Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BV0418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
09-01-2012
Zaaknummer
201106133/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

TERUGKEERRICHTLIJN / Werkingssfeer Terugkeerrichtlijn / Jurisprudentie Dublinzaken / Er is geen sprake van terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn indien een vreemdeling, vrijwillig of gedwongen, terugkeert naar een land dat lid is van de Europese Unie of een land dat voor de toepassing van de Verordening met een lidstaat van de Europese Unie is gelijk te stellen

Uit de bepalingen van de Overeenkomst, in onderlinge samenhang gelezen, volgt niet alleen dat Noorwegen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst deelneemt aan de uitvoering van de Overeenkomst van Dublin en dat de bepalingen daarvan tussen Noorwegen en de lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijn, maar ook dat Noorwegen wordt betrokken bij de totstandkoming van nieuwe besluiten en regelingen waarop de Overeenkomst betrekking heeft. Uit artikel 2, eerste lid, van het Protocol volgt dat na de inwerkingtreding van de Verordening op 17 maart 2003 de bepalingen van deze Verordening tussen Noorwegen en de lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijn. Dat betekent, mede gelet op hetgeen in artikel 1, vierde lid, van de Overeenkomst en punt 8 van de considerans van de Uitvoeringsverordening is bepaald, dat Noorwegen voor de toepassing van de Verordening gelijk wordt gesteld met een lidstaat van de Europese Unie. Uit het vorenstaande volgt dat hetgeen in overweging 2.3.1. van de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201103206/1/V3 (www.raadvanstate.nl) is overwogen in deze zaak in zoverre dient te worden gepreciseerd dat geen sprake is van terugkeer in de zin van de richtlijn indien een vreemdeling, vrijwillig of gedwongen, terugkeert naar een land dat lid is van de Europese Unie of een land dat voor de toepassing van de Verordening met een lidstaat van de Europese Unie is gelijk te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106133/1/V3.

Datum uitspraak: 22 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 27 mei 2011 in zaak nr. 11/16248 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 mei 2011, verzonden op 30 mei 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Uit het zogenoemde Model M120 van 10 mei 2011 blijkt dat op 21 april 2011 een claim bij de Noorse autoriteiten is ingediend op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening). Deze hebben op 28 april 2011 ten behoeve van de vreemdeling een claimakkoord afgegeven. De bewaring is op 16 mei 2011 opgeheven, omdat de vreemdeling op die dag aan de Noorse autoriteiten is overgedragen.

2.2. In de eerste en tweede grief klaagt de vreemdeling, samengevat, dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de voorgedragen beroepsgrond dat Noorwegen geen lid is van de Europese Unie, zodat Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn) op hem van toepassing is en dat hij daarom niet zonder een terugkeerbesluit in bewaring had kunnen worden gesteld.

2.2.1. De rechtbank heeft overwogen dat de richtlijn niet van toepassing is op vreemdelingen voor wie een claim is ingediend op grond van de Verordening en dat de minister daarom geen terugkeerbesluit heeft behoeven te nemen.

2.2.2. Met deze overweging heeft de rechtbank de in de grief bedoelde beroepsgrond niet in haar beoordeling betrokken, zodat de klacht terecht is voorgedragen. De grieven leiden evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daarvoor is het volgende redengevend.

2.2.3. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Overeenkomst van 19 januari 2001 tussen de Europese Gemeenschap, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de criteria en de mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat, in IJsland of Noorwegen wordt ingediend (PB 2001 L 93 van 3 april 2001; hierna: de Overeenkomst), voor zover thans van belang, worden de in deel 1 van de bijlage bij deze overeenkomst genoemde bepalingen van de Overeenkomst van Dublin, met inachtneming van het vierde lid, door IJsland en Noorwegen ten uitvoer gelegd en in hun onderlinge betrekkingen en in hun betrekkingen met de lidstaten toegepast.

Volgens het tweede lid, passen de lidstaten, met inachtneming van het vierde lid, de in het eerste lid genoemde regels toe ten aanzien van IJsland en Noorwegen.

Volgens het vierde lid, worden voor de toepassing van het eerste en tweede lid verwijzingen naar “lidstaten” in de bepalingen als bedoeld in de bijlage geacht ook IJsland en Noorwegen te omvatten.

Volgens artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, wint de Commissie van de Europese Unie bij het uitwerken van nieuwe wettelijke bepalingen op grond van artikel 63, eerste lid, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans: artikel 78, tweede lid, aanhef en onder e, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) op een van de gebieden waarvan sprake is in de bijlage in de overeenkomst informeel het advies in van deskundigen uit IJsland en Noorwegen.

