Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
201008050/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "N201-Zijdelweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/1071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008050/1/R1.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Uithoorn,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Amstelveen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amstelveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "N201-Zijdelweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 september 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door ing. A.J. IJsseling, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. S.G.A. de Boer, advocaat te Utrecht, ing. R.P.M. Jansen en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en M.P. Koekenbier, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord het provinciebestuur van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en mr. P. Schavendijk en ing. M.J. ten Hove, beiden werkzaam bij de provincie.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het bestemmingsplan maakt de aanleg van een ongelijkvloerse kruising van de om te leggen N201 met de Zijdelweg in de vorm van een zogenoemd halfklaverblad mogelijk. In de huidige situatie is sprake van een gelijkvloerse kruising.

Intrekking

2.2. [appellant sub 2] heeft ter zitting de beroepsgrond ingetrokken dat ten onrechte geen milieu-effectrapport is opgesteld.

Formele bezwaren

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad hen voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure persoonlijk op de hoogte had moeten brengen van de keuze voor een ongelijkvloerse kruising van de N201 met de Zijdelweg in de vorm van een zogenoemd halfklaverblad.

2.3.1. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) noch uit enig ander wettelijk voorschrift een verplichting voor de raad om belanghebbenden voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure persoonlijk op de hoogte te stellen van de voorgenomen inhoud van het in procedure te brengen bestemmingsplan.

2.4. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raadscommissie Ruimtelijke Ordening tijdens een hoorzitting op het gemeentehuis op 2 juni 2010 er ten onrechte van is uitgegaan dat de keuze van de raad voor de halfklaverbladvariant reeds op 4 juli 2007 is gemaakt, wat daar ook van zij, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de raad de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen over de keuze voor de halfklaverbladvariant niet bij de besluitvorming heeft betrokken.

2.5. [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat de raad heeft nagelaten door hen opgevraagde stukken waaruit de motivering voor de keuze voor de halfklaverbladvariant blijkt toe te sturen. Voorts is de raad niet ingegaan op het verzoek om een vervolgoverleg, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 1] en anderen bedoelde stukken op het moment dat daarom werd gevraagd niet bestonden zodat deze niet konden worden toegestuurd. Om die reden werd vervolgoverleg niet zinvol geacht, aldus de raad.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de raad tijdig aan [appellant sub 1] en anderen kenbaar heeft gemaakt dat de stukken niet aanwezig waren en dat vooroverleg daarom naar de mening van de raad niet wenselijk was. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd heeft gehandeld met een wettelijk voorschrift of rechtsbeginsel.

2.6. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het plan niet had mogen worden vastgesteld vanwege de procedure tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden, overweegt de Afdeling dat in de Wro noch in enig ander wettelijk voorschrift de verplichting is opgenomen dat een plan pas mag worden vastgesteld indien het besluit tot vaststelling van hogere waarden onherroepelijk is.

Samenhang met nabijgelegen projecten

2.7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan de samenhang van het plan met diverse projecten in de nabijheid van het plangebied onvoldoende is bezien. In dit verband wijzen zij op de kruising N201 Hoogwaardig Openbaar Vervoer (hierna: N201 HOV), het Amstelgroen-project en de aanleg van het bedrijventerrein Amstelveen-Zuid.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat rekening is gehouden met de door [appellant sub 1] en anderen genoemde projecten. De te verwachten verkeerscijfers van het voorziene bedrijventerrein zijn in ogenschouw genomen, het plan biedt binnen de verkeersbestemming ruimte voor de inpassing van de eventuele N201 HOV en het ruimtebeslag van het voorziene halfklaverblad op het zoekgebied voor het Amstelgroen-project is niet zodanig groot dat dat project niet meer kan worden gerealiseerd, aldus de raad.

2.7.2. [appellant sub 1] en anderen hebben hun stelling dat de samenhang van het plan met de kruising N201 HOV, het Amstelgroen-project en de aanleg van het bedrijventerrein "Amstelveen-Zuid" onvoldoende is bezien, niet onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling, mede in aanmerking genomen de reactie van de raad, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Halfklaverbladvariant en de alternatieve Haarlemmermeervariant

2.8. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de raad onjuiste motieven ten grondslag heeft gelegd aan de keuze voor het voorziene halfklaverblad. Volgens hen wil de raad met deze variant de overlast van de A9 voor de inwoners van Amstelveen beperken, capaciteit bieden aan een mogelijk toekomstige vierbaansroute en het voorziene bedrijventerrein Amstelveen-Zuid ontsluiten zodat de raad met de opbrengst daarvan extra kosten van het plan kan financieren. Ten aanzien van het bedrijventerrein merken [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] op dat niet zeker is of het bedrijventerrein zal worden gerealiseerd. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dragen voorts de Haarlemmermeervariant aan als alternatief voor het voorziene halfklaverblad. Het standpunt van de raad dat de Haarlemmermeervariant niet wenselijk is omdat in dat geval verkeerslichten moeten worden geplaatst die de doorstroming van het verkeer belemmeren acht [appellant sub 2] onjuist, omdat ook zonder toepassing van de Haarlemmermeervariant sprake is van congestie ter plaatse waar de Zijdelweg in zuidelijke richting de bebouwde kom van Uithoorn bereikt.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorziene halfklaverblad een duurzame oplossing biedt voor de doorstroming van het verkeer op de Zijdelweg ter hoogte van de kruising met de omgelegde N201 en dat hiermee het voorziene bedrijventerrein Amstelveen-Zuid verkeersveilig wordt ontsloten. Uit de notitie van Grontmij van 14 juni 2010 volgt dat de halfklaverbladvariant de meest wenselijke vorm is om de ongelijkvloerse kruising aan te leggen, mits een verbindingsweg tussen het noordelijke en het zuidelijke deel van het bedrijventerrein Amstelveen-Zuid wordt aangelegd en een bypass wordt voorzien van zuid naar oost bij de zuidelijke rotonde.

