Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201102650/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BP2474, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] voor een vergunning voor het opgraven en herbegraven van de stoffelijke resten van [overledene] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/120 met annotatie van A.T. Marseille, K.J. de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102650/1/H3.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 januari 2011 in zaak nr. 10-2403 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Diemen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] voor een vergunning voor het opgraven en herbegraven van de stoffelijke resten van [overledene] afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2010 heeft de burgemeester, onder aanvulling van de motivering, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 13 augustus 2010 heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld het door haar geconstateerde gebrek in het besluit van 7 april 2010 te herstellen.

Bij brief van 6 september 2010 heeft de burgemeester, gevolggevend aan de uitspraak van de rechtbank van 13 augustus 2010, een nadere motivering van het besluit van 7 april 2010 gegeven.

Bij uitspraak van 24 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 7 april 2010 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 maart 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] die door de Afdeling in de gelegenheid is gesteld om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als partij aan het geding deel te nemen, heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. Bakx-van den Anker, advocaat te Amsterdam, de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.J.L. Dukers, werkzaam in dienst van de gemeente en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. G. Dik, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

[appellant] heeft bij brief van 7 november 2011 een nader stuk overgelegd waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging (hierna: Wlb) wordt een lijk slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.

2.2. [appellant] heeft op 12 november 2006 een aanvraag ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb voor het opgraven van de stoffelijke resten van de overledene, echtgenote van [appellant A] en moeder van [appellant B]. De overledene is begraven op de begraafplaats Sint Petrus' Banden te Diemen, in het graf waar reeds eerder haar ouders in zijn begraven, die tevens de ouders van [belanghebbende] zijn. [belanghebbende] is rechthebbende op dit graf. Tussen [appellant] en [belanghebbende] is een geschil ontstaan over de wijze waarop het graf door de nabestaanden mag worden gebruikt om de overledene en haar ouders te gedenken. [appellant] wenst om die reden de stoffelijke resten van de overledene op te graven en over te brengen naar een begraafplaats te Ouderkerk aan de Amstel. Gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van de Wlb is hiervoor vergunning van de burgemeester vereist en toestemming van [belanghebbende] als rechthebbende op het graf waarin de overledene is begraven. [belanghebbende] heeft deze toestemming niet verleend.

2.3. Bij arrest van 24 maart 2009 heeft het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) [belanghebbende] veroordeeld om binnen veertien dagen na de betekening van dat arrest toestemming te verlenen voor het opgraven van de stoffelijke resten van de overledene. Voorts heeft het Hof bepaald dat indien [belanghebbende] nalaat de hierboven genoemde toestemming te verlenen, het arrest dezelfde kracht zal hebben als een schriftelijke mededeling van [belanghebbende] houdende haar toestemming voor het opgraven van de stoffelijke resten van de overledene.

Bij arrest van 24 december 2010 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof vernietigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat hetgeen [appellant] heeft gesteld geen grond kan opleveren voor het oordeel dat [belanghebbende] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid geen toestemming te verlenen tot opgraving van de overledene. Voorts heeft [appellant] naar het oordeel van de Hoge Raad geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de weigering toestemming te verlenen op andere gronden onrechtmatig zou zijn. De Hoge Raad heeft het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 februari 2008 bekrachtigd, waarin de vorderingen van [appellant] strekkende tot de veroordeling van [belanghebbende] tot het verlenen van de toestemming voor het opgraven van de stoffelijke resten van de overledene zijn afgewezen.

2.4. De rechtbank heeft het arrest van de Hoge Raad betrokken bij de beoordeling van het bij haar voorliggende geschil, nu ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wlb voor opgraving van de stoffelijke resten van de overledene naast de vergunning van de burgemeester ook de toestemming van [belanghebbende] is vereist. Gelet op het arrest van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat [appellant] het doel dat haar voor ogen staat met haar beroep, namelijk opgraving van de stoffelijke resten van de overledene, niet meer kan bereiken. Ook indien hij zou beschikken over een door de burgemeester af te geven vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb, kunnen zonder toestemming van [belanghebbende] de stoffelijke resten van de overledene niet worden opgegraven. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de gevraagde vergunning van de burgemeester op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wlb en heeft hij tevens geen actueel en reëel belang meer bij een oordeel van de rechtbank over het bij haar bestreden besluit.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen actueel en reëel belang meer heeft bij een oordeel over het bij de rechtbank bestreden besluit. Hiertoe stelt hij allereerst dat hij voornemens is naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad een klacht in te dienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), nu het arrest van de Hoge Raad tot gevolg heeft dat zijn rechten zoals neergelegd in de artikelen 8 en 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden geschonden. Voorts betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat de bestuursrechtelijke procedure over het verkrijgen van een vergunning los staat van de civielrechtelijke procedure die over het verkrijgen van de toestemming, beide als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb. Ook zonder de toestemming kan de burgemeester de vergunning verlenen; van deze vergunning kan in dat geval slechts geen gebruik worden gemaakt, aldus [appellant].

