Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201109615/4/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Ven Hondsberg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109615/4/R3.

Datum uitspraak: 22 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, wonend te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

en

de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Ven Hondsberg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2011, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 december 2011, waar [verzoeker] en anderen, bij monde van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Blonk en ir. E.M.A. Cammaert, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in drie aaneengeschakelde en vier vrijstaande woningen op een voormalig bedrijfsperceel aan de Raadhuisstraat 38/38a/38b te Rosmalen.

2.3. Het verzoek van [verzoeker] en anderen betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel Raadhuisstraat 38/38a/38b. Met hun verzoek beogen zij onomkeerbare gevolgen ter plaatse te voorkomen.

Zij stellen dat de voorziene woningen, nu deze aanzienlijk hoger zijn dan de omliggende woningen, niet in de omgeving passen en zullen leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Aan deze woningen is volgens hen geen behoefte. De raad had in plaats daarvan kleinere seniorenwoningen mogelijk moeten maken. De raad heeft ten onrechte slechts de commerciële belangen van de projectontwikkelaar bij zijn besluit betrokken.

[verzoeker] en anderen betogen voorts dat de aaneengeschakelde woningen op te korte afstand van een bestaand tankstation worden mogelijk gemaakt. Verder heeft de raad, nu door [verzoeker] en anderen meermalen een bonte specht is waargenomen, ten onrechte geen aanvullend flora- en faunaonderzoek verricht, aldus [verzoeker] en anderen.

2.3.1. De voorzitter stelt vast dat het plan, voor zover hier van belang, drie aaneengeschakelde woningen met een maximale bouwhoogte van 9 m mogelijk maakt en vier vrijstaande woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van 6,5 respectievelijk 10 m. Ter zitting is gebleken dat de omliggende woningen een hoogte hebben van ongeveer 8 m. Gelet op deze beperkte afwijking en nu het bestreden plandeel in een stedelijke omgeving ligt, ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de woningen niet in de omgeving passen of dat de raad slechts kleinere woningen mogelijk had mogen maken. Ook is door [verzoeker] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de woningen. Nu de vrijstaande woningen op een afstand van minimaal 19 m van de bestaande woningen staan en in de bouwregels rekening is gehouden met de omliggende bestaande woningen, heeft de raad, naar het voorlopige oordeel van de voorzitter, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad slechts de belangen van de projectontwikkelaar bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad te kennen heeft gegeven de bedrijfsbestemming ter plaatse te hebben verwijderd om mogelijke overlast voor omwonenden te voorkomen en dat naar aanleiding van zienswijzen van omwonenden onder meer het aantal woningen is verlaagd en de ontsluitingsweg is verplaatst.

2.3.2. Ten aanzien van het tankstation heeft de raad te kennen gegeven dat naar de aspecten geluid en veiligheid onderzoek is gedaan, waaruit naar voren is gekomen dat de woningen met 30 m op voldoende afstand staan. Ter zitting hebben [verzoeker] en anderen te kennen gegeven de juistheid van dit onderzoek als zodanig niet te bestrijden. In het aangevoerde ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan om zich in redelijkheid op voornoemd standpunt te kunnen stellen.

2.3.3. De vragen of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. De raad dient een plan echter niet vast te stellen indien hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De enkele omstandigheid dat door [verzoeker] en anderen een specht is waargenomen, wat daar ook van zij, maakt naar het voorlopige oordeel van de voorzitter niet dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het perceel thans een bebouwd en verhard terrein betreft en dat met aanwezigheid van nesten, indien daarvan al zou blijken, rekening kan worden gehouden door buiten het broedseizoen te werken.

2.3.4. Voor het overige geeft het aangevoerde evenmin aanleiding voor de verwachting dat het plan in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven.

2.3.5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter, de betrokken belangen afwegend, geen aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te willigen.

2.3.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2011

350-715.