De stelling van [appellant sub 2] dat de op een ander deel van de Zijdelweg bestaande verkeersproblemen niet worden opgelost is volgens de raad onjuist, omdat het bestemmingsplan "Zijdelweg", vastgesteld op 18 maart 2010, voorziet in een reconstructie met rijbaanverdubbeling van deze weg om het verkeer van en naar de nieuwe N201 goed te kunnen afwikkelen. Gelet hierop blijft de raad bij zijn standpunt dat door de plaatsing van verkeerslichten met als gevolg de belemmering van de doorstroming van het verkeer, de zogenoemde Haarlemmermeervariant niet wenselijk is.

2.8.2. In de notitie van Grontmij van 14 juni 2010 zijn de gebundelde Haarlemmermeervariant, de halfklaverbladvariant en een mengvariant van halfklaverbladvariant en de Haarlemmermeervariant onderzocht. In de notitie wordt geconcludeerd dat de Haarlemmermeervariant en de mengvariant leiden tot afwikkelingsproblemen in de ochtendspits en daarom niet toepasbaar zijn. In verband met de zichtbaarheid van de verkeerslichten boven de rijbaan moet de doorrijhoogte onder het viaduct van 4,60 m naar 6,40 m worden verhoogd. Gelet op de grote afwikkelingsproblemen bij deze twee varianten wordt geconcludeerd dat de halfklaverbladvariant de meest geschikte oplossing is, op de voorwaarden dat een verbindingsweg tussen de beide delen van het bedrijventerrein wordt aangelegd en een bypass wordt voorzien van zuid naar oost bij de zuidelijke rotonde.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van bestemmingen een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de notitie van Grontmij van 14 juni 2010 onjuistheden bevat. De raad is er derhalve terecht van uitgegaan dat het viaduct van de N201 over de Zijdelweg moet worden verhoogd in verband met de zichtbaarheid van de verkeerslichten boven de rijbaan. Voorts biedt hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de realisering van het bedrijventerrein Amstelveen-Zuid. Verder heeft de raad aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van de Haarlemmermeervariant, anders dan de halfklaverbladvariant, nadelig is voor bedrijven langs de Zijdelweg en dat problemen ontstaan met de ontsluiting van de reeds langs de Zijdelweg gevestigde bedrijven. Onweersproken heeft de raad gesteld dat bij de halfklaverbladvariant de bestaande bedrijven in de toekomst kunnen aantakken op de infrastructuur van het voorziene bedrijventerrein en dat op deze manier de verkeersstromen van het bedrijventerrein gebundeld via de rotondes op de Zijdelweg worden gebracht, hetgeen de verkeersdoorstroming op de Zijdelweg ten goede komt.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] aangedragen alternatief voor het plan onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de halfklaverbladvariant uit verkeerstechnisch oogpunt het meest geschikt heeft kunnen achten als vorm om de ongelijkvloerse kruising aan te leggen.

Akoestisch onderzoek

2.9. [appellant sub 2] voert aan dat het akoestisch onderzoek "V.2007.5366.00.R001, Zijdelwegvariant N201, gemeente Amstelveen, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai", van 9 november 2007, van dGmR onzorgvuldig is verricht.

2.9.1. Bij uitspraak van 22 juni 2011, in zaak nr. 201005396/1/M2, heeft de Afdeling het beroep van B. [appellant sub 2] tegen het besluit van 23 april 2010 tot vaststelling van hogere waarden voor zijn woning ongegrond verklaard. In deze uitspraak is ingegaan op het akoestische onderzoek en de aanvullende notities waar het bestreden besluit op is gebaseerd. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, geeft geen aanleiding hier in deze procedure anders over te oordelen. Het betoog faalt.

Lichthinder

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat het plan een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat tot gevolg heeft, waarbij hij wijst op een toename van lichthinder. Voorts is niet gegarandeerd dat de raad voorzieningen zal treffen om de lichthinder te beperken, aldus [appellant sub 2].

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het onderzoek "Onderzoek naar mate van lichthinder na aanleg op- en afrit toekomstige N201 nabij de Zijdelweg" van De Kruijter Openbare Verlichting, van 4 maart 2010 weliswaar volgt dat onder meer [appellant sub 2] lichthinder zal ondervinden, maar dat deze hinder zal worden beperkt dan wel zal worden weggenomen, nu de raad de in het onderzoek voorgestelde voorzieningen zal treffen.

