Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU9432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
201103211/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103211/1/H3.

Datum uitspraak: 28 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Veenendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 februari 2011 in zaak nr. 09/2423 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Financiën.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2011, verzonden op 9 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2011, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.H. Jacobs, mr. G.M. Bosch en mr. C.G. Zandee, allen werkzaam bij het Ministerie van Financiën, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2.2. In verband met een door de Belastingdienst/FIOD-ECD ingesteld onderzoek naar de aangiften inkomstenbelasting van [persoon A], bestuurder van [appellante] in de periode 1996 tot en met 2002, heeft [appellante] bij brief van 24 april 2009 de staatssecretaris op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van de volgende documenten:

A. het schriftelijke verzoek aan de rechter-commissaris om een huiszoeking op het adres Walenburg 8 te Veenendaal te mogen verrichten;

B. de schriftelijke toestemming van de rechter-commissaris voor deze huiszoeking;

C. het slotproces-verbaal genoemd onder punt 11 van een proces-verbaal van 14 mei 2003 en de daarbij behorende bijlagen;

D. het document tot beëindiging van het strafrechtelijk vooronderzoek tegen [persoon A], vermeld in een brief van de staatssecretaris van 10 april 2009.

De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat hij niet beschikt over de gevraagde documenten en hem evenmin is gebleken dat deze documenten zijn opgemaakt.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 22 juli 2009 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom hij heeft afgezien van het horen in bezwaar. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit evenwel in stand gelaten, omdat de mededeling van de staatssecretaris dat de stukken A tot en met D niet bestaan, haar niet ongeloofwaardig voorkomt en [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze stukken toch bestaan.

2.4. Het primaire betoog van [appellante] dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, nu deze is gedaan voordat een proces-verbaal van de zitting was opgemaakt, faalt. Ingevolge artikel 8:61, derde lid, van de Awb maakt de griffier een proces-verbaal op van de zitting, indien de rechtbank dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt en indien hoger beroep wordt ingesteld. Een proces-verbaal is derhalve niet vereist om uitspraak te doen.

2.5. Het betoog van [appellante] dat de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank ter zitting blijk heeft gegeven van partijdigheid door tegen haar vertegenwoordiger te zeggen dat zij niet als Don Quichot op windmolens moet jagen, faalt evenzeer. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de voorzitter heeft opgemerkt dat de vertegenwoordiger van [appellante] moet overdenken wanneer zij moet stoppen. Deze opmerking geeft niet blijk van partijdigheid.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank de omvang van het geding ten onrechte heeft beperkt tot de documenten A tot en met D genoemd in de brief van 24 april 2009, nu zij bij brief van 20 november 2009 naar aanleiding van het verweerschrift van de staatssecretaris van 7 oktober 2009 om openbaarmaking van nog vier documenten heeft verzocht, te weten:

a. de laatste complete pagina van het proces-verbaal van 14 mei 2003;

b. de laatste complete pagina van het conceptverslag van het Selectie Overleg van 29 augustus 2002;

c. de laatste complete pagina van het verslag van het Tripartiete Overleg van 12 september 2002;

d. de complete pagina van een stuk waarop is vermeld: "Erkens heeft gegevens van de kluis opgevraagd en in ontvangst genomen".

Voorts is de uitspraak van de rechtbank volgens [appellante] tegenstrijdig, nu de rechtbank uitlatingen heeft gedaan over het proces-verbaal van 14 mei 2003 en het stuk over de kluis, terwijl het verzoek om volledige openbaarmaking van deze documenten volgens de rechtbank buiten de omvang van het geding valt. Daarnaast heeft de rechtbank over die documenten onjuiste mededelingen gedaan, aldus [appellante].

2.6.1. Bij de rechtbank lag het besluit van 22 juli 2009 ter beoordeling voor, welk besluit is genomen op het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit waarbij op haar verzoek om openbaarmaking van de documenten A tot en met D is beslist. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of openbaarmaking van de documenten A tot en met D terecht is geweigerd, en dat de gronden van [appellante] die zien op de door haar gewenste openbaarmaking van andere documenten niet in deze procedure kunnen worden beoordeeld.

De stelling van [appellante] dat de rechtbank zich desondanks heeft uitgelaten over het verzoek om openbaarmaking van de documenten a en d berust op een onjuiste lezing van de uitspraak. De rechtbank heeft haar overwegingen over het proces-verbaal van 14 mei 2003 en de kluis gebaseerd op de door de staatssecretaris overgelegde op het geding betrekking hebbende stukken, welke eveneens aan [appellante] zijn verstrekt. Onder deze stukken bevinden zich onder meer het proces-verbaal van 14 mei 2003 en een stuk waarop is vermeld: "Erkens heeft gegevens van de kluis opgevraagd en in ontvangst genomen". Nu deze stukken deel uitmaken van het geding, heeft de rechtbank deze bij de beoordeling van het besluit van 22 juli 2009 mogen betrekken.

De stelling van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het proces-verbaal van 14 mei 2003 is ondertekend, berust eveneens op een onjuiste lezing van de uitspraak. De rechtbank heeft in overweging 2.4 van haar uitspraak kennelijk gedoeld op het onderdeel van het proces-verbaal dat is aangeduid met het kopje 'ondertekening' en niet op de ondertekening zelf, die inderdaad ontbreekt. Dat de rechtbank in overweging 2.8 abusievelijk heeft overwogen dat de kluis van het bedrijf is, terwijl deze van [persoon A] en [persoon B] is, geeft evenmin aanleiding tot vernietiging van de uitspraak, nu de eigendom van de kluis niet van belang was voor het door de rechtbank te beslechten geschil.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij aannemelijk moet maken dat de documenten bij de staatssecretaris berusten. Volgens haar blijkt uit de door de staatssecretaris overgelegde stukken reeds het bestaan van de documenten C en D en a tot en met d.

2.7.1. Zoals overwogen onder 2.6.1. valt het verzoek om openbaarmaking van de documenten a tot en met d buiten de omvang van het geding. Over de documenten A tot en met D wordt als volgt overwogen.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de documenten A tot en met D niet bestaan, omdat het onderzoek tegen [persoon A] niet is voortgezet. Er is gekozen voor een administratieve afdoening door de Belastingdienst, zodat de in het proces-verbaal van 14 mei 2003 genoemde onderzoekshandelingen, zoals de huiszoeking, niet zijn uitgevoerd. Omdat het onderzoek is beëindigd, is er geen slotproces-verbaal opgemaakt. De beëindiging zelf is evenmin schriftelijk vastgelegd, aldus de staatssecretaris. Ter zitting hebben de gemachtigden van de staatssecretaris toegelicht dat het de gebruikelijke werkwijze is dat de zaaksofficier slechts mondeling meedeelt dat hij het strafrechtelijk onderzoek in een aan hem voorgelegde zaak niet wenst voort te zetten.

Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de mededeling van de staatssecretaris dat de stukken A tot en met D niet bestaan niet ongeloofwaardig voorkomt. Anders dan [appellante] aanvoert, wordt in de op het geding betrekking hebbende stukken geen melding gemaakt van het bestaan van de documenten C en D. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 in zaak nr. 201001965/1/H3, derhalve met juistheid overwogen dat het aan [appellante] is om aannemelijk te maken dat de documenten A tot en met D toch bestaan. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat [appellante] dit niet aannemelijk heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011

611.