Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201105670/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2006 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Broekcal Projectontwikkeling B.V. (hierna: Broekcal) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel gelegen tussen Slootsestraat 7 en 9 te Puiflijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105670/1/H1.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Druten,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011 in zaak nr. 10/2652 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Druten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2006 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Broekcal Projectontwikkeling B.V. (hierna: Broekcal) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel gelegen tussen Slootsestraat 7 en 9 te Puiflijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 december 2007, voor zover hier van belang, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 29 november 2006 in stand gelaten, met dien verstande dat ook vrijstelling wordt verleend van het bestemmingsplan "Puiflijk".

Bij uitspraak van 4 augustus 2009 heeft de rechtbank Arnhem het door vergunninghouder daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 4 juni 2010 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 november 2006, dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit, onder aanvulling van de motivering daarvan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 april 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. Wensink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een vrijstaande woning met garage op het perceel. Het gebouw bestaat uit een hoofdmassa met twee bouwlagen en een puntdak en uit een aanbouw met één bouwlaag met een platdak.

2.2. Op het perceel zijn twee bestemmingsplannen van toepassing, "Puiflijk, herziening 2000" en "Puiflijk". Aan het in het bestemmingsplan "Puiflijk, herziening 2000" op het perceel geprojecteerde bouwvlak is goedkeuring onthouden door het college van gedeputeerde staten. Voor dit gedeelte van het perceel geldt daarom het eerdere bestemmingsplan "Puiflijk", waarin een bouwvlak op het perceel is opgenomen.

Ingevolge het bestemmingsplan "Puiflijk" rust op het betrokken deel van het perceel de bestemming "Woondoeleinden, kategorie EO (eengezinshuizen, open bebouwing)".

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag de afstand van elk niet ingebouwd eengezinshuis tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 2,50 m bedragen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder g, mag de perceelbreedte voor vrijstaande woningen minimaal 15 m bedragen.

Ingevolge het bestemmingsplan "Puiflijk, herziening 2000" rust op het betrokken deel van het perceel de bestemming "Woondoeleinden, categorie EO (eengezinshuizen).

Ingevolge artikel 1, onder 16, van de planvoorschriften is een bijgebouw een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1, onder 21, is een erf dat deel van een bouwperceel, zowel binnen als buiten het bouwvlak, waarop bijgebouwen mogen worden opgericht.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder i, mogen bij woningen op het erf worden opgericht bijgebouwen met dien verstande dat de totale oppervlakte van bijgebouwen tezamen per woning niet meer dan 70 m2, de hoogte maximaal 5,5 m, de goothoogte maximaal 3 m en de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 m mag bedragen, tenzij in de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e, voor zover van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Woondoeleinden, categorie EO" bestemd voor bijbehorende gebouwen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder b, mag het eengezinshuis (voor zover het hoofdgebouw betreffende) alleen binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder d, voor zover hier van belang, mag de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2,5 m bedragen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder g, voor zover hier van belang, mag de perceelbreedte voor vrijstaande woningen minimaal 14 m bedragen.

2.3. Het bouwplan is strijdig met de bestemmingsplannen "Puiflijk, herziening 2000" en "Puiflijk", aangezien uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd, de perceelbreedte slechts circa 11,5 m bedraagt en de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen niet op ieder punt minimaal 2,5 m bedraagt. Om bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college vrijstelling van de bestemmingsplannen verleend.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de aanvraag verkeerde tekeningen zijn gevoegd, waarop de situering van het bouwplan ten opzichte van het perceel Slootsestraat 7 onjuist is weergegeven. [appellant] wijst in dit verband met name op de tekeningen die zijn gevoegd bij de planschaderisicoanalyse en bij het stempeladvies van de welstandscommissie. Volgens [appellant] hebben de betrokken instanties hierdoor geen juist oordeel kunnen geven over het bouwplan.

2.4.1. Vaststaat dat bij het besluit op bezwaar van 4 juni 2010 de juiste situatietekening is gevoegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid, dat betrokken instanties zoals de welstandscommissie hebben beschikt over situatietekeningen die hiervan in geringe mate afwijken, niet leidt tot het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat het bouwplan niet voldoet aan de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009, in zaak nr. 200805832/1. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat, hoewel de breedte van het perceel minder dan 14 m bedraagt, het perceel in zijn geheel voldoende ruim is en dat hierop een vrijstaande woning kan worden gerealiseerd, indien daarbij voldoende afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen en de op de naastgelegen percelen opgerichte hoofdgebouwen in acht wordt genomen.

2.5.1. Anders dan [appellant] betoogt is het bouwplan niet in strijd met genoemde uitspraak, nu de Afdeling hierin geen concrete eisen heeft genoemd, waaraan het bouwplan zou moeten voldoen. De Afdeling heeft uitsluitend geoordeeld dat de perceelbreedte geen belemmering hoeft te zijn om op het perceel de bouw van een woning mogelijk te maken.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet wordt voldaan aan de door het college aan de vrijstelling gestelde voorwaarden. Volgens [appellant] mocht hij er op grond van die voorwaarden op vertrouwen, dat de bebouwing op 3 m afstand van zijn woning zou worden gerealiseerd.

