Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201012440/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2010, kenmerk 10INT00597, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/26 met annotatie van R. van Bommel
JOM 2012/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012440/1/R1.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], [appellant B], [appellante C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Hertme, gemeente Borne,

en

de raad van de gemeente Borne,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010, kenmerk 10INT00597, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante A], [appellant B], [appellante C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2011, waar [appellante A], [appellant B], [appellante C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Jurriën, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Het agrarisch bedrijf van [appellante A] aan de [locatie] te Hertme is in 2009 verkocht aan [belanghebbende] en ter zitting is onweersproken gesteld dat [appellante A] de bedrijfsvoering inmiddels heeft voortgezet in Groningen. Voorts is ter zitting komen vast te staat dat [appellant B] en [appellante C] niet meer wonen op voormeld adres noch elders in of nabij het plangebied.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Niettemin kan door feitelijke ontwikkelingen na het indienen van het beroep het belang bij beoordeling van het bestreden besluit verloren gaan, bijvoorbeeld door verhuizing of verlies van eigendom.

2.2.1. [appellante A], [appellant B] en [appellante C] (hierna: [appellante A] en anderen) hebben ter zitting betoogd dat zij nog belang hebben bij het beroep, omdat [belanghebbende] de uitbreiding van het agrarisch bedrijf is toegestaan die de raad eerder hun niet heeft toegestaan. Zij stellen dat zij mede om die reden het bedrijf hebben verkocht. Als het plan in werking treedt, biedt hun dat de mogelijkheid om de gemeente aansprakelijk te stellen voor de schade die zij daardoor hebben geleden, aldus [appellante A] en anderen. Hieruit volgt niet dat [appellante A] en anderen nog belang hebben bij vernietiging van het plandeel. Nu overigens niet is gesteld dat zij daarbij belang hebben en zij ook niet tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden als gevolg van het besluit, moet worden geoordeeld dat [appellante A] en anderen geen belang meer hebben bij beoordeling van het beroep. Het beroep van [appellante A] en anderen is niet-ontvankelijk.

2.3. De raad betoogt dat [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] (hierna: [appellant D] en anderen) niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden.

2.3.1. Aan de gronden aan de [locatie] is de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" toegekend met een bouwperceel van ongeveer 1,5 ha en een bouwperceel met een oppervlakte van ongeveer 0,6 ha. Ter plaatse is een melkveehouderij gevestigd. Ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" is het bouwperceel met ongeveer 0,6 ha vergroot. [appellant D] en anderen wonen in de directe nabijheid van het bedrijf. Niet is uitgesloten dat zij daarvan hinder ondervinden, bijvoorbeeld in de vorm van stank of geluid door langsrijdend vrachtverkeer. Het beroep van [appellant D] en anderen is in zoverre ontvankelijk.

2.3.2. Ter zitting hebben [appellant D] en anderen gesteld dat het beroep zich niet beperkt tot het plandeel aan de [locatie]. De Afdeling stelt vast dat [appellant D] en anderen niet wonen in de nabijheid van andere plandelen die in de onderhavige planherziening zijn opgenomen. Ook overigens is niet gebleken dat zij bij die plandelen belang hebben. Gelet hierop is het beroep van [appellant D] en anderen voor zover het betreft andere plandelen dan [locatie] niet-ontvankelijk.

2.3.3. Het beroep van [appellant D] en anderen gericht tegen het toelaten van te veel niet- dan wel pseudo-agrarische activiteiten en tegen de ontheffingsmogelijkheid voor activiteiten ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering, voor zover betrekking hebbend op het plandeel aan [locatie], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Weliswaar is het plan op onderdelen gewijzigd vastgesteld, maar [appellant D] en anderen hebben niet aangegeven dat hun beroep in zoverre is gericht tegen dergelijke wijzigingen.

Het beroep van [appellant D] en anderen is ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. [appellant D] en anderen stellen dat het vastgestelde plan niet elektronisch beschikbaar is, zodat de precieze gronden van beroep niet kunnen worden ingediend.

