Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201012308/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2010 hebben provinciale staten met toepassing van artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) het inpassingsplan "Natuurbrug Laarderhoogt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1836
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012308/1/R1.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Laren (NH),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Blokker Holding B.V., gevestigd te Laren (NH),

3. [appellant sub 3a], wonend te Rhenen, en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij Huizen Bezit en Beheer B.V. (hierna: HBB), gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

provinciale staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2010 hebben provinciale staten met toepassing van artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) het inpassingsplan "Natuurbrug Laarderhoogt" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2010, Blokker Holding bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2010, en [appellant sub 3a] en HBB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2010, beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3a] en HBB hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. G.E. Creijghton-Sluijk, advocaat te Baarn, Blokker Holding, vertegenwoordigd door mr. C.M.M. van Mil, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 3a] en HBB, vertegenwoordigd door [appellant sub 3a] en bijgestaan door mr. J.R. van Angeren en mr. H.A. Bergsma, beiden advocaat te Amsterdam, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en ir. G.E. Nap, beiden werkzaam bij de provincie, en ir. E.A. van der Grift, werkzaam bij kennisinstituut Alterra van Wageningen Universiteit en Research Centrum (hierna: Alterra) en drs. D. Landsmeer, werkzaam bij de Stichting Goois Natuurreservaat (hierna: de GNR), zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het inpassingsplan

2.1. Het inpassingsplan voorziet in de realisatie van de Natuurbrug Laarderhoogt, waarbij een ecologische en recreatieve verbinding tussen de natuurgebieden Bussumerheide, Westerheide en Noorderheide, Tafelberg en Blaricummerheide wordt gelegd. De Natuurbrug Laarderhoogt bestaat uit een strook natuurgebied van ongeveer 750 m lang en een variërende breedte, waarbinnen twee ecoducten over de A1 en over de Naarderstraat en een recreatief fietspad en recreatief ruiterpad worden gerealiseerd. Tevens wordt een utilitair fietspad omgelegd en wordt de bouw van een kantoorpand voor Blokker Holding mogelijk gemaakt.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] voert als formeel bezwaar aan dat provinciale staten hem, nu hij over het ontwerp van het inpassingsplan een zienswijze naar voren heeft gebracht, een exemplaar van het vaststellingsbesluit van 15 november 2010 hadden moeten toezenden.

2.2.1. In artikel 3.26, tweede lid, van de Wro, voor zover hier van belang, is bepaald dat de afdelingen 3.1 en 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor "bestemmingsplan" "inpassingsplan" wordt gelezen en voor "gemeentebestuur" "provinciaal bestuur", en dat met betrekking tot afdeling 3.2 provinciale staten in de plaats treden van de gemeenteraad, en gedeputeerde staten in de plaats treden van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing […].

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

2.2.2. Uit het voorgaande volgt dat provinciale staten, nu [appellant sub 1] over het ontwerp een zienswijze naar voren heeft gebracht, hem een exemplaar van het vaststellingsbesluit hadden moeten toezenden. Nog daargelaten dat provinciale staten stellen dat dit stuk wel aan [appellant sub 1] is toegezonden, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. [appellant sub 1] heeft voorts aangevoerd dat provinciale staten het vaststellingsbesluit ten onrechte niet hebben getoetst aan het kabinetsbeleid inzake ecologische verbindingszones zoals vermeld in een brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de provincies, waarin volgens [appellant sub 1] staat dat het beleid omtrent de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS) door de provincies per direct dient te worden gestaakt.

Reeds omdat [appellant sub 1] niet heeft kunnen verduidelijken op welke brief van de staatssecretaris hij doelt en van welke datum deze brief is, kan niet worden vastgesteld dat het standpunt van de staatssecretaris zoals dat door [appellant sub 1] is weergegeven, is neergelegd in enig beleid waaraan provinciale staten het vaststellingsbesluit hadden moeten toetsen.

Het betoog faalt derhalve.

2.4. [appellant sub 1] voert verder aan dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening nu het inpassingsplan voorziet in een verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel van Blokker Holding. Het voorziene kantoorgebouw wordt volgens [appellant sub 1] te hoog en te massaal ten opzichte van de omgeving. Volgens [appellant sub 1] is de verruiming van de bouwmogelijkheden ingegeven door de wens van provinciale staten om met Blokker Holding tot overeenstemming te komen. Provinciale staten hebben hun bevoegdheid om een inpassingsplan vast te stellen derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld, te weten het compenseren van Blokker Holding voor het afstaan van een deel van haar perceel ten behoeve van de realisatie van de natuurbrug.