Volgens het derde lid, zover thans van belang, plegen de overeenkomstsluitende partijen in de fase voorafgaand aan de vaststelling van wettelijke bepalingen in een voortdurend informatie– en raadplegingsproces, op belangrijke momenten op verzoek van een hunner overleg met elkaar in het Gemengd Comité.

Volgens artikel 3, voor zover thans van belang, komt het Gemengd Comité bijeen om van gedachten te wisselen over de uitwerking van nieuwe wettelijke bepalingen op grond van artikel 63, eerste lid, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, die betrekking hebben op de in de bijlage bedoelde materie.

Volgens artikel 4, eerste lid, voor zover thans belang, worden, onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid nieuwe besluiten of maatregelen betreffende aangelegenheden als bedoeld in artikel 1 van meet af aan toegepast door de lidstaten enerzijds en door IJsland en Noorwegen anderzijds, tenzij in die besluiten en maatregelen uitdrukkelijk anders is bepaald.

Volgens het tweede lid, wordt de aanneming van besluiten of maatregelen als bedoeld in het eerste lid door de Commissie onverwijld medegedeeld aan IJsland en Noorwegen en beslissen deze onafhankelijk of zij de inhoud ervan aanvaarden en die in hun interne rechtsorde uitvoeren.

Volgens het vijfde lid, schept de aanvaarding door IJsland en Noorwegen van de in het eerste lid bedoelde besluiten en maatregelen rechten en verplichtingen tussen IJsland en Noorwegen, en tussen IJsland en Noorwegen enerzijds, en de lidstaten van de Europese Unie anderzijds.

Volgens punt 8 van de considerans van Verordening (EG) 1560/2003 houdende de uitvoeringsbepalingen van de Verordening (hierna: de Uitvoeringsverordening) wordt deze verordening, overeenkomstig artikel 4 van de Overeenkomst, gelijktijdig toegepast door de lidstaten, IJsland en Noorwegen en omvat de term "lidstaten" in de verordening houdende de uitvoeringsbepalingen van de Verordening eveneens IJsland en Noorwegen.

Volgens artikel 2, eerste lid, van het Protocol bij de Overeenkomst (PB 2006 L 57; hierna: het Protocol) zijn de bepalingen van de "verordening Dublin II”, die aan dit protocol is gehecht en er deel van uitmaakt, samen met de krachtens artikel 27, lid 2, van de "verordening Dublin II” aangenomen maatregelen ter uitvoering daarvan uit hoofde van het internationale recht van toepassing op de betrekkingen tussen enerzijds Denemarken en anderzijds IJsland en Noorwegen.

2.2.4. Uit de bepalingen van de Overeenkomst, in onderlinge samenhang gelezen, volgt niet alleen dat Noorwegen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst deelneemt aan de uitvoering van de Overeenkomst van Dublin en dat de bepalingen daarvan tussen Noorwegen en de lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijn, maar ook dat Noorwegen wordt betrokken bij de totstandkoming van nieuwe besluiten en regelingen waarop de Overeenkomst betrekking heeft.

Uit artikel 2, eerste lid, van het Protocol volgt dat na de inwerkingtreding van de Verordening op 17 maart 2003 de bepalingen van deze Verordening tussen Noorwegen en de lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijn.

Dat betekent, mede gelet op hetgeen in artikel 1, vierde lid, van de Overeenkomst en punt 8 van de considerans van de Uitvoeringsverordening is bepaald, dat Noorwegen voor de toepassing van de Verordening gelijk wordt gesteld met een lidstaat van de Europese Unie.

2.2.5. Uit het vorenstaande volgt dat hetgeen in overweging 2.3.1. van de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201103206/1/V3 (www.raadvanstate.nl) is overwogen in deze zaak in zoverre dient te worden gepreciseerd dat geen sprake is van terugkeer in de zin van de richtlijn indien een vreemdeling, vrijwillig of gedwongen, terugkeert naar een land dat lid is van de Europese Unie of een land dat voor de toepassing van de Verordening met een lidstaat van de Europese Unie is gelijk te stellen.

2.2.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen valt het aan Noorwegen gerichte verzoek tot overname of terugname van de vreemdeling op grond van de Verordening niet als terugkeer in de zin van de richtlijn aan te merken, zodat de richtlijn niet van toepassing is.

Noorwegen dient de richtlijn toe te passen en is verantwoordelijk voor de terugkeer van de vreemdeling, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de richtlijn. Dit wordt bevestigd in punt 28 van de considerans van de richtlijn.

2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de richtlijn niet op de vreemdeling van toepassing is en dat de minister ten aanzien van de vreemdeling geen terugkeerbesluit heeft behoeven te nemen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2011

347-699.

Verzonden: 22 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser