Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BV0094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
201110893/1/R4 en 201110893/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Drachten-Woon- en Zorglocatie De Lauwers" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110893/1/R4 en 201110893/2/R4.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Drachten, gemeente Smallingerland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Smallingerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Drachten-Woon- en Zorglocatie De Lauwers" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2011, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 november 2011, waar [appellanten], in de persoon van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door W. Jans en T. de Jonge, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de stichting Stichting Accolade (hierna: Accolade), vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ontvankelijkheid

2.2. Het beroep van [appellanten], voor zover ingediend door [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp en betrokkenen door deze wijzigingen in een nadeliger positie zijn gebracht, dan wel indien een belanghebbende anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Voor zover [appellanten] hebben gesteld dat het onderhavige plan eerst deel uitmaakte van het bestemmingsplan "De Drait - Morrapark" en zij tegen dit laatstgenoemde plan reacties hebben ingebracht die betrekking hebben op het huidige plangebied en de ontwikkelingen die ter plaatse mogelijk gemaakt worden, overweegt de voorzitter dat deze reacties zien op het voorontwerp van het bestemmingsplan "De Drait - Morrapark". Vast staat dat het ontwerp van het onderhavige plan van 24 oktober 2008 tot en met 4 december 2008 ter inzage heeft gelegen. Gelet hierop hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] de mogelijkheid gehad tijdig een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren te brengen. Voorts is weliswaar aan een gedeelte van de gronden die in het ontwerpplan bestemd waren als "Wonen - Wooncentrum (W-WC)" bij de vaststelling van het plan de bestemming "Wonen - Woongebouw (W-WG)" toegekend, maar

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn door deze gewijzigde vaststelling niet in een nadeliger positie gebracht, nu de bestemming "Wonen - Woongebouw (W-WG)" in minder mogelijkheden voorziet dan de in het ontwerpplan toegekende bestemming "Wonen - Wooncentrum (W-WC)".

Het beroep, voor zover ingediend door [appellant sub 1], [appellant sub 2],

[appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5], is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2.1. Het beroep is verder mede ingediend door [appellant sub 6]. [appellant sub 6] heeft tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Wooncentrum

(W-WC)" geen zienswijze ingediend. Hoewel het plan, gelet op hetgeen in 2.2. is overwogen, gewijzigd is vastgesteld, heeft deze gewijzigde vaststelling niet tot gevolg dat [appellant sub 6] in een nadeliger positie wordt gebracht. Het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 6], is derhalve eveneens niet-ontvankelijk.

Het plan

2.3. Het plangebied wordt begrensd door de Lauwers en de Overstesingel, het riviertje de Oude Drait en bestaande woonbebouwing aan de noordkant. Het plan voorziet in een woon- en zorglocatie met 50 zelfstandige appartementen die gerealiseerd worden in een drietal nieuwe woongebouwen, een woon-zorgeenheid en bijbehorende dienstverlening en voorzieningen.

2.4. Het beroep van [appellanten], voor zover dit is ingediend door [appellanten sub 7], is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Woongebouw (W-WG)" en de aanduidingen "maximale goot- en bouwhoogte 20 m", "maximale goot- en bouwhoogte 17 m" en "maximale goot- en bouwhoogte 13 m". Zij betogen allereerst dat bij de beantwoording van hun zienswijze over de stedenbouwkundige invulling van het plangebied inhoudelijk niet op de zienswijze gereageerd is door de raad, maar slechts is verwezen naar de plantoelichting.

2.4.1. De raad is in de notitie "Samenvatting en beantwoording zienswijzen" (hierna: notitie beantwoording zienswijzen) inhoudelijk ingegaan op hetgeen [appellanten sub 7] in de door hen ingediende zienswijze op dit punt hebben aangevoerd. [appellanten sub 7] hebben in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.5. [appellanten sub 7] voeren verder aan dat het plan hun woon- en leefklimaat aantast. In dit verband wijzen zij op schaduwhinder en inkijk in hun woningen.

2.5.1. Blijkens de verbeelding is aan een gedeelte van de gronden in het zuidoosten van het plangebied de bestemming "Wonen - Woongebouw

(W-WG)" met de aanduidingen "maximale goot- en bouwhoogte 20 m", "maximale goot- en bouwhoogte 17 m" en "maximale goot- en bouwhoogte 13 m" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw (W-WG)" bestemd voor wonen, eventueel in combinatie met werk aan huis.

Ingevolge lid 6.2.2, onder c, mogen in woongebouwen op gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw (W-WG)" maximaal 50 appartementen gebouwd worden.

Blijkens de verbeelding in samenhang gelezen met lid 6.2.2, onder d, zijn de maximale bouwhoogtes van de voorziene woongebouwen 20 meter, onderscheidenlijk 17 en 13 meter.

2.5.2. De woningen van [appellanten sub 7] bevinden zich op de percelen [locatie sub 1], [locatie sub 2], [locatie sub 3] en [locatie sub 4]. De afstand tussen het meest oostelijk gelegen bouwvlak van het plandeel "Wonen - Woongebouw (W-WG)" met de aanduiding "maximale "goot- en bouwhoogte 20" en de dichtstbijzijnde woning op het perceel [locatie sub 2] bedraagt blijkens de verbeelding ongeveer 65 meter.

2.5.3. De voorzitter overweegt dat enige vermindering van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 7], gelet op het feit dat de gronden in het plangebied thans bijna geheel onbebouwd zijn, niet uit te sluiten is. In dit verband wordt echter van belang geacht dat de woningen van [appellanten sub 7] op een afstand van minimaal 65 meter staan ten opzichte van het dichtstbijzijnde voorziene woongebouw. Verder wordt van belang geacht dat uit het door Van Manen en Zwart architecten opgestelde bezonningsonderzoek van 18 augustus 2008 (hierna: het bezonningsonderzoek) volgt dat realisering van het plan tot gevolg heeft dat in december de woning op het perceel [locatie sub 4] rond 15:00 uur deels in de schaduw komt te liggen, maar dat in de overige periodes van het jaar realisering van het plan geen schaduwwerking tot gevolg heeft voor de woningen van [appellanten sub 7]. Voorts volgt uit het bezonningsonderzoek dat in de huidige situatie de bestaande beplanting gedurende het gehele jaar reeds een belangrijk deel van de aanwezige schaduw veroorzaakt. In de notitie beantwoording zienswijzen stelt de raad verder dat de aanwezige beplanting in het plangebied samen met het openbaar groen aan weerszijden van de weg Lauwers voor een belangrijk deel het zicht wegneemt op de voorziene woongebouwen en vanaf deze gebouwen op de bestaande woningen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 7]. Dat vanwege de ontsluiting van het plangebied op de Lauwers enkele bomen en bosschages gekapt moeten worden, maakt het voorgaande niet anders, nu de raad ter zitting heeft aangegeven dat in het plangebied nieuwe bomen gepoot zullen worden.

2.5.4. Voor zover [appellanten sub 7] ter zitting hebben betoogd dat de bouwwerken van 20 meter, onderscheidenlijk 17 en 13 meter niet passen in de omgeving, overweegt de voorzitter dat uit de plantoelichting volgt dat gekozen is voor hoogbouw op de desbetreffende plek, omdat het profiel en de ruimtelijke beleving van de ontsluitingsweg Lauwers op deze manier wordt verbeterd. Ter zitting is door de raad uiteengezet dat de drie woongebouwen dienen als markeringsteken om de kruising tussen de Lauwers, de Overstesingel en het riviertje de Oude Drait te benadrukken. Dat de hoogbouw afwijkt van de bestaande karakteristiek is derhalve een bewuste keuze van de raad. De voorzitter ziet in hetgeen [appellanten sub 7] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze keuze heeft kunnen maken.

2.6. [appellanten sub 7] betogen voorts dat de koppeling tussen woon- en zorglocatie ten onrechte wordt losgelaten, nu het plan gefaseerd wordt uitgevoerd en de ontwikkeling van de zorglocatie op een later tijdstip zal plaatsvinden. Zij betwijfelen of het gehele plan binnen de planperiode gerealiseerd zal worden.

2.6.1. Vast staat dat in het plan geen fasering is opgenomen. Ter zitting is door de raad te kennen gegeven dat met Accolade is overeengekomen dat binnen één jaar na vaststelling van het plan moet worden gestart met de uitvoering hiervan en dat binnen drie jaar na de vaststelling het gehele plan gerealiseerd moet zijn. Door Accolade is ter zitting aangegeven dat zij voornemens is om met de bouw van de drie woongebouwen te starten en dat hiervoor op korte termijn een aanvraag voor een omgevingsvergunning zal worden ingediend. Voorts heeft zij aangegeven dat zij thans reeds in nauw overleg is met een zorginstelling over de realisering van de voorziene woon-zorgeenheid.

Gelet op het voorgaande hebben [appellanten sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode verwezenlijkt zal worden.

2.7. Ten slotte vrezen [appellanten sub 7] voor overlast in de omgeving, nu de drie woongebouwen niet uitsluitend aan senioren verhuurd worden.

2.7.1. Accolade heeft ter zitting uiteengezet dat in de drie woongebouwen levensloopbestendige appartementen gerealiseerd zullen worden en dat zij de intentie heeft om deze appartementen te verhuren aan senioren. De voorzieningen ter plaatse zullen volgens haar ook op deze doelgroep gericht zijn, maar het is niet uitgesloten dat ook anderen dan senioren de appartementen zullen bewonen.

De voorzitter stelt voorop dat in het plan niet kan worden geregeld dat de appartementen slechts bewoond mogen worden door senioren, nu een dergelijke voorwaarde in de gegeven omstandigheden niet ruimtelijk relevant is. Voor zover [appellanten sub 7] vrezen voor overlast van bewoners van de voorziene woongebouwen, overweegt de voorzitter dat het tegengaan van eventuele overlastveroorzakende activiteiten een kwestie is van handhaving en in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.8. In hetgeen [appellanten sub 7] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep, voor zover ingediend door [appellanten sub 7], is ongegrond.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingediend door [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor zover ingediend door [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 11], ongegrond;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

191-634.