De keuze voor een verruiming van de bouwmogelijkheden is volgens [appellant sub 1] bovendien niet deugdelijk gemotiveerd. De bouwmogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan op deze locatie biedt zijn voldoende en dat plan biedt eveneens mogelijkheden om het kantoorgebouw en de natuurbrug ruimtelijk te integreren, aldus [appellant sub 1].

2.4.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de regels behorende bij het inpassingsplan zijn de voor "Kantoor" aangewezen gronden bestemd voor:

a. kantoren in de vorm van een kantoorvilla;

b. wegen en paden;

c. tuinen en erven;

d. groen;

e. parkeren;

f. ondergrondse parkeergarage.

Ingevolge lid 3.2., onder 3.2.2., gelden voor het bouwen van een hoofdgebouw de volgende regels:

a. als hoofdgebouw is slechts een kantoorgebouw toegestaan;

b. het kantoorgebouw moet worden opgericht binnen het hiervoor aangegeven bouwvlak;

c. per bouwvlak is maximaal 1 hoofdgebouw toegestaan;

d. de totale brutovloeroppervlakte bedraagt maximaal 2000 m²;

e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m;

f. ter plaatse van het hoofdgebouw is een ondergrondse parkeergarage toegestaan met een diepte van maximaal 2 m onder peil.

2.4.2. Provinciale staten hebben zich primair op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] niet als belanghebbende bij het vaststellingsbesluit kan worden aangemerkt omdat hij op een ruime afstand van het voorziene kantoorpand van Blokker Holding woont en hij vanuit zijn woning in verband met bestaande en toekomstige beplanting geen zicht op het gebouw heeft.

2.4.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder a, van de Wro kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een inpassingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant sub 1], woonachtig aan de Rijksweg West 20, op een afstand van 150 m van het plandeel met de bestemming "Kantoor" woont. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van het ter plaatse voorziene kantoorpand, is de Afdeling van oordeel dat het belang van [appellant sub 1] rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zodat hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.4.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gestelde vergroting van de bouwmogelijkheden op het perceel van Blokker Holding hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de bouwmogelijkheden enerzijds worden beperkt wat betreft de bouwhoogte en anderzijds wat betreft het te bebouwen oppervlak worden uitgebreid. Zo was volgens het voorgaande bestemmingsplan ter plaatse een bouwhoogte van 8 tot 12 m toegestaan, terwijl in het onderhavige inpassingsplan een maximale bouwhoogte van 10 m is opgenomen. Voorts is door de wijziging van de bestemming "Horeca-doeleinden", die onder het voorgaande bestemmingsplan op het perceel rustte, in de bestemming "Kantoor", volgens provinciale staten ook bij een grotere bouwmassa sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse, gezien de geringere overlast en de omstandigheid dat een kantoor minder verkeer aantrekt dan horeca.

2.4.5. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant sub 1] geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de voorziene bouwmogelijkheden in redelijkheid niet hebben kunnen opnemen in het inpassingsplan. In dit verband is nog van belang dat in de plantoelichting en in de reactie op de zienswijzen op dit punt is vermeld dat de bouwmogelijkheid voor het kantoorpand op een optimale manier is ingepast in de omgeving. De maximale bouwhoogte van het voorziene kantoorgebouw is aangepast aan de maximale bouwhoogte van de twee ecoducten. Verder wordt het gebouw landschappelijk en ecologisch ingepast in de omgeving door tussen het gebouw en de natuurbrug een groene bufferzone te realiseren. Hiertoe zal het terrein van Blokker Holding 8 m worden verkleind en zal op een daaraan grenzende strook grond geen bebouwing worden gerealiseerd. Op de desbetreffende strook grond rust de bestemming "Natuur". Op deze strook op het terrein van Blokker Holding en op een daaraan grenzende strook grond aan de noordzijde van de natuurbrug wordt een landschappelijke beplanting in de vorm van een bomenrij aangebracht.

Ter compensatie wordt de maximale vloeroppervlakte van het nieuwe kantoorpand vergroot van 1300 m² naar 2000 m² boven het maaiveld met een maximale bouwhoogte van 10 m. De hoogte ervan wordt beperkt tot drie bouwlagen, waarvan er 2,5 zijn gelegen boven het maaiveld. Het parkeren wordt ondergronds voorgeschreven.

