Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
201105180/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 2 juli 2010 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 herzien en vastgesteld op nihil en het teveel betaalde van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105180/1/H2.

Datum uitspraak: 11 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011 in zaak nr. 10/4008 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 juli 2010 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 herzien en vastgesteld op nihil en het teveel betaalde van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2011, verzonden op 1 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 september 2010 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 juni 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2011, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 6, derde lid, heeft (in 2006) een ouder met een partner slechts aanspraak, indien ook de partner een persoon is als bedoeld in het eerste lid. Een ouder met een partner die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in een lidstaat woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht, dan wel als hij een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.

Ingevolge artikel 6, derde lid, heeft (in 2007) een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, en

a. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht,

b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, d, e, h, of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland,

c. werkloos wordt als bedoeld in het tweede lid en een uitkering ontvangt als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of,

d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de Awir, zoals die wet luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, verstaan onder partner: de persoon bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is de partner van de belanghebbende degene die hierna als eerste wordt genoemd: de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, kan de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming herzien op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend.

Ingevolge het derde lid kan een herziening op grond van dit artikel leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is een belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt.

2.2. In het besluit op bezwaar van 7 september 2010 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan artikel 6, derde lid, van de Wko, aangezien de echtgenoot van [appellante] in 2006 en 2007 in Turkije verbleef en de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 op nihil en de terugvordering gehandhaafd.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 27 september 2010 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, omdat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de echtgenoot van [appellante] in 2006 en 2007 arbeid heeft verricht of een uitkering heeft ontvangen in de zin van de Wko en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een kinderopvangtoeslag. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken, aldus de rechtbank.

2.4. Het hoger beroep van [appellante] is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij geen recht heeft op een kinderopvangtoeslag. Zij voert daartoe aan dat zij in 2006 en 2007 fulltime werkte en alleen voor haar kind zorgde. Voorts voert zij aan dat de Belastingdienst haar echtgenoot in 2006 en 2007 ten onrechte heeft aangemerkt als haar partner, aangezien zij, vanwege het verblijf van haar echtgenoot in Turkije, in die periode gescheiden leefde van haar echtgenoot.

2.5.1. Uit artikel 1, aanhef en onder h, gelezen in verbinding met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir, wordt in inkomensafhankelijke regelingen onder meer onder partner verstaan: de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, onder meer in het arrest van 8 februari 2008, LJN AD9107 (www.rechtspraak.nl), waarbij de Afdeling in deze aansluit, is van duurzaam gescheiden leven slechts sprake indien ten aanzien van de gehuwden de toestand is ingetreden, dat, na de door beiden of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd, en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

[appellante] was in 2006 en 2007 gehuwd met [echtgenoot]. [echtgenoot] verbleef in die periode in Turkije, omdat hij niet beschikte over de benodigde verblijfsvergunning. Hij is in 2008 naar Nederland gekomen en heeft zich op 19 mei 2008 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

[appellante] heeft het standpunt van de Belastingdienst, dat zij de intentie had om met haar echtgenoot samen te wonen en dat zij slechts tijdelijk van haar echtgenoot was gescheiden, omdat haar echtgenoot niet beschikte over een geldige verblijfstitel, niet bestreden. Gelet hierop was de toestand, waarin [appellante] haar eigen leven leidde, niet als bestendig bedoeld. Zij was dan ook in 2006 en 2007 niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot.

De Belastingdienst heeft derhalve de echtgenoot van [appellante] terecht aangemerkt als partner als bedoeld in artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, van de Awir.

2.5.2. Nu verder niet in geschil is dat de echtgenoot van [appellante] in 2006 en 2007 niet in Nederland woonde, geen arbeid heeft verricht in die periode en ook anderszins niet voldeed aan artikel 6, derde lid, van de Wko, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] geen aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag.

2.5.3. Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst had moeten afzien van herziening van de definitief vastgestelde kinderopvangtoeslagen over 2006 en 2007. Zij voert daartoe aan dat de Belastingdienst heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel door met terugwerkende kracht het recht op kinderopvangtoeslag over die jaren op nihil te stellen.

2.6.1. [appellante] heeft bij haar aanvraag van 30 augustus 2006 en bij haar gewijzigde aanvraag van 10 november 2006 niet aangegeven dat zij een partner heeft en dat zij is gehuwd. De Belastingdienst heeft, op basis van die aanvraag, over 2006 en 2007 voorschotten kinderopvangtoeslag verstrekt.

[appellante] heeft ook na het verlenen van die voorschotten geen mededeling gedaan aan de Belastingdienst, dat zich wijzigingen hebben voorgedaan in het aangaan of beëindigen van haar partnerschap, terwijl zij daar, gelet op artikel 17, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste en tweede lid van de Uitvoeringsregeling Awir, toe was gehouden. De Belastingdienst kon dan ook bij het definitief vaststellen van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 er geen rekening mee houden dat [appellante] in die jaren een partner had, omdat [appellante] de Belastingdienst daarvan niet op de hoogte heeft gesteld.

Vervolgens is bij een algemene controle gebleken dat [appellante] in de desbetreffende periode een echtgenoot had, die niet in Nederland woonde. Dit is, mede gelet op het voorgaande, een omstandigheid als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir, op grond waarvan de Belastingdienst de definitief berekende kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 mocht herzien en het teveel betaalde van haar kon terugvorderen.

2.6.2. Niet is gebleken van een toezegging van de Belastingdienst waaraan [appellante] de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat van de herzieningsbevoegdheid van artikel 21 van de Awir zou kunnen worden afgezien. Dat de Belastingdienst pas in 2010 tot herziening is overgegaan, is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de Belastingdienst eerst op dat moment over de echtgenoot op de hoogte is geraakt en daarvan redelijkerwijs niet eerder op de hoogte had kunnen zijn. Voorts is van belang dat de Belastingdienst ingevolge artikel 21, tweede lid, maximaal vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft van de herzieningsbevoegdheid gebruik kan maken.

2.7. De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat de door [appellante] gestelde feiten en omstandigheden niet in de weg staan aan de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 op nihil.

2.8. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 7 september 2010 in stand gelaten.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012

85-680.