Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201111955/2/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) aanvullende voorschriften verbonden aan de op 27 april 1993, 12 september 1994, 18 maart 2008 en 1 augustus 2008 aan Thermphos verleende omgevingsvergunningen voor respectievelijk de sinterfabriek, fosforfabriek en PA&PP fabriek, behorende tot een inrichting voor de productie van fosfor, fosforzuur en natriumtripolyfosfaat op het perceel Haven 9890 te Vlissingen-Oost. Dit besluit is op 14 juli 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.30
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111955/2/H4.

Datum uitspraak: 22 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Thermphos International B.V. (hierna: Thermphos), gevestigd te Vlissingen, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

Thermphos,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg, nevenlocatie Breda, van 5 oktober 2011 in zaak nrs. 11/4402 en 11/4404 in het geding tussen:

Thermphos

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) aanvullende voorschriften verbonden aan de op 27 april 1993, 12 september 1994, 18 maart 2008 en 1 augustus 2008 aan Thermphos verleende omgevingsvergunningen voor respectievelijk de sinterfabriek, fosforfabriek en PA&PP fabriek, behorende tot een inrichting voor de productie van fosfor, fosforzuur en natriumtripolyfosfaat op het perceel Haven 9890 te Vlissingen-Oost. Dit besluit is op 14 juli 2011 ter inzage gelegd.

Bij uitspraak van 5 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door Thermphos daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Thermphos bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van dezelfde datum heeft Thermphos de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Thermphos en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 december 2011, waar Thermphos, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, dr. M. Bartels, drs. J.C. Wijkhuis en ing. A. Boom, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Witkam, ing. J.H. Willemse, ing. H. Jonker, ing. E. Jansen en drs. F.J.H. Vossen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo, beziet het bevoegd gezag, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

Ingevolge artikel 2.31, eerste lid, voor zover van belang, wijzigt het bevoegd gezag voorschriften van de omgevingsvergunning indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

2.3. Thermphos verzoekt om bij wijze van voorlopige voorziening de voorschriften 3.2, 3.3 en 3.6 te schorsen.

2.4. Ingevolge voorschrift 3.2 moet Thermphos, kort weergegeven, binnen twee maanden na het van kracht worden van het bestreden besluit, de circulatie van het waswater in het fluorwassersysteem van de sinterfabriek verbeteren.

Ingevolge voorschrift 3.3 moet Thermphos, kort weergegeven en voor zover van belang, uiterlijk vier maanden na het van kracht worden het bestreden besluit, alkalische oxidatieve gaswassing toepassen bij de fluorwassers van de sinterfabriek.

Ingevolge voorschrift 3.6 moet Thermphos uiterlijk 1 april 2012, met behulp van een passend en betrouwbaar verspreidingsmodel, dan wel door middel van het laten uitvoeren van veldmetingen, aantonen of met de tot dan toe getroffen maatregelen wordt voldaan aan het provinciaal geurbeleid.

2.5. Met betrekking tot de voorschriften 3.2 en 3.3 voert Thermphos onder meer aan dat de voorgeschreven maatregelen niet effectief zijn om de geurhinder vanwege de sinterfabriek te beperken. Volgens haar staat niet vast dat een kortere verblijftijd van het waswater en de toepassing van alkalische oxidatieve gaswassing de geuremissie zullen reduceren, terwijl deze maatregelen technische aanpassingen en investeringen vergen.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat Thermphos in het rapport van 19 november 2010 'Onderzoeksrapportage geuremissie Thermphos International BV' dat Thermphos bij brief van 3 januari 2011 aan het college heeft toegezonden, zelf heeft aangegeven dat deze maatregelen de geuremissie kunnen reduceren en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de maatregelen in dit geval niet effectief zullen zijn.

Volgens Thermphos vermeldt het rapport van 19 november 2010 maatregelen die in theorie een geurreducerend effect kunnen hebben, maar staat niet vast dat die maatregelen ook in de praktijk de geuremissie vanwege de sinterfabriek zullen reduceren. In dat verband stelt zij dat de voorgeschreven maatregelen weliswaar worden toegepast bij andersoortige inrichtingen, maar niet bekend is welk effect de maatregelen zullen hebben bij de sinterfabriek. Deze onzekerheid in verband waarmee volgens Thermphos nader onderzoek nodig is, klemt te meer nu Thermphos de enige fosforproducent binnen de Europese Unie is en er geen BREF-document voor de branche is opgesteld, aldus Thermphos.

2.5.2. In aanmerking genomen het unieke karakter van de door Thermphos gedreven inrichting, had het naar het oordeel van de voorzitter op de weg van het college gelegen om zich ervan te vergewissen dat de door hem voorgeschreven maatregelen ook in het bedrijf van Thermphos effectief en haalbaar zijn. Het college heeft zijn stelling dat dit het geval is niet met concrete gegevens onderbouwd. Gelet op de door Thermphos gestelde - door het college niet weggenomen - onzekerheid over de effectiviteit van de betrokken maatregelen, bestaat bij de voorzitter twijfel over het effect van de maatregelen. Gegeven deze twijfel aan de ene kant en de investeringen die Thermphos moet doen ter implementatie van die maatregelen aan de andere kant, ziet de voorzitter aanleiding om, na afweging van de betrokken belangen, de voorschiften 3.2 en 3.3 te schorsen. Daarbij acht de voorzitter nog van belang dat de voorgeschreven maatregelen slechts voor een beperkte periode moeten worden geïmplementeerd, aangezien uiterlijk 1 januari 2015 een nieuwe installatie gerealiseerd zal worden ter beperking van de dioxine-emissie.

Gelet op de samenhang tussen voorschrift 3.6 en de op grond van voorschrift 3.2 en 3.3 te treffen maatregelen, ziet de voorzitter aanleiding ook voorschrift 3.6 te schorsen.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 5 juli 2011, kenmerk 11105365, voor zover het de voorschriften 3.2, 3.3 en 3.6 betreft;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Thermphos International B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zeeland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Thermphos International B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2011

457-687.