Uit het voorgaande volgt dat de in het plan maximaal toegestane bouwhoogte lager is dan in het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voorts is in het inpassingsplan maximaal 50 m² aan bijgebouwen toegestaan, terwijl in het voorheen geldende plan 125 m² was toegestaan.

[appellant sub 1] heeft gezien het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake zou zijn van een goede ruimtelijke ordening omdat het voorziene kantoorgebouw ten opzichte van de omgeving te hoog en te massaal zou zijn. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat provinciale staten hun keuze voor de in het inpassingsplan opgenomen bouwmogelijkheden onvoldoende hebben gemotiveerd. Voorts kan [appellant sub 1] niet worden gevolgd in zijn niet nader gestaafde veronderstelling dat de verruiming van de bouwmogelijkheden uitsluitend zou zijn ingegeven door de wens van provinciale staten om met Blokker Holding tot overeenstemming te komen zonder dat daaraan aspecten van een goede ruimtelijke ordening ten grondslag liggen.

2.5. [appellant sub 1] voert verder aan dat, anders dan in de reactie op de zienswijzen is vermeld, sinds 2008 geen overleg meer plaatsvindt tussen hem en Rijkswaterstaat om tot overeenstemming te komen over de eigendom van het gedeelte van zijn perceel waarop een deel van het traject van de natuurbrug is geprojecteerd.

2.5.1. Door provinciale staten is niet betwist dat sinds 2008 geen overleg meer heeft plaatsgevonden tussen [appellant sub 1] en Rijkswaterstaat. De vorm van overleg maakt echter geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) geregelde inpassingsplanprocedure, zodat het ontbreken van dat overleg, wat hier verder van zij, geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de inpassingsplanprocedure en het inpassingsplan.

Provinciale staten hebben ter zitting in dit verband overigens toegelicht dat Rijkswaterstaat de onderhandelingen zal voeren over de aankoop van een gedeelte van de gronden van [appellant sub 1] die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de natuurbrug. Indien niet tot overeenstemming kan worden gekomen, zal Rijkswaterstaat overgaan tot onteigening hiervan.

2.6. Ter zitting heeft [appellant sub 1] aangevoerd dat op de locatie waar de natuurbrug is voorzien, thans geluidschermen staan. Deze zullen worden afgebroken als de natuurbrug wordt gerealiseerd. Indien tussen de pilaren van de natuurbrug geen geluidschermen worden geplaatst, ontstaat volgens [appellant sub 1] een opening waardoor de geluidsoverlast ter plaatse van zijn perceel zal toenemen.

Ingevolge artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Bij brief van de Afdeling van 3 januari 2011 is [appellant sub 1] medegedeeld dat het beroep is gericht tegen een besluit dat onder de Chw valt en dat na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden kunnen worden aangevoerd.

De beroepsgrond met betrekking tot de geluidschermen is buiten de gestelde termijn ingediend, zodat deze niet bij de beoordeling van het bestreden besluit kan worden betrokken.

2.7. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3a] en HBB

2.8. [appellant sub 3a] en HBB kunnen zich evenmin verenigen met het inpassingsplan. Zij voeren hiertoe ten eerste aan dat het beoogde doel met de natuurbrug niet kan worden bereikt, omdat zeven doelsoorten na het passeren van de noordoost-grens van het plangebied niet verder kunnen. De dieren moeten vanaf de noordgrens van het ziekenhuisterrein nog 400 m overbruggen om de Blaricummerheide te bereiken.

[appellant sub 3a] en HBB betogen dat, anders dan in het rapport "Toetsing ecologisch functioneren noordelijke toeloop Natuurbrug Laarderhoogt" van Alterra van 26 augustus 2010 is vermeld, de natuurverbinding voor alle beoogde doelsoorten ongeschikt is, aangezien enerzijds te weinig ruimte beschikbaar is voor een geschikte natuurverbinding en anderzijds twee verkeerswegen op de natuurverbinding moeten worden overgestoken.

Volgens [appellant sub 3a] en HBB is Alterra bij de beoordeling van de natuurverbinding ten onrechte van een zeer groot gebied uitgegaan. Het door Alterra beoordeelde gebied bestaat uit de trajecten A, B en C. De trajecten A en B bestaan echter voor het grootste gedeelte uit bosgronden die tot landgoed Larenberg behoren. Alterra had deze gronden niet bij de beoordeling mogen betrekken, omdat zowel door de gemeente Laren, de provincie Noord-Holland als de GNR niet over die gronden wordt beschikt en het, gezien de opgeschorte onderhandelingen, niet aannemelijk is dat de GNR hierover op korte termijn wel het beheer zal voeren.

