Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201105659/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 november 2010 heeft het college [appellant] meegedeeld als hierna onder 2.1 vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105659/1/H2.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heerenveen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 april 2011 in zaak nr. 10/2452 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen.

1. Procesverloop

Bij brief van 25 november 2010 heeft het college [appellant] meegedeeld als hierna onder 2.1 vermeld.

Bij uitspraak van 28 april 2011, verzonden op 2 mei 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen daartoe toestemming, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend hadden, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten, zonder behandeling van de zaak ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 16 april 2010 heeft [appellant] het door hem in zaak nr. 200910130/1 ingestelde hoger beroep ingetrokken. Bij brief van dezelfde dag heeft hij het college verzocht om vergoeding, als bedoeld in artikel 8:41, vierde lid, van de Awb, van het door hem betaalde griffierecht. Bij brief van 27 april 2010 heeft het college hem medegedeeld dat het niet geheel of gedeeltelijk aan hem is tegemoetgekomen, maar het verzoek aanhoudt, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het door hem gedane verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking van het hoger beroep. Daarbij heeft het vermeld dat het zich conformeert aan die uitspraak.

Bij uitspraak van 12 juli 2010 heeft de Afdeling dat verzoek afgewezen, omdat het college [appellant] niet is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.

Bij de brief van 25 november 2010 heeft het college [appellant] als volgt medegedeeld:

"In onze brief van 27 april 2010 staat dat wij ons zullen conformeren aan de uitspraak van de ABRvS. Door het sturen van deze brief is feitelijk gezien al besloten op uw verzoek om betaling van het griffiegeld. Het betalen van het griffiegeld is een feitelijke handeling. De Wet dwangsom is hierop niet van toepassing. Er kan dan ook geen sprake zijn van verbeurde dwangsommen.

Wij zullen zo spoedig mogelijk het griffierecht betalen. Graag ontvangen wij van u het rekeningnummer waarop het bedrag gestort dient te worden.".

2.2. De rechtbank heeft deze brief gelezen als een afwijzing van het verzoek. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de zinsnede "Wij zullen zo spoedig mogelijk het griffierecht betalen" betekent dat het college positief op zijn verzoek heeft beslist en een eventueel intern misverstand binnen de gemeente over het griffierecht in een andere zaak hem niet kan worden tegengeworpen.

2.3. Gelet op de gehele inhoud van de brief van 25 november 2010 en de er aan voorafgegane gebeurtenissen, met name de mededeling van het college dat het aan zal sluiten bij de uitspraak van de Afdeling over de proceskostenveroordeling, heeft de rechtbank met juistheid aangenomen dat voormelde zinsnede abusievelijk in de brief is opgenomen en het college het verzoek heeft afgewezen. De rechtbank heeft evenzeer met juistheid overwogen dat er, wat betreft de toepassing van de tweede volzin van het vierde lid van artikel 8:41 van de Awb, geen aanleiding is voor het oordeel dat het college het verzoek bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

18.

729.