2.4.1. Daargelaten dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd voor 1 januari 2010, zodat ingevolge artikel 8.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening de inhoud van de papieren vorm van het bestemmingsplan beslissend is, heeft deze beroepsgrond betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan deze reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.5. Voor zover [appellant D] en anderen stellen dat de begrippen en bestemmingen onduidelijk en daardoor rechtsonzeker zijn, hebben zij dit, ook ter zitting, niet nader geconcretiseerd. Hetzelfde geldt voor het betoog dat de planregels te ruim zijn opgesteld en onvoldoende handhaafbaar. Reeds hierom faalt het betoog.

2.6. [appellant D] en anderen betogen dat het bouwblok ter plaatse van [locatie] ten onrechte is vergroot. Zij vrezen door de toename van bedrijfsgerelateerd verkeer langs hun woningen voor overlast door luchtvervuiling, lichtschijnsels en lawaai, en in het bijzonder voor slaapverstoring. Ten onrechte is de raad niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan, aldus [appellant D] en anderen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwperceel is uitgebreid zodat de eigenaar een tweede bedrijfswoning en op termijn een werktuigenberging kan realiseren. Hierdoor vindt geen uitbreiding plaats in dieren, dieraantallen en aan- en afvoerbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, aldus de raad, te meer nu de vigerende milieuvergunning van kracht blijft.

2.6.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1.1. onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de desbetreffende gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge deze bepaling, onder b, gelezen in samenhang met de verbeelding van het thans voorliggende plan, is maximaal één dienstwoning toegestaan per agrarisch bouwperceel. Ter plaatse is dus thans een tweede dienstwoning toegestaan.

Ingevolge lid 8.2.1, onder a, worden de bouwwerken op het agrarisch bouwperceel gebouwd.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, is een agrarisch bouwperceel een bouwvlak, waarbinnen nader in deze voorschriften bepaalde bouwwerken ten dienste van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf zijn toegestaan.

2.6.3. Uit het verweerschrift volgt en ter zitting is door de raad bevestigd dat de gevolgen van het plan zijn beoordeeld op grond van de vigerende milieuvergunning. Een milieuvergunning kent echter een ander toetsingkader dan de Wro en kan in de toekomst worden gewijzigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Volgens de raad is de milieuvergunning nog niet geheel benut en is aldus rekening gehouden met een eventuele uitbreiding van het bedrijf op het nieuwe bouwvlak. De raad heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen de milieuvergunning nog aan uitbreidingsruimte biedt, overeenkomt met de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Gelet hierop is niet zonder meer duidelijk dat het bestemmingsplan in zoverre, zoals de raad stelt, niet in betekenende mate kan bijdragen aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen als gevolg van de inrichting en de daarbij behorende verkeersbewegingen. Evenmin is inzichtelijk welke gevolgen [appellant D] en anderen daarvan anderszins kunnen ondervinden. Nu de raad niet heeft beoogd meer mogelijk te maken dan het toestaan van een tweede bedrijfswoning en op termijn de bouw een werktuigenberging, ziet de Afdeling niet in waarom de raad er niet voor heeft kunnen kiezen de uitbreidingsmogelijkheden daartoe te beperken.

2.6.4. In hetgeen [appellant D] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.6.5. In hetgeen [appellant D] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk:

a. voor zover ingesteld door de [appellante A], [appellant B], [appellante C];

b. voor zover ingesteld door [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G], voor zover het betreft andere plandelen dan dat gelegen aan de [locatie];

c. voor zover ingesteld door[appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] voor zover het betreft [locatie], wat het betreft de regeling voor niet- dan wel pseudo-agrarische activiteiten en de ontheffingsmogelijkheid voor activiteiten ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering;

II. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Borne van 28 september 2010, kenmerk 10INT00597, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en de aanduiding "bouwperceel" aan de [locatie], voor zover het betreft de toevoeging ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied";

IV. verklaart het beroep voor zover ingesteld door[appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Borne tot vergoeding van bij [appellante A], [appellant B], [appellante C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Borne aan [appellante A], [appellant B], [appellante C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

410.