Voor zover in het rapport van Alterra is vermeld dat maatregelen dienen te worden getroffen om faunaslachtoffers te voorkomen op de Leemzeulder en de Boissevainweg, is volgens [appellant sub 3a] en HBB niet gebleken dat die maatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd.

2.8.1. Provinciale staten hebben erop gewezen dat zij Alterra naar aanleiding van de tegen het inpassingsplan ingediende zienswijzen de opdracht hebben gegeven het functioneren van de toeloop naar de natuurbrug vanaf de Blaricummerheide naar de noordkant van het plangebied van het inpassingsplan te onderzoeken. Het plangebied van het inpassingsplan loopt tot de noordgrens van het terrein van Tergooiziekenhuizen Afdeling Blaricum. Daarna moeten de dieren nog ongeveer 400 m, inclusief twee verkeerswegen, overbruggen om de Blaricummerheide te bereiken. Alterra is in haar rapport uit 2010 specifiek ingegaan op de vraag of dit voor de zeven doelsoorten mogelijk is.

In het rapport zijn de trajecten A, B en C beoordeeld.

Traject A, geheel binnen de grenzen van het inpassingsplan gelegen, is gesitueerd tussen de Naarderstraat en de noordgrens van het ziekenhuisterrein. Traject B, geheel buiten het plangebied van het inpassingsplan gelegen, ligt tussen de noordgrens van het ziekenhuisterrein en de Leemzeulder. Traject C, eveneens buiten het plangebied van het inpassingsplan gelegen, is gesitueerd tussen de Leemzeulder en de Blaricummerheide.

Alterra heeft geconcludeerd dat de natuurverbinding in zijn huidige verschijningsvorm geschikt is voor gebruik door de doelsoorten boommarter en hazelworm en in grote mate geschikt is voor gebruik door de das en de ree. De natuurverbinding is niet geschikt voor gebruik door de aan heide gerelateerde soorten zandhagedis, heideblauwtje en groene zandloopkever. Met gerichte inrichtingsmaatregelen is de natuurverbinding voor deze doelsoorten echter wel geschikt te maken. De ontwikkeling van een heidecorridor met voldoende afwisseling tussen structuurrijke heide, schraalgrasland en open zand is hierbij volgens het rapport essentieel. Op de trajecten A en C is volgens Alterra meer dan voldoende ruimte beschikbaar om voor de zandhagedis, het heideblauwtje en de groene zandloopkever een optimale corridor te realiseren. Op traject B is sprake van een suboptimale situatie indien de omvorming van bos naar heide uitsluitend op gronden van de GNR plaatsvindt. Provinciale staten hebben erop gewezen dat dit volgens het onderzoek van Alterra echter niet betekent dat de doelsoorten de natuurverbinding hier zullen mijden, maar dat naar verwachting kolonisatie van de corridor door deze soorten minder snel plaatsvindt en het gebruik minder frequent is dan wanneer de natuurverbinding een optimale breedte heeft. Alterra heeft daarom aanbevolen om bij de omvorming naar heide ook delen van landgoed Larenberg te betrekken.

Ten aanzien van de te treffen verkeersmaatregelen hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de aanbevelingen van Alterra hieromtrent door de bevoegde bestuursorganen zullen worden overgenomen. Voorts hebben provinciale staten erop gewezen dat de Boissevainweg al drie faunapassages heeft, hetgeen de oversteek van bepaalde soorten vergemakkelijkt en minder risicovol maakt.

2.8.2. Zoals hiervoor is overwogen, is in het rapport van Alterra uit 2010 geconcludeerd dat de natuurverbinding voor vier van de zeven doelsoorten geschikt tot zeer geschikt is. Ten aanzien van de overige drie doelsoorten - de zandhagedis, het heideblauwtje en de groene zandloopkever - is in het rapport geconcludeerd dat op de trajecten A en C meer dan voldoende ruimte beschikbaar is om een optimale corridor te realiseren. Voorts zal volgens het rapport, indien op traject B de omvorming van bos naar heide uitsluitend kan plaatsvinden op gronden van de GNR, weliswaar geen sprake zijn van een optimale situatie, maar dit heeft niet tot gevolg dat de doelsoorten geen gebruik zullen maken van de natuurverbinding.

