Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8909

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201009735/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Brouwhuis-Bruhezerweg 40" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009735/1/R3.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Helmond,

2. [appellante sub 2], wonend te Helmond,

3. [appellant sub 3], wonend te Helmond,

en

de raad van de gemeente Helmond,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Brouwhuis-Bruhezerweg 40" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 2], bij brief bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, [appellant sub 3], bij brief bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft bij brief, bij de raad ingekomen op 4 oktober 2010, en na doorzending ingevolge artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, beroep ingesteld tegen dit besluit.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011, waar [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Vast staat dat [appellant sub 3] geen zienswijze tegen het ontwerp van het plan bij de raad naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Deze omstandigheid doet zich hier niet voor.

Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk.

2.1.2. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Processueel bezwaar

2.1.3. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] dat het vaststellingsbesluit ten onrechte in eerste instantie niet is gepubliceerd in een plaatselijk huis-aan-huisblad, en dat dit pas later is gebeurd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na het bestreden besluit. Deze mogelijke onregelmatigheid kan de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten, zodat in zoverre geen grond voor vernietiging van het besluit bestaat.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in de bouw van maximaal vier woningen op het perceel Bruhezerweg 40.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld nu de bouwvlakken niet zijn voorzien aan de straat, waar ook haar woning op het naastgelegen perceel staat, maar 5 meter naar achteren naast haar tuin, waardoor haar privacy ernstig zal worden aangetast. Bovendien is dat in strijd met het bestemmingsplan, zoals dat gold toen zij haar woning kocht.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Vast staat dat in het voorheen geldende plan reeds woningbouw mogelijk was op het perceel. Blijkens de toelichting zijn de bouwvlakken in dit plan verplaatst zodat voor de woningen voldoende ruimte aanwezig is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren, zodat niet aan de straat behoeft te worden geparkeerd, hetgeen bijdraagt aan de verkeersveiligheid. De raad heeft hieraan in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 1] bij het voorzien van de bouwvlakken op de door haar gewenste locatie direct aan de straat. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze verplaatsing het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] niet onevenredig zal worden aangetast. De afstand tussen de voorziene woningen en de woning van [appellant sub 1] van ongeveer 12 meter is niet ongebruikelijk in een stedelijke omgeving en niet aannemelijk is dat de inkijk in haar tuin zodanig zal zijn dat het plan hierom in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten worden geacht.

Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

2.3.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.3.3. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.4. [appellante sub 2] voert aan dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan soortgelijke plannen van haarzelf en andere bewoners van de Bruhezerweg om woningen te bouwen op hun perceel geen medewerking is verleend. Anders dan bij die bouwplannen heeft de raad nu bovendien niet als voorwaarde gesteld dat de woningen vanaf de straat als één woning moeten lijken en op grote afstand van de zijdelingse perceelsgrens moeten komen. Verder betoogt zij dat het niet mogelijk is, anders dan de raad stelt, om twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein te realiseren. Dat zal ertoe leiden dat aan de weg zal worden geparkeerd, waardoor een onveilige verkeerssituatie ontstaat. Bovendien is het plan onuitvoerbaar, nu op een deel van de gronden waar de woningen zijn voorzien een erfdienstbaarheid rust, welke de raad niet bij het plan heeft betrokken. Tot slot voert zij aan dat er geen behoefte is aan de woningen en deze onverkoopbaar zullen zijn. De raad had minder woningen mogelijk moeten maken, nu dit bovendien beter aansluit bij het bebouwingslint.

2.4.1. Aan het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend en op de verbeelding zijn twee bouwvlakken opgenomen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woningen, tuinen en erven, en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder b, zijn per bouwvlak maximaal twee woningen toegestaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, geldt met betrekking tot parkeren de norm dat elke grondgebonden woning op eigen terrein dient te voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen.

2.4.2. Ten aanzien van de door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking van haar perceel met andere percelen in de straat waar geen nieuwe woningen zijn toegestaan, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat die situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, nu het andere locaties betreft en die woningbouwplannen niet recent zijn. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

2.4.3. Ten aanzien van de voorziene parkeerplaatsen stelt de Afdeling vast dat deze op de gronden met de bestemming "Wonen" zijn toegestaan. Voorts is bepaald dat per grondgebonden woning minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. De Afdeling overweegt dat de raad zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersveiligheid niet onevenredig zal worden aangetast door het plan, nu per woning voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig zal zijn en het plan daarmee niet zal leiden tot extra parkeren langs de straat. Het betoog faalt.

2.4.4. De Afdeling overweegt voorts dat de raad blijkens de toelichting bij het plan het gemeentelijke woningbouwbeleid heeft betrokken en dat de raad, gelet op het beperkte aantal voorziene woningen, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan hiermee niet in strijd is. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat er geen behoefte zal bestaan aan deze woningen. De raad heeft verder bij de keuze om hier woningen mogelijk te maken in redelijkheid groot gewicht kunnen toekennen aan het belang van het vervangen van de vervallen boerderij ter plaatse en de omvang van het perceel. Gelet hierop en nu in de straat reeds verschillende soorten woningen voorkomen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene woningen ter plaatse in strijd zouden zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

2.4.5. Gebleken is dat op een strook grond aan de westzijde van het plangebied een recht van overpad ligt ten dienste van het naastgelegen perceel en dat een deel van de gronden niet in eigendom is van de aanvrager van het plan. De Afdeling stelt voorop dat de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen voor gronden. Privaatrechtelijke verhoudingen spelen hierbij in beginsel geen rol, tenzij deze verhoudingen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. De raad heeft in dit verband aangegeven dat, indien de gronden niet kunnen worden verworven en de erfdienstbaarheid niet wordt opgeheven, ter plaatse geen vier, maar slechts drie woningen kunnen worden gerealiseerd, mede gelet op het benodigd aantal parkeerplaatsen. Nu uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening heeft gehouden met de in dit geval relevante privaatrechtelijke verhoudingen en de raad ter zitting voorts heeft aangegeven ten tijde van belang geen contact te hebben opgenomen met de betrokkenen, wordt overwogen dat de raad deze eventuele belemmeringen bij de uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende bij de vaststelling van het plan heeft betrokken. De raad heeft derhalve in zoverre gehandeld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De door de raad gestelde omstandigheid dat de uitvoerbaarheid van de woonbestemming als zodanig niet in het geding is nu ook drie woningen kunnen worden gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel, nu de raad uitdrukkelijk heeft besloten ter plaatse vier woningen mogelijk te maken en het derhalve op de weg van de raad lag de uitvoerbaarheid daarvan te onderzoeken.

2.4.6. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.4.7. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2] op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Helmond van 7 september 2010 waarbij het bestemmingsplan "Brouwhuis-Bruhezerweg 40" is vastgesteld;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Helmond tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,11 (zegge: tweeënveertig euro en elf cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Helmond aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

459-715.