Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201009458/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Salderes 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/53 met annotatie van P.M.J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009458/1/R3.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Best,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Best,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Best,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Salderes 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2010, en [appellanten sub 2], bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011, waar [appellant sub 1], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Crommentuijn en G.A.J.M. Jansen Msc, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond dat ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oranjestraat 82/82a een tandheelkundige praktijk tot 185 m² mogelijk had dienen te worden gemaakt, ingetrokken.

2.2. Ter zitting is vast komen te staan dat het op het perceel [locatie] aanwezige vrijstaande bijgebouw met ondergrond door [appellanten sub 2] is verkocht aan [appellant sub 1] en blijkens de notariële akte op 8 oktober 2010 aan [appellant sub 1] is geleverd. [appellant sub 1] heeft ter zitting aangegeven het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ten aanzien van dit bijgebouw, te willen voortzetten.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200508260/1) kan voor het op grond van rechtsopvolging onder bijzondere titel overnemen van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming aanleiding zijn in die gevallen waarin zonder deze overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging verloren gaat.

[appellanten sub 2] waren ten tijde van het door hen ingestelde beroep eigenaren van het bijgebouw met ondergrond op het in het plangebied gelegen perceel [locatie]. Door de verkoop en levering hiervan aan [appellant sub 1] is de eigendom geheel op hem overgegaan. [appellant sub 1] heeft voorts aangegeven het beroep, voor zover gericht tegen het betreffende plandeel, te willen voortzetten. Nu als gevolg van de verkoop het belang van [appellanten sub 2] bij dat plandeel is komen te vervallen en dit belang geheel op [appellant sub 1] is overgegaan, brengt een redelijke wetstoepassing in dit geval met zich dat hun beroep deels op naam van de rechtsopvolger kan worden voortgezet. Het beroep van [appellanten sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het bedoelde bijgebouw, moet dan ook worden geacht te zijn overgenomen door [appellant sub 1].

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de raad het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" in het noordwestelijk deel van het perceel [locatie] , het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" aan de Oranjestraat 75 en het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oranjestraat 82/82a, ten onrechte heeft vastgesteld.

Ten aanzien van het plandeel op het perceel [locatie] voert hij aan dat het vrijstaande bijgebouw ter plaatse, een magazijn van 135 m², ten onrechte niet geheel voor bedrijfsactiviteiten gebruikt mag worden, terwijl het reeds lange tijd voor bedrijfsactiviteiten is gebruikt. Het gebruik past bovendien in de omgeving, nu in de Oranjestraat als toegang tot het centrum altijd veel bedrijvigheid is geweest.

[appellant sub 1] voert ten aanzien van Oranjestraat 75 aan dat ten onrechte de op basis van twee bouwvergunningen aangebrachte overkapping niet in het plan is opgenomen.

Ten aanzien van het perceel Oranjestraat 82/82a voert hij aan dat de kadastrale ondergrond onjuist is, nu een bijgebouw ten onrechte op het naastgelegen perceel is ingetekend. Daarnaast beperkt artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, van de planregels ten onrechte het gebruik van het perceel voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven tot een maximale oppervlakte van 80 m², terwijl op het perceel thans een tandheelkundige praktijk is gevestigd met een groter oppervlakte. Ter plaatse dient een tandheelkundige praktijk tot 100 m² mogelijk te worden gemaakt, nu daarvoor vrijstelling is verleend.

2.4. Het perceel [locatie] heeft de bestemming "Wonen" en op het noordwestelijk deel van het perceel is op de ondergrond van de verbeelding een vrijstaand bijgebouw weergegeven.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het wonen in een woning en in samenhang daarmee aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven.

Ingevolge artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, geldt met betrekking tot het gebruik dat de vloeroppervlakte voor aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven in de woning en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte tot een maximum van 80 m².

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Salderes" uit 1982 had het perceel de bestemming "Eengezinshuizen in open en/of half-open bebouwing (E.1.O/HO)" en de bestemming "Achtertuin".

Ingevolge artikel 26, eerste lid en vierde lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 11, lid A, onder II, van de voorschriften van dit plan, werd, voor zover hier van belang, tot een gebruik van opstallen strijdig met de bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van op de gronden met de bestemming "Achtertuin" gebouwde vrijstaande bijgebouwen voor de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid en/of dienstverlening.