Door [appellant sub 3a] en HBB is geen onafhankelijk deskundigenrapport overgelegd waaruit volgt dat voormelde conclusies van Alterra onjuist zijn. [appellant sub 3a] en Alterra hebben verwezen naar het rapport "Natuurbrug Het Gooi; toetsing plannen voor kantoorbebouwing op voormalig AZC-terrein" van Alterra uit 2006. Uit een in dat rapport opgenomen tabel blijkt volgens [appellant sub 3a] en Alterra dat de natuurverbinding een minimale breedte van 100 m voor de mobiele doelsoorten en 25 m voor de weinig mobiele doelsoorten dient te hebben.

Provinciale staten hebben er ter zitting allereerst terecht op gewezen dat het rapport van Alterra uit 2006 ziet op plannen die destijds bestonden voor het ontwikkelen van kantoorbebouwing op het AZC-terrein ten zuiden van de A1 in relatie tot de natuurbrug, terwijl het rapport van Alterra uit 2010 specifiek ziet op de noordelijke toeloop van de natuurverbinding. Provinciale staten hebben voorts toegelicht dat het onderzoek uit 2006 uitgaat van een aantal vuistregels waarbij sprake is van een optimale situatie bij het realiseren van de natuurbrug. Volgens deze vuistregels heeft de corridor bij voorkeur een bepaalde breedte, waar dan plaats kunnen worden geboden aan alle voor de diersoorten meest geschikte biotopen. Het rapport uit 2010 gaat uit van dezelfde vuistregels, maar gaat in op de vraag in hoeverre hiervan kan worden afgeweken. Provinciale staten hebben erop gewezen dat de ecologische verbinding niet uitsluitend slaagt indien de vuistregels volledig in acht worden genomen. In de praktijk kan hiervan worden afgeweken door bijvoorbeeld smallere verbindingen te realiseren. Uit het onderzoek uit 2010 kan volgens provinciale staten worden geconcludeerd dat ook op het smalste gedeelte van de verbinding, traject B, voor de aan de bossen gerelateerde doelsoorten, de boommarter en hazelworm, ruim wordt voldaan aan de vuistregels. Ook voor de doelsoorten ree en das is de natuurverbinding in zijn huidige verschijningsvorm in grote mate geschikt. Voor de aan heide gerelateerde soorten zandhagedis, heideblauwtje en groene zandloopkever is de huidige verschijningsvorm van de corridor niet geschikt. Daarvoor zou bij voorkeur bos moeten worden omgevormd naar meer open biotopen. Dit zou volgens provinciale staten problematisch kunnen zijn indien geen afspraken kunnen worden gemaakt met [appellant sub 3a], maar uit het rapport uit 2010 volgt dat dergelijke afspraken niet noodzakelijk zijn om de beoogde doelstelling te realiseren. De verbinding is ook zonder afspraken functioneel. De dieren zijn niet strikt gebonden aan open heide. Zij gebruiken naast heide ook bos en de overgangszone tussen deze twee. De conclusie van provinciale staten dat, hoewel de gewenste corridorbreedte op traject B niet geheel kan worden gerealiseerd als alleen op de gronden van de GNR reservaat bos kan worden omgevormd, deze dieren toch gebruik zullen maken van de natuurverbinding, komt de Afdeling gezien het vorenstaande niet onaannemelijk voor. De Afdeling acht door [appellant sub 3a] en HBB niet aannemelijk gemaakt dat de natuurverbinding niet geschikt is voor alle beoogde doelsoorten.

2.8.2.1. [appellant sub 3a] en HBB kunnen voorts niet worden gevolgd in hun standpunt dat het onderzoek van Alterra uit 2010 op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, omdat bij de beoordeling van de natuurverbinding ten onrechte gronden zijn betrokken waarover niet door de gemeente Laren, de provincie Noord-Holland of de GNR kan worden beschikt. Alterra heeft weliswaar aanbevolen om bij de omvorming naar heide ook delen van landgoed Larenberg te betrekken, maar uit het rapport blijkt dat ook indien niet wordt beschikt over de gronden die toebehoren aan landgoed Larenberg, een corridor voor de aan heide gerelateerde soorten kan worden gerealiseerd. Anders dan door [appellant sub 3a] en HBB is gesteld, volgt uit het vorenstaande dat de conclusies van het rapport van Alterra niet zijn gebaseerd op een veel groter gebied dan waarover daadwerkelijk kan worden beschikt.

