyse is aan de hand van een in het Handboek Risicozonering Windturbines neergelegde formule berekend dat voor de in het plan voorziene windturbines een minimale afstand van 5 meter tot een hoogspanningslijn in acht moet worden genomen. Hieruit volgt dat een afstand van 320 meter tot de hoogspanningslijn Zwolle - Staphorst voldoet.

In de risicoanalyse wordt geconcludeerd dat gezien de afstand tussen de dichtstbijzijnde rijksweg en het windturbinepark risico's als gevolg van ongevallen met personen en met gevaarlijke stoffen op deze weg geen enkele rol spelen. Daarnaast is in de risicoanalyse vermeld dat het Ministerie van Defensie heeft aangegeven dat de locatie van het windturbinepark niet is gelegen binnen een laagvliegroute. Ten slotte is in de risicoanalyse vermeld dat het windturbinepark voldoet aan de in het handboek voor bebouwing opgenomen richtwaardes voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) aangezien binnen de PR-contour voor het windturbinepark van 162 meter zich geen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten bevinden en de huizen in de omgeving verspreid staan.

In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, bestaat gezien het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat plan vanuit een oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.

Financiële uitvoerbaarheid

2.11. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] betogen dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Volgens [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] zal de planschade veel hoger uitvallen dan is geraamd. In dit verband voeren [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] aan dat uit een in opdracht van hen door Katuin Juristen uitgevoerd onderzoek blijkt dat vanwege vermindering van de WOZ-waarden de mogelijke planschade nu al meer dan € 3.600.000,00 bedraagt, terwijl in de planschadeovereenkomst tussen de initiatiefnemer van het windpark (hierna: Tolhuis Wind BV) en de gemeente slechts een garantie is afgegeven aan de gemeente van € 100.000,00. Voorts voeren zij aan dat in de planschade-risicoanalyse er ten onrechte geen rekening mee wordt gehouden dat door de komst van het windpark de WOZ-inkomsten uit de Tolhuislanden structureel sterk verminderd zijn.

2.11.1. Volgens de raad is er geen rechtstreekse relatie tussen WOZ- waardedaling en de toekenning van planschade. Volgens de raad is voorts uit de planschade-risicoanalyse die door Langhout en Wiarda juristen en rentmeesters (hierna: Langhout en Wiarda) naar voren gekomen dat er voor enkele woningen een planologische verslechtering optreedt. De omvang van de planschade wordt begroot op een bedrag van tussen de € 70.000,00 en € 121.000,00. In de planschadeovereenkomst die met de initiatiefnemers is gesloten is afgesproken dat de kosten van mogelijke planschade voor rekening van de initiatiefnemers komt, aldus de raad.

2.11.2. De door Katuin gehanteerde methodiek om de planschade te berekenen gaat uit van de vermindering van de WOZ-waarden. Voor de bepaling van de WOZ-waarde is vooral de feitelijke situatie van belang en wordt geen rekening gehouden met hetgeen planologisch maximaal mogelijk is. Hetgeen planologisch maximaal mogelijk is, is het uitgangspunt bij de bepaling van planschade. Derhalve is een verlaging van de WOZ-waarde op zichzelf niet doorslaggevend voor een planologische verslechtering. In hetgeen [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van de juistheid van de door Langhout en Wiarda opgestelde planschade-risicoanalyse heeft mogen uitgaan. Nu voorts uit de stukken naar voren is gekomen dat een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemers is afgesloten waarin is bepaald dat de planschade kan worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld. De stelling dat ten gevolge van het plan verminderde WOZ-inkomsten uit het gebied De Tolhuislanden worden ontvangen doet hier niet aan af.

Conclusie

2.12. In hetgeen [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 8] en [appellant sub 13] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellanten sub 12], [appellant sub 15], [appellant sub 16] en [appellant sub 17] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de overige beroepen, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

568-678.