Ingevolge het vijfde lid, was het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 gelezen in samenhang met lid 4, sub a en b, zulks ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, mits aan een viertal voorwaarden wordt voldaan.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat het gebruik van het vrijstaande bijgebouw als magazijn voor bedrijfsactiviteiten onder het voorheen geldende plan "Salderes" uit 1982 op grond van de toegekende bestemming niet was toegestaan en niet is gebleken dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de voorschriften van dat plan is verleend. Voor zover wordt gewezen op een bouwvergunning van 14 januari 2003, wordt overwogen dat daaruit niet kan worden afgeleid dat het gestelde gebruik werd toegestaan.

Voor zover het gebruik onder de werking van het gebruiksovergangsrecht van genoemd plan zou vallen, heeft de raad onweersproken gesteld dat dit gebruik ten tijde van de vaststelling van het plan was beëindigd zodat reeds hierom daar geen rechten aan kunnen worden ontleend.

Gelet op het voorgaande heeft de raad geen aanleiding hoeven zien bedrijfsmatig gebruik van het gehele bijgebouw in het onderhavige plan mogelijk te maken en heeft hij in redelijkheid een beperking van het gebruik van gebouwen voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf tot 40% van het totale oppervlak met een maximum van 80 m² kunnen opnemen. De raad heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de straat een woonstraat betreft waarin slechts beperkt bedrijvigheid dient te worden toegestaan ter bescherming van de kwaliteit van de woonomgeving in verband met overlast die bedrijvigheid met zich kan brengen. Hij heeft daaraan in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang bij gebruik van het hele bijgebouw voor een aan huis verbonden bedrijf of beroep.

Voor zover [appellant sub 1] er op wijst dat hij het bijgebouw heeft gekocht teneinde een kwalitatieve verbetering ter plaatse te realiseren en dat hij naar aanleiding daarvan gesprekken met de gemeente heeft gevoerd over de gebruiksmogelijkheden van het bijgebouw, zijn dit omstandigheden van na het bestreden besluit, die reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten. Het betoog faalt.

2.5. Het perceel Oranjestraat 75 heeft de bestemming "Dienstverlening" en op de verbeelding zijn twee bouwvlakken opgenomen. De overkapping bevindt zich tussen deze twee bouwvlakken.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2, onder 8.2.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 8, lid, 8.2, onder 8.2.2, aanhef en onder a, mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen het bestemmingsperceel worden gebouwd, met dien verstande dat ze tenminste 2 meter achter de voorgevel van de bedrijfswoning zijn gelegen.

In artikel 1 is het begrip aan- en uitbouw gedefinieerd als een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is.

In artikel 1 is het begrip bijgebouw gedefinieerd als een gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, waarbij onderscheid wordt gemaakt in aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen.

2.5.1. Daargelaten de vraag of de overkapping een uitbouw of een aangebouwd bijgebouw is, overweegt de Afdeling dat deze overkapping tussen de in de twee bouwvlakken bestaande hoofdgebouwen staat en binnen het bestemmingsperceel. De overkapping is, gelet op artikel 8, lid 8.2, onder 8.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, derhalve als zodanig bestemd en toegestaan.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de kadastrale ondergrond op de verbeelding wegens het ontbreken van de overkapping onvolledig is, wordt overwogen dat het plan, gelet op artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 en de daarbij behorende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008, gebaseerd dient te zijn op een duidelijke ondergrond. Het ontbreken van de overkapping op de ondergrond brengt echter in dit geval niet reeds met zich dat sprake is van een onduidelijke ondergrond. Voorts merkt de Afdeling op dat aan de ondergrond in het kader van het bestemmingsplan geen bindende betekenis toekomt.

2.6. Het perceel Oranjestraat 82/82a heeft de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het wonen in een woning en in samenhang daarmee aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven.

Ingevolge artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.2, aanhef en onder a, gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen dat deze zowel mogen worden gebouwd binnen een bouwvlak als ter plaatse van de bouwaanduiding "bijgebouwen".

Ingevolge artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, gelden met betrekking tot het gebruik dat de vloeroppervlakte voor aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven in de woning en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte tot een maximum van 80 m².