[appellant sub 3a] en HBB hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat het doel van de natuurverbinding niet kan worden bereikt omdat de doelsoorten de Leemzeulder en de Boissevainweg moeten oversteken. Provinciale staten hebben in dit verband terecht verwezen naar het rapport van Alterra, waarin is vermeld dat deze wegen naar verwachting geen groot obstakel zullen vormen voor de doelsoorten. Om de kans op faunaslachtoffers te voorkomen, zijn door Alterra verschillende verkeersmaatregelen voorgesteld. Provinciale staten hebben ter zitting toegezegd dat de aanbevelingen van Alterra zullen worden overgenomen. Voorts is ter zitting desgevraagd meegedeeld dat over de te treffen maatregelen ten aanzien van de Leemzeulder overleg zal plaatsvinden met de gemeente Laren, aangezien die gemeente ter zake van deze weg de bevoegde instantie is.

2.9. [appellant sub 3a] en HBB voeren verder aan dat de door Alterra voorgestelde inrichtingsmaatregelen niet uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van de zandhagedis, het heideblauwtje, de groene zandloopkever, de das en de ree is geadviseerd om meer openheid te creëren, bijvoorbeeld door het realiseren van een heidecorridor. Hierbij wordt door Alterra aanbevolen om ten behoeve van een optimaal resultaat een deel van het bos op Landgoed Larenberg tot heidecorridor om te vormen.

[appellant sub 3a] wijst erop dat hij niet zal instemmen met de daarvoor benodigde bomenkap. Bovendien mag de bebossing van landgoed Larenberg niet worden gewijzigd zonder vergunning op grond van de Monumentenwet 1988. Volgens [appellant sub 3a] en HBB is niet gebleken dat provinciale staten hebben onderzocht of een dergelijke vergunning zou kunnen worden verkregen.

Landgoed Larenberg is verder aan te merken als een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928. Ten behoeve van het behoud van die status ligt vervreemding van een strook van 180 m grond aan bijvoorbeeld de GNR niet voor de hand. [appellant sub 3a] en HBB wijzen er in dit verband op dat bij de verkoop van een gedeelte van het landgoed aan HBB in juni 2010 in de koopovereenkomst is opgenomen dat HBB zich verplicht de ingevolge de Natuurschoonwet 1928 op het landgoed rustende status te handhaven. Provinciale staten hebben niet onderzocht hoe met die status dient te worden omgegaan.

Voorts valt landgoed Larenberg onder de Boswet en is het landgoed ingeschreven bij het Bosschap. Indien bos zou verdwijnen ten behoeve van het creëren van meer openheid, dan zou op grond van de Boswet elders moeten worden herbeplant. [appellant sub 3a] en HBB voeren aan dat hiervoor op het landgoed geen ruimte beschikbaar is en dat provinciale staten niet hebben onderzocht of elders zou kunnen worden herbeplant.

Verder wijzen [appellant sub 3a] en HBB op het regeerakkoord van het huidige kabinet, waarin is opgenomen dat de EHS herijkt wordt gerealiseerd in 2018 met maximale inzet op beheer en minimale inzet op verwerving. Nu het beleid hoofdzakelijk op het beheer van bestaande gebieden zal zijn gericht, is het onzeker of de door Alterra voorgestelde maatregel met betrekking tot omvorming van bos tot heide zal worden uitgevoerd, aangezien voor het creëren van een open heidecorridor op traject B grond zal moeten worden verworven.

Volgens [appellant sub 3a] en HBB is het ontwikkelen van heide op de beschikbare strook van 20 m op traject B voorts niet uitvoerbaar wegens een gebrek aan ruimte.

Ten slotte is het volgens [appellant sub 3a] en HBB onzeker of financiële middelen beschikbaar zijn voor het uitvoeren van de door Alterra voorgestelde maatregelen, zodat de financiële uitvoerbaarheid van het inpassingsplan niet vaststaat.

2.9.1. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is in het rapport van Alterra uit 2010 geconcludeerd dat ook indien niet wordt beschikt over de gronden die in eigendom toebehoren aan landgoed Larenberg, een corridor voor de heidesoorten kan worden gerealiseerd. De omstandigheid dat door Alterra wordt aanbevolen om ten behoeve van een optimaal resultaat een deel van het bos op landgoed Larenberg tot heidecorridor om te vormen, maakt niet dat het, wanneer dit niet gebeurt, niet mogelijk is om de verbindingszone uit te voeren. Dat landgoed Larenberg onder de Monumentenwet 1988, de Boswet en de Natuurschoonwet 1928 valt en de omstandigheid dat [appellant sub 3a] en HBB geen medewerking zouden verlenen aan de bomenkap, maakt derhalve, wat hier verder ook van zij, niet dat het inpassingsplan niet uitvoerbaar is. Voor zover [appellant sub 3a] en HBB hebben verwezen naar een gedeelte uit het regeerakkoord waarin is vermeld dat maximale inzet zal plaatsvinden op beheer en minimale inzet op verwerving, wordt overwogen dat in diezelfde passage is vermeld dat dit kan betekenen dat er minder wordt aangekocht. Hieruit volgt dat niet is uitgesloten dat gronden worden aangekocht, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het gelet op voormeld kabinetsbeleid onzeker is dat de door Alterra voorgestelde maatregel met betrekking tot omvorming van bos tot heide zal worden uitgevoerd.

