Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201003064/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009-028, heeft de minister het gebied Elperstroomgebied op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) (hierna: Habitatrichtlijn).

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003064/1/R2.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging LTO Noord", gevestigd te Deventer, en anderen,

appellanten,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009-028, heeft de minister het gebied Elperstroomgebied op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) (hierna: Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben LTO Noord en anderen bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 29 en 30 maart 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 april 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2011, waar LTO Noord en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.J. Veeman, advocaat te Zwolle, en vergezeld van ing. R.B. Visser, beleidsmedewerker bij LTO Noord, [2 der appellanten] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman en E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 3 augustus 2011, nr. 201003064/1/T1/R2, heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen drie maanden na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het aanwijzingsbesluit van 23 december 2009 te herstellen.

Bij brief van 3 november 2011 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak een nadere motivering aan het besluit van 23 december 2009 ten grondslag gelegd.

Bij brief van 7 november 2011 zijn LTO Noord en anderen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze ten aanzien van de door de staatssecretaris overgelegde nadere motivering naar voren te brengen. LTO Noord en anderen hebben bij brief van 18 november 2011 hun zienswijze naar voren gebracht.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 23 december 2009 niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen drie maanden na de verzending van de tussenuitspraak:

- het besluit van 23 december 2009 te herstellen door het besluit alsnog toereikend te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In dat laatste geval diende het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

2.2. De staatssecretaris heeft in zijn nadere motivering uiteengezet dat uitbreiding van het Natura 2000-gebied noodzakelijk is omdat de oorspronkelijke begrenzing van het gebied ontoereikend was voor een duurzaam behoud en voor een noodzakelijke uitbreiding van de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Ten aanzien van het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010, subtype A) stelt de staatssecretaris dat dit habitattype niet meer voorkomt in het aangemelde gebied, maar wel in de aan het gebied toegevoegde beekdalflank en in een heide-enclave in de boswachterij. Verder stelt de staatssecretaris dat van belang is dat dit habitattype bepaalde eisen stelt aan bodemtype en hydrologie, waarvoor in het toegevoegde deel meer mogelijkheden zijn.

Voorts stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat uitbreiding van het gebied noodzakelijk is om het verdwijnen van het habitattype heischrale graslanden (H6230) te voorkomen. Daarnaast heeft de staatssecretaris uiteengezet dat het gebied zoals aangemeld onvoldoende mogelijkheden biedt om hydrologische maatregelen te nemen om te voorkomen dat de habitattypen blauwgraslanden (H6410) en kalkmoerassen (H7230) verdwijnen. Gelet hierop is een natuurontwikkelingszone met voormalige landbouwgronden en de hoger gelegen zone van de boswachterij aan het gebied toegevoegd.

2.2.1. In hun zienswijze hebben LTO Noord en anderen naar voren gebracht dat de staatssecretaris met de nadere motivering onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gebied met ongeveer 220 hectare is uitgebreid. Zij voeren hiertoe aan dat op de gronden die zijn toegevoegd aan het gebied geen van de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen aanwezig zijn nu deze gronden grotendeels in gebruik zijn voor agrarische doeleinden. LTO Noord en anderen merken hierbij op dat de Habitatrichtlijn geen grondslag biedt voor het aanwijzen van gronden als Natura 2000-gebied ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling van habitattypen, terwijl die habitattypen nog niet in het betreffende gebied aanwezig zijn.

Verder voeren LTO Noord en anderen aan dat het habitattype heischrale graslanden (H6230) niet in het oorspronkelijke gebied voorkomt, waardoor uitbreiding van het gebied ten behoeve van de toekomstige uitbreiding van dit habitattype niet aan de orde kan zijn.

Ten slotte voeren LTO Noord en anderen aan dat voor het bereiken van de gewenste hydrologische situatie uitbreiding van het gebied niet noodzakelijk is aangezien minder vergaande oplossingen denkbaar zijn. De staatssecretaris heeft ten onrechte geen andere alternatieven overwogen.

2.2.2. Zoals overwogen in overweging 2.6.4 van de tussenuitspraak heeft de minister de uitbreiding van het gebied gebaseerd op ecologische criteria aangezien de uitbreiding gericht is op uitbreiding van de habitattypen heischrale graslanden (H6230) en vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010, subtype A) en op het voorkomen van achteruitgang en verdwijning van de habitattypen kalkmoerassen (H7230) en blauwgraslanden (H6410). De Afdeling acht met de nadere motivering van de staatssecretaris voldoende gemotiveerd waarom uitbreiding van het Elperstroomgebied met ongeveer 220 hectare noodzakelijk is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens het Profielendocument de landelijke staat van instandhouding van de habitattypen kalkmoerassen (H7230), blauwgraslanden (H6410), heischrale graslanden (H6230) en vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010, subtype A) zeer ongunstig dan wel matig ongunstig is. Voor al deze habitattypen geldt daarom als landelijke doelstelling onder andere uitbreiding van de oppervlakte. De staatssecretaris heeft er voorts op gewezen dat binnen het gebied zoals aangemeld bij de Europese Commissie onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om de afname van de habitattypen kalkmoerassen (H7230) en blauwgraslanden (H6410) te keren. Aan het gebied is dan ook een 'sense of urgency' toegekend wat blijkens bijlage C van het besluit inhoudt dat de watercondities voor 2015 op orde moeten zijn waardoor op korte termijn maatregelen genomen moeten worden om de afname van de habitattypen te kunnen keren. LTO Noord en anderen hebben dit niet bestreden. In dit licht acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat het treffen van maatregelen zonder uitbreiding van het aangemelde gebied met ongeveer 220 hectare op de aangegeven wijze niet tot het noodzakelijke resultaat, te weten het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, zal kunnen leiden. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010, subtype A) niet meer voorkomt in het gebied zoals aangemeld, maar wel op de aan dat gebied toegevoegde gronden.

Voor zover LTO Noord en anderen hebben betoogd dat het habitattype heischrale graslanden (H6230) niet in het oorspronkelijke gebied voorkomt, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij heeft overwogen onder overweging 2.5.3 van de tussenuitspraak.

2.3. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.6.4 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen LTO Noord en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.4. Gelet op hetgeen onder 2.2.2 is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009-028;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie tot vergoeding van bij de vereniging "Vereniging LTO Noord" en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de vereniging "Vereniging LTO Noord" en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

12-674.