Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201106044/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college aan [vergunninghouder sub 1] vrijstelling verleend ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel plaatselijk bekend als [locaties] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106044/1/H1.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 april 2011 in zaak nr. 10/416 in het geding tussen:

Kruitwagen

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college aan [vergunninghouder sub 1] vrijstelling verleend ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel plaatselijk bekend als [locaties] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 oktober 2008 heeft het college aan [vergunninghouders sub 2] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis met berging op het perceel.

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college het door [appellanten] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2011, waar [appellant sub 1a] bijgestaan door mr. G.J.B.C. Maton, advocaat te Den Bosch, en het college, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorst is daar [vergunninghouder sub 1], bijgestaan door [gemachtigden], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder c en d, van de Woningwet mag alleen en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien - zakelijk weergegeven - het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Alem" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden -W-" met de nadere aanduiding "tuin". Het bouwplan is met het bestemmingsplan in strijd, omdat op de plankaart ter plaatse van het perceel geen bouwvlak is aangegeven. Om realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hetgeen zij in dit verband aanvoeren ten aanzien van het rapport van [rapporteur 1] van 3 december 2007, het rapport van [rapporteur 2] van 25 april 2008 en het advies van BRO van 30 maart 2009, is een herhaling van hetgeen zij in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep hebben [appellanten] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hetzelfde geldt voor hetgeen [appellanten] betogen ten aanzien van de door hen gestelde verslechtering van de veiligheid van de Veerweg als gevolg van realisering van het bouwplan.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de aanwezigheid van een terras/balkon bij de nieuwe woning niet zodanige schending van de privacy tot gevolg heeft dat het de vrijstelling daarom had behoren te weigeren.

2.4.1. De Afdeling vindt in de stukken en het verhandelde ter zitting, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het terras/balkon ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van het bouwplan voor de privacy op het naburige perceel niet zodanig zijn dat het hierin aanleiding moest zien vrijstelling te weigeren. Weliswaar is sprake van enig zicht vanaf het terras/balkon op het perceel van [appellanten], maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit een onevenredige schending van hun privacy tot gevolg heeft. De stelling van [appellanten] dat zij, nu zij bewust in landelijk gebied zijn gaan wonen, geen rekening behoefden te houden met de oprichting van een terras/balkon op deze afstand van hun woning, treft dan ook geen doel.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan het advies van G. Derks, lid van de Ruimtelijke Kwaliteits Commissie en Kommissie Beeld Kwaliteit te Waalwijk van 3 maart 2011 kan worden voorbijgegaan, omdat daarin is getoetst aan de criteria in de Welstandsnota die gelden voor 'overige woongebieden' in plaats van aan de toepasselijke gebiedsgerichte welstandscriteria voor zogeheten Maasdorpskernen. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Derks de welstandscriteria uit de ruimtelijke onderbouwing van Advies- en ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van mei 2007 heeft overgenomen.

2.5.1. [appellanten] hebben terecht gesteld dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte de welstandscriteria voor 'overige woongebieden' zijn opgesomd. Dit laat onverlet dat, naar het college ter zitting tevens onweersproken heeft toegelicht, uit het welstandsadvies blijkt dat de welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan de van toepassing zijnde gebiedsgerichte welstandscriteria voor de Maasdorpkernen, zodat het betoog dienaangaande geen doel treft.

2.6. [appellanten] betogen tevens dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan het welstandscriterium voor maat en schaal, die dienen te zijn afgestemd op de aangrenzende woonbebouwing. Het college heeft in dit verband aansluiting gezocht bij het planvoorschrift waarin is bepaald dat voor vrijstaande woningen een maximale goothoogte van 4,5 m geldt, gemeten vanaf het peil. [appellanten] betogen dat de rechtbank, in navolging van het college, van een onjuist peil is uitgegaan. Het peil ligt volgens hen aanzienlijk lager dan de hoogte van de weg, waaraan de woning is gelegen.

2.6.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 31, van de planvoorschriften, wordt onder peil verstaan:

a. voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

2.7. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting, blijkt dat, wat er ook zij van het betoog van [appellanten] dat het peil lager is gelegen dan de weg en dat de ruimte die zich oorspronkelijk tussen de weg en de woning bevond met zand is opgevuld, de toegang van de woning feitelijk grenst aan de Veerweg. Gelet op de redactie van voormelde bepaling, volgt hieruit dat het van toepassing zijnde peil de hoogte van die weg is. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

2.8. [appellanten] betogen ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich naar aanleiding van het nadere advies van de welstandscommissie van 25 mei 2009 (hierna: het welstandsadvies) op het standpunt kon stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, omdat deze commissie volgens hen heeft nagelaten inhoudelijk te reageren op het door hen overgelegde rapport van architectenbureau Croonen & Van Soest van 24 december 2008. Hierdoor heeft het college dit rapport niet bij zijn besluitvorming betrokken, zodat het heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aldus [appellanten].

2.8.1. In het bedoelde rapport worden kanttekeningen geplaatst bij enerzijds stedenbouwkundige en anderzijds architectonische aspecten van het bouwplan. Ofschoon in het welstandsadvies het rapport van Croonen & Van Soest niet als zodanig wordt genoemd, blijkt uit dit advies dat de welstandscommissie bij haar toetsing aandacht heeft besteed aan de in het rapport genoemde aspecten, en deze aspecten gemotiveerd heeft weerlegd. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college het welstandsadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag kon leggen.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

357-619.