Voorts faalt het betoog van [appellant sub 3a] en HBB dat het ontwikkelen van heide op de beschikbare strook van 20 m op traject B niet mogelijk zou zijn omdat 3 m van de betrokken strook als ruiterpad en wandelpad wordt gebruikt en wordt geadviseerd om ongeveer 5 m brede zoomvegetaties op de overgangen van bos naar heide te ontwikkelen zodat de strook heide uiteindelijk slechts 7 m breed is. In dit verband is van belang dat ter zitting is gebleken dat de desbetreffende stook grond in eigendom toebehoort aan de GNR. Ter plaatse is reeds zoomvegetatie aanwezig en ruiters kunnen passeren over een smal ruiterpad. Er is geen wandelpad aanwezig. Ter zitting is van de zijde van de GNR toegezegd dat er geen voet- of fietspad zal worden aangelegd en dat ten aanzien van de strook alles zal worden gedaan wat nodig is om de natuurbrug te kunnen realiseren. Er bestaat gezien het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat het ontwikkelen van heide ter plaatse niet mogelijk is.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3a] en HBB dat onduidelijkheid bestaat omtrent de financiële uitvoerbaarheid van het plan, wordt overwogen dat in de toelichting behorende bij het inpassingsplan is opgenomen dat de kosten voor realisatie van de natuurbrug grotendeels voor rekening van Rijkswaterstaat en daarnaast voor rekening van de provincie Noord-Holland komen. De kosten van de realisatie van de natuurbrug zijn opgenomen in de onderscheiden begrotingen. Provinciale staten hebben zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is.

2.10. Voorts bevat de reactie op de zienswijzen volgens [appellant sub 3a] en HBB een aantal onjuistheden.

Anders dan in die reactie is vermeld, maakt landgoed Larenberg geen deel uit van de ecologische verbindingszone.

Verder is het volgens [appellant sub 3a] en HBB onzorgvuldig dat provinciale staten bij de beantwoording van de zienswijzen zijn aangesloten bij het rapport van Alterra. In dat rapport is immers uitgegaan van een te groot gebied. Voorts is hierin opgemerkt dat in overleg tussen de GNR en de eigenaar van het landgoed wordt verkend of de GNR een deel van het landgoed kan overnemen, terwijl dat overleg ten tijde van het opstellen van het rapport echter al geruime tijd was opgeschort.

Voorts is in de toelichting behorende bij het inpassingsplan vermeld dat Alterra heeft aanbevolen bij de omvorming van bos naar heide delen van landgoed Larenberg te betrekken, waardoor volgens [appellant sub 3a] en HBB ten onrechte de indruk wordt gewekt dat provinciale staten vrij over de gronden behorend bij het landgoed kunnen beschikken.

Ten slotte heeft [appellant sub 3a] erop gewezen dat de beantwoording van zijn zienswijze niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, omdat [appellant sub 3a] in de reactie op zijn zienswijze een brief van provinciale staten heeft ontvangen waarin staat dat hij reclamant 27 is, terwijl in hoofdstuk 8 van de toelichting op het inpassingsplan reclamant 27 niet wordt vermeld bij de juiste gronden.

2.10.1. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat landgoed Larenberg deel uitmaakt van de EHS.

Voorts kunnen [appellant sub 3a] en HBB, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet worden gevolgd in hun standpunt dat Alterra bij de beoordeling van het noordelijke gedeelte van de natuurverbinding van een te groot gebied is uitgegaan. De omstandigheid dat in de beantwoording van de zienswijzen is verwezen naar het rapport van Alterra, leidt derhalve niet tot het oordeel dat plan in zoverre op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Door provinciale staten is verder niet betwist dat sinds 2009 tussen de GNR en [appellant sub 3a] geen overleg meer heeft plaatsgevonden omtrent de overname van een deel van landgoed Larenberg. Deze vorm van overleg maakt echter geen onderdeel uit van de in de Wro en het Bro geregelde inpassingsplanprocedure, zodat het ontbreken van dat overleg, wat daar verder van zij, geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de gevolgde inpassingsplanprocedure en het inpassingsplan.

