Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201104843/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan en exploitatieplan "Dorpsstraat-Mariëndaal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1834
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104843/1/R2.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Werkgroep Milieubeheer Groesbeek (hierna: WMG), gevestigd te Groesbeek,

appellante,

en

de raad van de gemeente Groesbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan en exploitatieplan "Dorpsstraat-Mariëndaal" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft WMG bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2011, waar WMG, vertegenwoordigd door B.G.M. Krebbers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Thijssen, wethouder, en mr. H.J.I. Verouden en mr. P. Engelvaart, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vestia Noord Nederland, vertegenwoordigd door ing. B.L.M. Bergmans, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om winkel- en horecaruimte en ongeveer 233 woningen, waarvan ongeveer 133 woningen in een woonzorgservicezone, te bouwen in het centrum van Groesbeek, deels in het park Mariëndaal.

2.2. Ter zitting heeft WMG haar beroep toegespitst op het plandeel dat ziet op de bebouwing in het park Mariëndaal, het zogenoemde gebouw C.

Ontvankelijkheid

2.3. De raad stelt dat door de ledenvergadering van de WMG geen besluit is genomen om beroep in te stellen. Er is, aldus de raad, geen bevoegd besluit genomen voor dit beroep en derhalve aanleiding het beroep van WMG niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.1. Ingevolge artikel 10, zesde lid, aanhef en onder b, van de statuten van WMG, wordt de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter. Het beroepschrift is ondertekend door J. van der Vegt. Uit de registratie van WMG bij de kamer van koophandel blijkt dat zij de functie van voorzitter bekleedt, zodat het beroepschrift is ondertekend overeenkomstig het bepaalde in de statuten. De Afdeling treedt niet in de vraag of aan de indiening van een beroepschrift door de voorzitter van WMG een rechtsgeldig besluit van het bevoegde orgaan van de rechtspersoon ten grondslag ligt. Het betoog van de raad faalt. Nu evenmin is gebleken van andere redenen om het beroep van WMG niet-ontvankelijk te verklaren kan zij worden ontvangen.

Inhoudelijk

2.4. WMG stelt in de eerste plaats dat voor gebouw C ten onrechte niet is gekozen voor een alternatieve locatie. WMG heeft diverse nabijgelegen alternatieve locaties aangeduid die volgens haar meer geschikt zijn voor dit gebouw.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad stelt dat de door WMG genoemde alternatieve locaties minder geschikt zijn voor gebouw C, omdat bij het ontwerp van de zogenoemde "Woonservicezone - Mariëndaal" is gekozen voor een samenhangend ensemble van woningen en bijbehorende zorg. De alternatieve locaties liggen, zo heeft de raad ter zitting toegelicht, hetzij op grotere afstand, hetzij aan de andere zijde van de spoorlijn en op grotere hoogte en zijn daarom minder geschikt voor de beoogde zorgwoningen. Gelet hierop heeft WMG niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in voldoende mate de voor- en nadelen van alternatieven heeft afgewogen.

2.5. Voorts stelt WMG dat door de bebouwing het park Mariëndaal sterk zal verkleinen. De raad heeft volgens haar onvoldoende gemotiveerd dat bouwen in dit groene gebied noodzakelijk is, mede gelet op de omstandigheid dat het centrum van Groesbeek weinig groen heeft. Verder is ten onrechte reeds begonnen met grondwerkzaamheden in het park, aldus WMG.

2.5.1. De raad heeft uiteengezet dat het park voor het grootste deel groen blijft en dat is voorzien in extra investeringen in groen en water, zodat het park door de bebouwing niet onevenredig wordt aangetast. Ter zitting is toegelicht dat het parkkarakter wordt versterkt door het boven de grond brengen van De Groesbeek en het openstellen van het park voor publiek. Mede gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de met gebouw C gediende belangen dan aan het daarmee gepaard gaande beperkte verlies aan oppervlakte van het park Mariëndaal.

Voor zover het beroep is gericht tegen de feitelijke grondwerkzaamheden die zijn uitgevoerd overweegt de Afdeling dat die in onderhavige procedure niet aan de orde zijn.

2.6. Verder stelt WMG dat niet aannemelijk is dat het plan, voor zover hier van belang, binnen de planperiode verwezenlijkt wordt. Hiertoe voert zij aan dat er momenteel reeds een overschot is aan woningen en dat door de woningbouwplannen dit overschot groter wordt; volgens haar is de economische uitvoerbaarheid van het plan niet verzekerd. WMG stelt hierbij dat het gebouw voorziet in reguliere woningen en niet in zorgwoningen, zoals de raad stelt.

2.6.1. Ten aanzien van de behoefte aan woonruimte neemt de raad het standpunt in dat er voor Groesbeek tussen 2006 en 2015 een opgave bestaat van 250 woningen voor verzorgd wonen. Ten dele is deze behoefte het gevolg van het streven naar zo lang mogelijk zelfstandig wonen van zorgbehoevenden en de extramuralisering van de zorg. Verder is er een tekort van ongeveer 200 reguliere huurappartementen en 170 reguliere koopappartementen, aldus de raad. Nu gedeeltelijk is afgezien van eerder voorziene woningbouw in andere delen van Groesbeek, stelt de raad dat de woningen in een behoefte voorzien.

2.6.2. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de raad dat de 13 woningen in gebouw C zorgwoningen zijn. Een eventueel overschot van reguliere woningen is, nu het beroep is beperkt tot het plandeel met gebouw C, niet van belang.

Uit het "Beleidsplan Wonen 2006+" van 22 juni 2006 volgt dat behoefte bestaat aan ongeveer 250 woningen in de categorie verzorgd wonen. Gezien de extramuralisering van de zorg, acht de Afdeling deze behoefte niet onaannemelijk. Voorts heeft de raad ter zitting gesteld dat de zorgwoningen in de woonzorgservicezone ongeveer 100 te slopen zorgwoningen in woonzorgcentrum Mariëndaal vervangen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een behoefte aan 133 zorgwoningen waarin door de woningen in gebouw C mede wordt voorzien.

2.7. In hetgeen WMG heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluitonderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet aan de vernietiging van dat besluit in de weg staat geen bespreking.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

271-723.