Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201104761/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2010 is het college overgegaan tot invordering van een door [appellante] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 3.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104761/1/H1.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Nijmegen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2011 in zaak nr. 10/3571 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2010 is het college overgegaan tot invordering van een door [appellante] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 3.000,00.

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door S.G. Blasweiler en H.T.J.M. Tielkes, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

2.2. Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het college [appellante], onder oplegging van een dwangsom van € 3.000,00 per overtreding met een maximum van € 15.000,00, gelast er zorg voor te dragen dat de afhaalzaak [eethuis] op het perceel Willemsweg 61 te Nijmegen, alleen geopend is tijdens de geldende winkeltijden tot uiterlijk 22:00 uur, in overeenstemming met de daartoe gestelde voorwaarde in de vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die is verleend om het gebruik voor horecadoeleinden, dat in strijd is met de bestemming ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan, niettemin toe te staan. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte vast staat. Bij besluit van 2 maart 2010, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, heeft het college de verbeurde dwangsom ingevorderd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat de opgelegde last onder dwangsom is overtreden.

2.4. Het college heeft aan zijn besluit van 2 maart 2010 ten grondslag gelegd dat een toezichthouder in dienst van de gemeente Nijmegen op 19 februari 2010 heeft geconstateerd dat het eethuis van [appellante], in strijd met de bij besluit van 22 oktober 2009 opgelegde last na 22:00 uur geopend en voor het publiek toegankelijk was, zodat de in dat besluit opgenomen dwangsom is verbeurd.

2.5. Het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsom is gebaseerd op de rapportage van bevindingen van 21 februari 2010, opgesteld door H.T.J.M. Tielkes, toezichthouder in dienst van de gemeente Nijmegen, belast met de handhaving van de ruimtelijke regelgeving. Hierin staat vermeld dat hij op 19 februari 2010 omstreeks 22:15 uur heeft geconstateerd dat de rolluiken van [eethuis] aan de straatzijde geopend waren, de verlichting binnen aan was en dat zowel op de toegangsdeur als op het raam was aangekondigd dat de zaak open was. In de zaak waren twee personen aanwezig. Vervolgens betraden rond 22:40 uur zonder belemmering twee mannen de zaak, die na vijf minuten weer buiten kwamen. De toezichthouder is daarop naar het eethuis gelopen, heeft geconstateerd dat de deur niet vergrendeld was en kon zonder belemmering naar binnen gaan.

2.6. De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] hierover naar voren heeft gebracht terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het college de geconstateerde feiten op die avond, neergelegd in de rapportage van bevindingen, niet aannemelijk heeft gemaakt. De stelling dat de twee bezoekers bekenden van haar waren, wat daar verder van zij, laat onverlet dat de zaak in strijd met de opgelegde last buiten de toegestane winkeltijden geopend was. Dat, naar [appellante] stelt, de deur geopend was in verband met schoonmaakwerkzaamheden, doet hieraan evenmin af. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college op grond van deze bevindingen terecht heeft geconcludeerd dat het eethuis na 22:00 uur geopend en toegankelijk was voor het publiek, zodat het college op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de bij besluit van 22 oktober 2009 opgelegde last is overtreden en [appellante] daarmee een dwangsom van € 3.000,00 heeft verbeurd.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen bijzondere omstandigheden gezien op grond waarvan het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsom, als het heeft gedaan.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

357-619.