Voorts volgt uit de passage uit het inpassingsplan waarin is vermeld dat wordt aanbevolen om bij de omvorming van bos naar heide ook delen van landgoed Larenberg te betrekken, niet dat provinciale staten vrij over de gronden kunnen beschikken die bij het landgoed behoren. In de desbetreffende passage is bovendien niet opgenomen aan wie die gronden toebehoren. Voor het oordeel dat de weergave van de feiten in zoverre niet zorgvuldig is, bestaat dan ook geen grond.

[appellant sub 3a] heeft ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat de door hem in zijn zienswijze aangevoerde gronden bij de beantwoording van de zienswijzen niet aan de orde zijn gekomen zodat, wat er verder ook zij van het betoog dat hij als reclamant 27 bij de beantwoording van de zienswijzen niet is genoemd bij de juiste gronden, niet kan worden geoordeeld dat niet op zijn zienswijze is ingegaan.

2.11. In hetgeen [appellant sub 3a] en HBB hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Blokker Holding

2.12. Blokker Holding kan zich evenmin verenigen met het inpassingsplan en voert hiertoe aan dat ten onrechte aan het plandeel met de bestemming "Kantoor" tevens de dubbelbestemming "Leiding - Water" is toegekend.

Volgens Blokker Holding is uit navraag bij de provincie gebleken dat het gaat om zeer grote waterleidingen waarop niet zal mogen worden gebouwd. De bestemmingen "Kantoor" en "Leiding - Water" op dezelfde gronden zijn in dat geval niet verenigbaar. De dubbelbestemming en de onduidelijkheid omtrent het omleggen van de waterleidingen geeft bovendien teveel onzekerheid ten aanzien van mogelijke belemmeringen in de bouwmogelijkheden van het bij het plan mogelijk gemaakte kantoorpand.

Voorts zal, indien bouwen op de waterleidingen wel is toegestaan, in de toekomst toegang tot die leidingen noodzakelijk zijn in verband met het beheer daarvan, hetgeen voor Blokker Holding, als eigenaar en gebruiker van het te realiseren kantoorpand, niet wenselijk is. Volgens Blokker Holding is onvoldoende gemotiveerd waarom de dubbelbestemming "Leiding - Water" is opgenomen voor het gehele plangebied en zijn haar belangen onvoldoende meegewogen. Volgens Blokker Holding had het meer voor de hand gelegen de waterleidingen te realiseren ter plaatse van het gedeelte van het plangebied met de bestemming "Natuur".

2.12.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de regels behorende bij het inpassingsplan zijn de voor "Leiding - Water" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. ondergrondse waterleidingen;

b. het beheer, onderhoud en bescherming van de leidingen.

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.1, mogen de op de in lid 6.1 bedoelde gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.2, gelden voor het bouwen de regels zoals opgenomen in de enkelbestemmingen.

2.12.2. Ter zitting is van de zijde van provinciale staten erkend dat de toekenning van de dubbelbestemming "Leiding - Water" aan het perceel van Blokker Holding tot rechtsonzekerheid bij Blokker Holding kan leiden. Voorts is door provinciale staten toegelicht dat inmiddels tussen de provincie Noord-Holland en PWN Waterleidingbedrijf is afgesproken dat de waterleidingen niet over het perceel van Blokker Holding zullen worden gelegd.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten bij het nemen van hun besluit op dit punt in strijd hebben gehandeld met de eisen die de zorgvuldigheid daar aan stelt.

Het betoog van Blokker Holding slaagt in zoverre.

2.13. In hetgeen Blokker Holding heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover aan het plandeel met de bestemming "Kantoor" en de dubbelbestemming "Leiding - Water", de dubbelbestemming "Leiding - Water" is toegekend, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

Proceskosten

2.14. Provinciale staten dienen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van Blokker Holding te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 1], [appellant sub 3a] en HBB bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3a] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij Huizen Bezit en Beheer B.V. ongegrond;

II. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V. gegrond;

III. vernietigt het besluit van provinciale staten van Noord-Holland van 15 november 2010, kenmerk 2010-68377, voor zover dit betreft het plandeel met de bestemming "Kantoor" en de dubbelbestemming "Leiding - Water" voor zover het betreft de dubbelbestemming "Leiding - Water";

IV. veroordeelt provinciale staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat provinciale staten van Noord-Holland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melenhorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

490.