2.10.2. In het onderzoek naar lichthinder is aan de hand van een wetenschappelijk rekenmodel onderzocht wat de mate van lichthinder is voor de bewoners rond de nieuw aan te leggen op- en afrit van de N201 nabij de Zijdelweg. In het onderzoek zijn twee situaties beoordeeld. De eerste situatie is de op- en afrit van de N201 aan de kant van Amstelveen. Ten aanzien hiervan wordt geconcludeerd dat de voertuigen die vanuit Hilversum komen en ter hoogte van Uithoorn de N201 verlaten voor belangrijke lichthinder voor de omwonenden zorgen. Door het plaatsen van een zandlichaam met een hoogte van ten minste 1 m aan de rechterzijde van de oprit langs de buitenbocht van de afrit, dan wel een ander obstakel, kan de lichtstraling worden beperkt. Voorts veroorzaken de voertuigen die op de rotonde richting het brandstofuitgiftepunt rijden, lichthinder. Die hinder kan worden beperkt door het plaatsen van een zandlichaam met een minimale hoogte van 3,28 ft (omgerekend 0,91 m) dan wel een ander obstakel, in de oksel van de rotonde net voor de afslag naar het brandstofuitgiftepunt. De tweede situatie die is onderzocht is de op- en afrit van de N201 aan de kant van Uithoorn. Ten aanzien hiervan wordt geconcludeerd dat de voertuigen die vanuit de richting Haarlemmermeer komen en ter hoogte van Uithoorn de N201 verlaten voor belangrijke lichthinder voor de omwonenden zorgen. Door het plaatsen van een zandlichaam met een hoogte van ten minste 1 m dan wel een ander obstakel tussen de beide rijbanen wordt deze lichthinder bij omwonenden beperkt.

2.10.3. [appellant sub 2] heeft de inhoud en de conclusies van het onderzoek naar lichthinder niet bestreden. Voorts heeft de raad ter zitting toegezegd dat de in het onderzoek naar lichthinder aanbevolen voorzieningen worden getroffen om de lichthinder te beperken. Ter zitting is aannemelijk gemaakt dat dit binnen het kader van het plan mogelijk is. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat het plan geen onaanvaardbare lichthinder voor [appellant sub 2] tot gevolg heeft.

Bedrijfsvoering van [appellant sub 2]

2.11. [appellant sub 2] voert aan dat de bedrijfsvoering van het akkerbouwbedrijf aan de [locatie 1] wordt bemoeilijkt door het verlies van 1,5 ha grond en de omstandigheid dat de resterende gronden vanwege de vorm van de percelen moeilijk te bewerken zullen zijn. Voorts betoogt hij dat het plan leidt tot een afname van het zicht op en de bereikbaarheid van zijn bedrijven aan de [locatie 2] en [locatie 1].

2.11.1. De raad heeft erkend dat een klein deel van het akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie 1] zijn bestemming verliest, maar onweersproken gesteld dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 2] kan worden voortgezet. Voorts heeft de raad in zijn verweerschrift aangegeven dat opritten naar de nieuwe Zijdelweg worden aangelegd, de bestaande oversteekmogelijkheid ter plaatse van de percelen van [appellant sub 2] zal worden hersteld en de Zijdelweg zo zal worden uitgevoerd dat deze weg in twee fasen kan worden overgestoken. Verder zullen aanduidingsborden worden geplaatst, zodat de afritten naar de bedrijven duidelijk zichtbaar blijven, aldus de raad. Ter zitting is voldoende aannemelijk gemaakt dat deze aanpassingen tot stand kunnen worden gebracht binnen het kader van het plan. Voorts heeft het provinciebestuur ter zitting toegezegd dat de gevolgen van het verlies van 1,5 ha grond voor de bedrijfsvoering van het akkerbouwbedrijf betrokken zullen worden in het kader van de verwerving van bedoelde grond. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 2] beperkt zijn.

Belangenafweging

2.12. [appellant sub 2] voert aan dat bij de vaststelling van het plan geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.12.1. De Afdeling overweegt dat uit het plan en de toelichting daarop blijkt dat de raad de verschillende belangen heeft beoordeeld en in de afweging heeft betrokken. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat met zijn belangen geen rekening is gehouden.

Financiële uitvoerbaarheid

2.13. [appellant sub 2] voert aan dat het plan niet financieel uitvoerbaar is. Uit de notitie van Grontmij van 14 juni 2010 volgt dat aanvullende maatregelen nodig zijn bij de keuze voor het voorziene halfklaverblad en dat dit aanpassingen vereist in het bestemmingsplan en dat het kosten met zich brengt die niet in de begroting zijn meegenomen en waarvoor geen financiën beschikbaar zijn.

2.13.1. De raad stelt dat het gaat om een van overheidswege te realiseren project en dat de noodzakelijke gelden voor de realisering van dit project inclusief alle bijkomende maatregelen voorhanden zullen zijn.

2.13.2. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is.

Conclusie

2.14. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. van Diepenbeek w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

191-668.