2.6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2011 (zaak nr. 201003057/1/V2) volgt dat indien een belanghebbende opkomt tegen een besluit, hij belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat laatstgenoemde situatie zich in deze zaak niet voordoet, nu niet is uitgesloten dat [appellant] in de toekomst van een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb gebruik zou kunnen maken. Voorts wordt hierbij in aanmerking genomen dat [appellant] naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2010 een klacht heeft ingediend bij het EHRM.

Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 7 april 2010 behandelen.

Daarbij stelt de Afdeling vast dat de rechtbank in haar tussenuitspraak van 13 augustus 2010 verschillende door [appellant] tegen het besluit van 7 april 2010 aangevoerde beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Nu [appellant] in zijn hogerberoepschrift geen gronden heeft aangevoerd tegen deze tussenuitspraak en de burgemeester tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 januari 2011 geen hoger beroep heeft ingesteld, dient, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 (zaak nr. 200206222/1), van de juistheid van de in die uitspraak gegeven oordelen te worden uitgegaan. De Afdeling zal thans beoordelen of de burgemeester het door de rechtbank in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek in het besluit van 7 april 2010 met de door hem bij brief van 6 september 2010 gegeven nadere motivering, heeft hersteld.

2.8. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 13 augustus 2010 geoordeeld dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat slechts in geval van omstandigheden die een duidelijke en rechtstreekse relatie hebben met de overledene kan worden afgeweken van de door de burgemeester gehanteerde gedragslijn dat hij in beginsel geen vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb verleent in de periode tussen twee maanden en tien jaar na een begrafenis. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit de Wlb noch uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid voortvloeit dat de belangen van de nabestaanden van de overledene geen rol kunnen spelen bij de te maken belangenafweging. Gelet hierop heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld alsnog een gemotiveerde belangenafweging te maken.

2.9. Bij brief van 6 september 2010 heeft de burgemeester, gevolggevend aan de tussenuitspraak van 13 augustus 2010 een nadere motivering van zijn besluit van 7 april 2010 gegeven. Hij heeft hierbij wederom gewezen op de in overweging 2.8 genoemde en door hem gehanteerde vaste gedragslijn. Slechts in het geval van bijzondere omstandigheden wijkt hij af van deze gedragslijn. Zo'n bijzondere omstandigheid dient volgens de burgemeester een duidelijke en rechtstreekse relatie te hebben met de persoon van de overledene en van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

2.10. Naar het oordeel van de Afdeling diende de burgemeester volgens de rechtbank een volledige belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb te maken waarbij hij de belangen van [appellant] diende af te wegen tegen het algemene belang van grafrust. In de brief van 6 september 2010 heeft de burgemeester zich evenwel wederom op het standpunt gesteld dat slechts in het geval van omstandigheden die een duidelijke en rechtstreekse relatie hebben met de persoon van de overledene kan worden afgeweken van de in overweging 2.8 genoemde gedragslijn. De rechtbank heeft dit standpunt echter uitdrukkelijk verworpen. Met de niet gemotiveerde overweging in de brief van 6 september 2010 dat het conflict tussen [appellant] en [belanghebbende] en de daaruit voortvloeiende mentale en fysieke klachten onvoldoende zwaarwegend zijn om de grafrust te verstoren, heeft de burgemeester voorts niet de belangenafweging verricht die de rechtbank hem heeft opgedragen. De burgemeester heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het belang van grafrust zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij verlening van de vergunning, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de periode van tien jaar na de begrafenis van de overledene bijna was verstreken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het besluit van 7 april 2010 met de in de brief van 6 september 2010 gegeven nadere motivering, niet heeft hersteld.

2.11. Het beroep tegen het besluit van 7 april 2010, nader gemotiveerd bij brief van 6 september 2010, is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen. De burgemeester dient een nieuw besluit te nemen op het door [appellant] gemaakte bezwaar met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Hierbij dient de burgemeester uit te gaan van de feiten en omstandigheden zoals deze zich thans voordoen, met name de omstandigheid dat de termijn van tien jaar na de begrafenis van de overledene waarin de burgemeester volgens zijn vaste gedragslijn geen vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wlb verleent, inmiddels is verstreken.

2.12. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

2.13. Ten aanzien van het door [appellant] gedane verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb overweegt de Afdeling dat de burgemeester met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar dient te nemen. Niet zeker is hoe dat besluit zal luiden. Het is derhalve thans niet mogelijk om vast te stellen of en, zo ja, in welke omvang door [appellant] schade is geleden ten gevolge van het bij deze uitspraak vernietigde besluit. De Afdeling zal daarom het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 januari 2011 in zaak nr. 10-2403;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Diemen van 7 april 2010, kenmerk Ul10.01502;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. veroordeelt de burgemeester van Diemen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de burgemeester van Diemen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

280-591.