Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV0100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-01-2012
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
201100570/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010, kenmerk 10.UP5861, heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Buitengebied Texel, De Zeshonderd 9" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet ruimtelijke ordening 4.1
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/1084
OGR-Updates.nl 2012-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100570/1/R1.

Datum uitspraak: 4 januari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Tien voor Texel, gevestigd te Den Burg, gemeente Texel, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010, kenmerk 10.UP5861, heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Buitengebied Texel, De Zeshonderd 9" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging Tien voor Texel en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 februari 2011.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2011, waar de vereniging Tien voor Texel en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Haarlem, [penningmeester] van de vereniging Tien voor Texel, en [voorzitter] van de vereniging Landschapszorg Texel, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan ziet op gronden aan De Zeshonderd 9 te Oudeschild. Met het plan wordt beoogd de vestiging van een mesthandel ter plaatse mogelijk te maken.

2.2. Ingevolge artikel 9.1.5., tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (1 juli 2008) van toepassing ten aanzien van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp binnen een jaar na dat tijdstip ter inzage is gelegd.

Het ontwerpwijzigingsplan heeft met ingang van 12 oktober 2009 ter inzage gelegen, zodat gelet op het bepaalde in artikel 9.1.5. van de Invoeringswet Wro de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) op de totstandkoming van het wijzigingsplan van toepassing is.

2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent wijziging van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, van de Wro.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.1. [appellant A] woont op een afstand van ongeveer 360 m van het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die met het mede door hem bestreden wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft hij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Het beroep van de vereniging Tien voor Texel en anderen, voor zover ingesteld door [appellant A], is niet-ontvankelijk.

2.4. De vereniging Tien voor Texel en anderen kunnen zich niet verenigen met het wijzigingsplan. Zij voeren onder meer aan dat het wijzigingsplan in strijd is met artikel 28, tweede lid, van de Provinciale ruimtelijke verordening structuurvisie van Noord-Holland (hierna: de verordening), waarin is bepaald dat een bestemmingsplan niet mag voorzien in bestemmingen en regels voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven.

2.5. Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat de verordening niet van toepassing is op de onderhavige situatie, nu de aanvraag die hieraan ten grondslag ligt van vóór 1 november 2010 dateert.

2.6. In het bestemmingsplan "Buitengebied Texel" (hierna: het bestemmingsplan) dat de raad van de gemeente Texel bij besluit van 9 juli 1996 heeft vastgesteld, is aan de in geding zijnde gronden een bouwvlak toegekend met de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 3, klasse a".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor "Agrarisch gebied, categorie 3" aangewezen gronden met landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het tweede lid mogen de gronden uitsluitend worden gebruikt en ingericht voor agrarische doeleinden, met de daarbij behorende bebouwing:

in de klasse a: bedrijfsgebouwen, dienstwoningen en bijgebouwen;

(…)

in de klasse h: bedrijfsgebouwen, dienstwoningen en bijgebouwen, welke mede als agrarisch hulp- en toeleveringsbedrijf worden gebruikt, met in alle klassen de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken, alsmede voor de instandhouding, het herstel en de uitbouw van de aan die gronden eigen eerder genoemde waarden. (…) De bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het vijfde lid mogen de gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken klassen a, b of h worden opgericht. Ten aanzien van de bebouwing gelden de volgende voorschriften:

a. de goot- respectievelijk nokhoogte mag niet meer bedragen dan:

in de categorieën 1, 2 en 3: 4,5 m respectievelijk 10 meter.

in categorie 4: 3 m respectievelijk 10 meter.

(…)

Ingevolge het zesde lid mogen op of in de in het eerste lid genoemde gronden uitsluitend andere bouwwerken worden opgericht, welke noodzakelijk zijn voor, of direct verband houden met de in lid 1 en 2 omschreven bestemming, met dien verstande, dat:

a. de hoogte binnen de bebouwingsvlakken niet meer dan 10 meter bedraagt;

b. de hoogte buiten de bebouwingsvlakken niet meer dan 1 meter bedraagt;

(…)

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder au, wordt onder een agrarisch hulp- en toeleveringsbedrijf verstaan een loonwerkbedrijf, (kunst)mestverzamel- en distributiebedrijf, of veevoederbedrijf en veeverzorgingsbedrijf.