2.6.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus, dat in de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit van 29 november 2006 is weergegeven dat het bouwplan moet voldoen aan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en dat het bouwplan geheel binnen het bouwvlak, dat ligt op 3 m afstand van de perceelsgrenzen, moet worden geprojecteerd. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009, in zaak nr. 200805832/1, is deze voorwaarde echter niet meer relevant. In die uitspraak heeft de Afdeling bepaald dat bij de bouw van een woning op het perceel -voldoende- afstand tot de perceelsgrenzen in acht moet worden genomen.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank niet heeft onderkend, dat het college de belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen. Hij voert daartoe aan dat een groot bouwvolume op de erfgrens wordt geplaatst, te weten een blinde muur van 11,8 m lang en 3 m hoog. Volgens [appellant] worden zijn gebruiksmogelijkheden hierdoor onevenredig beperkt, omdat het een negatief effect heeft op de bezonning en lichtinval van zijn woning.

2.7.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Puiflijk, herziening 2000" mogen op het perceel bijgebouwen in de zijdelingse perceelsgrens worden opgericht met een maximale oppervlakte van 70 m2, een maximale hoogte van 5,5 m en een goothoogte van 3 m. Aldus wijkt het bouwvolume van het bouwplan niet af van hetgeen op grond van het bestemmingsplan op het perceel is toegestaan. Het bouwplan heeft derhalve geen nadeliger gevolgen voor bezonning en lichtinval van de woning van [appellant] dan gelet op het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de belangen van [appellant] onvoldoende heeft meegewogen in de belangenafweging.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte vrijstelling heeft verleend, omdat het bouwplan onvoldoende afstand laat tot de zijdelingse perceelgrenzen en tot het naastgelegen hoofdgebouw op het perceel Slootsestraat 7. In dit verband voert [appellant] aan dat het hoofdgebouw van het bouwplan op slechts 1,80 m van de perceelgrens en 3,10 m van het naastgelegen hoofdgebouw is gesitueerd. [appellant] stelt in dit verband voorts dat de in de aanbouw gelegen ruimtes 1.1 (verkeersruimte) en 1.7 (bergruimte) niet als bijgebouw kunnen worden aangemerkt en daarom niet op de erfgrens mogen worden gebouwd. Volgens [appellant] staan deze ruimtes niet ten dienste aan het hoofdgebouw, maar vormen deze een wezenlijk onderdeel van het hoofdgebouw.

2.8.1. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het besluit tot verlenen van vrijstelling uitsluitend ziet op de afstand van de hoofdmassa tot aan de perceelsgrens. De vrijstelling heeft eveneens betrekking op het oprichten van de aanbouw tot op de perceelsgrens. In dit verband heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de in de aanbouw gelegen ruimtes 1.1 (verkeersruimte), 1.7 (bergruimte) en 1.8 (bergruimte) alle zijn aan te merken als een bijgebouw en dat het bouwplan in zoverre in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Puiflijk, herziening 2000". Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 10 augustus 2011 in zaak nr. 201101226/1/H1) betekent de omschrijving "dienstbaar aan", dat een bijgebouw functioneel en bouwkundig onderschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Derhalve is in dit geval niet alleen de bouwkundige ondergeschiktheid bepalend voor de vraag of sprake is van een bijgebouw in de zin van artikel 1, onder 16, van de planvoorschriften. De ruimtes 1.1 (verkeersruimte) en 1.7 (bergruimte) zijn in ieder geval niet functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, maar maken hiervan deel uit. Deze ruimtes zijn daarom niet aan te merken als bijgebouwen in de zin van het bestemmingsplan "Puiflijk, herziening 2000".

De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het college zich eveneens ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in de aanbouw gelegen ruimtes zijn aan te merken als bijgebouw. De rechtbank had tot het oordeel moeten komen dat het besluit van 4 juni 2010 in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet gebaseerd is op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende het hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 juni 2010 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient eveneens te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Voorts ziet de Afdeling gelet op het hierna volgende aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 4 juni 2011 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

2.9.1. In het verweerschrift van 19 augustus 2010 en het verweerschrift van 12 juli 2011 voert het college aan dat de verleende vrijstelling mede betrekking heeft op de aanbouw. Tevens heeft het college ter zitting verklaard dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het hele bouwplan relevant is en niet slechts de kwalificatie als "bijgebouw". In dit verband stelt het college zich op het standpunt dat, gelet op de beperkte hoogte van de aanbouw, sprake is van een aanvaardbare ruimtelijke inpassing. Het college voert in dit verband aan dat de aanbouw omwille van de ruimtelijke inpasbaarheid lager is dan hetgeen ingevolge artikel 3, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Puiflijk, herziening 2000" voor bijgebouwen is toegestaan.

Gelet op hetgeen onder 2.7.1 is overwogen, heeft het college hiermee voldoende gemotiveerd dat het bouwplan ruimtelijk inpasbaar is en dat daarvoor vrijstelling en bouwvergunning kon worden verleend.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011 in zaak nr. 10/2652;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Druten van 4 juni 2010;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Druten aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

17-651.