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft het desbetreffende plandeel goedgekeurd bij besluit van 27 februari 2007, met uitzondering van - voor zover hier van belang - de woorden "en 3" in artikel 3, vijfde lid, onder a, en het afwegingskader voor de vrijstellingsregeling en de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het achtste onderscheidenlijk het negende lid van de planvoorschriften.

2.6.1. Bij besluit van 14 juli 1998 heeft de raad de herziening vastgesteld, die mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bij de herziening is onder meer het vijfde lid, onder a, van artikel 3 van de voorschriften van het bestemmingsplan gewijzigd. Verder is in het achtste lid niet langer het afwegingskader voor de vrijstellingsregeling opgenomen, maar een aangepaste wijzigingsbevoegdheid.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan zoals deze luiden na herziening mag de goot- respectievelijk nokhoogte niet meer bedragen dan:

in de categorieën 1 en 2: 4,5 meter respectievelijk 10 meter;

in de categorieën 3 en 4: 3 meter respectievelijk 10 meter.

Ingevolge het achtste lid, aanhef en onder d, van de voorschriften van het bestemmingsplan zoals deze luiden na herziening kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door in de categorieën 1, 2 en 3 van deze bestemming een bestaand bebouwingsvlak te wijzigen in de klasse a of h, indien aangetoond wordt dat dat agrarisch respectievelijk bedrijfsmatig noodzakelijk is en dat het om een volwaardig bedrijf gaat. De criteria die hierbij gehanteerd worden zijn:

- hoofdberoep;

- omvang bedrijf;

- continuïteit;

- toezichtvereisend karakter;

bij de wijziging naar een bebouwingsvlak van de klasse h wordt de mate van inbreuk op het landschap door opslag van machines en materialen op het erf, buiten de bebouwing, meegewogen.

Het college van gedeputeerde staten heeft de herziening in zoverre bij besluit van 16 februari 1999 goedgekeurd.

2.6.2. In het wijzigingsplan is aan de in geding zijnde gronden de bestemming "Agrarische doeleinden, categorie 3, klasse h" toegekend.

Ingevolge de regels behorende bij het wijzigingsplan zijn de regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan en de herziening op het wijzigingsplan van toepassing. Aanvullend is de volgende regel van toepassing: "Ten behoeve van de mesthandel mag op het perceel maximaal een mestzak van 2500 m³ worden gerealiseerd met een maximale hoogte van 2,5 m".

2.7. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wro - voor zover hier van belang - kunnen indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van 26 oktober 2011 in zaak nr. 200909916/1/R1 brengt een redelijke uitleg van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro met zich dat regels uit een Verordening, als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, die betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan, ook betrekking hebben op de inhoud van een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro.

2.7.1. Provinciale Staten hebben op 21 juni 2010 de verordening vastgesteld. Op 1 november 2010 is de verordening in werking getreden.

In artikel 2 van de verordening is bepaald dat de verordening zich onder meer richt op wijzigingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro. In de verordening is geen uitzonderingsbepaling opgenomen voor wijzigingsplannen waaraan een aanvraag ten grondslag ligt die dateert van voor de inwerkingtreding van de verordening. Gelet op het voorgaande en nu de verordening ten tijde van het nemen van het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan in werking was, is het standpunt van het college van burgemeester en wethouders dat de verordening niet van toepassing is op de onderhavige situatie onjuist.

2.7.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de regels van de verordening maakt een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het gebied buiten de in artikel 26, eerste lid, bedoelde gebieden, de zogenoemde gebieden voor grootschalige landbouw, geen agrarische bouwpercelen mogelijk, groter dan 1,5 ha.

In het tweede lid is bepaald dat in aanvulling op het eerste lid het bestemmingsplan niet voorziet in bestemmingen en regels ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijven.

Op kaart 6 behorende bij de verordening is Texel niet aangeduid als gebied voor grootschalige landbouw. Het standpunt van de vereniging Tien voor Texel en anderen dat het wijzigingsplan regels bevat inzake een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is juist. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen de vereniging Tien voor Texel en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 28 van de verordening. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeft het beroep voor het overige geen bespreking meer.

2.8. Het college van burgemeester en wethouders dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [appellant A] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Texel van 23 november 2010, kenmerk 10.UP5861, tot vaststelling van het wijzigingsplan "Buitengebied Texel, De Zeshonderd 9";

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Texel tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Tien voor Texel en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 912,71 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en eenenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Texel aan de vereniging Vereniging Tien voor Texel en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2012

466.