In het voorheen geldende plan "Uitbreidingsplannen in onderdelen voor de kom Best en het Bata-dorp van de gemeente Best" uit 1954 had het plandeel de bestemming "Vrijstaande en dubbele woningen (C)" en de bestemming "Tuin of erf". Voornoemd als uitbreidingsplan tot stand gekomen bestemmingsplan bevat geen voorschriften met betrekking tot het gebruik van gronden.

2.6.1. Ten aanzien van het betoog dat een bijgebouw op het perceel op de verbeelding ten onrechte binnen de kadastrale grenzen van het perceel Oranjestraat 80 is weergegeven overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van zij, het bijgebouw op het perceel Oranjestraat 82/82a, gelet op artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.2, aanhef en onder a, van de planregels en de aanduiding "bijgebouwen" die op het perceel rust, als zodanig is bestemd. Dat de ondergrond op dit punt niet overeenkomt met de werkelijke situatie, maakt dat niet anders. Voorts verwijst de Afdeling naar hetgeen over de ondergrond is overwogen in 2.5.1 en overweegt dat het aangevoerde niet leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een duidelijke ondergrond. Het betoog faalt.

2.6.2. Op 21 februari 1989 heeft het college van burgemeester en wethouders een vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor de verbouw van het woonhuis ten behoeve van een kantoor en een garage. Uit de tekeningen behorende bij die vergunning volgt dat daarbij is uitgegaan van een ruimte van 89,5 m² op de begane grond en 50 m² op de eerste verdieping.

Op 20 januari 2005 is een vrijstelling en een bouwvergunning verleend om de ter plaatse aanwezige kantoorruimte om te bouwen tot een tandheelkundige praktijk met een oppervlak van 100 m².

2.6.3. Uit de planregels volgt dat op voormeld plandeel een aan huis verbonden beroep, waaronder een tandheelkundige praktijk, is toegestaan tot 80 m². De raad heeft deze beperking van het gebruik voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven in het plan opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van de woonomgeving in verband met overlast die bedrijvigheid met zich kan brengen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. De raad dient daarbij echter wel rekening te houden met bestaande rechten. Uit de verleende vrijstelling en bouwvergunning uit 2005 volgt dat het gebruik van het gebouw als tandheelkundige praktijk met een oppervlak van 100 m² is toegestaan. In deze vrijstelling staat verder dat het gebruik waarvoor in 1989 vrijstelling was verleend, als architectenbureau en atelier, is verplaatst naar het perceel Oranjestraat 75. De raad heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat de in 2005 verleende vrijstelling bepalend is.

Nu het plan ter plaatse echter slechts gebruik voor een aan huis verbonden beroep tot 80 m² toestaat, heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met het bij de vrijstelling van 2005 toegestane gebruik voor een tandheelkundige praktijk tot 100 m². Gelet hierop en nu de raad heeft erkend dat dit toegestane gebruik ten onrechte niet in het plan is opgenomen, heeft de raad in zoverre gehandeld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.6.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het in artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, van de planregels gestelde maximum van toepassing is op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oranjestraat 82/82a, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd en dat voor het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oranjestraat 82/82a de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven in de woning en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m². Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad heeft beoogd te voorzien in een planologische regeling die het bestaande gebruik mogelijk maakt en dat het niet aannemelijk is dat belangen van derden worden geschaad als dit gebruik als zodanig wordt bestemd.

2.7. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.8. [appellanten sub 2] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel aan de [locatie]. Zij voeren daartoe aan dat het zwembad, waarvoor vergunning is verleend, op het perceel ten onrechte ontbreekt op de verbeelding.

2.8.1. Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat het zwembad ten onrechte niet mogelijk is gemaakt in het plan, overweegt de Afdeling dat, gelet op artikel 14, lid 14.1 en lid 14.2, onder 14.2.3, aanhef en onder c, van de planregels, het plan een zwembad ter plaatse toestaat. Dat het zwembad ontbreekt op de ondergrond van de verbeelding maakt dit niet anders. Voor zover is betoogd dat de kadastrale ondergrond op de verbeelding wegens het ontbreken van het zwembad onvolledig is, wordt verwezen naar hetgeen over de ondergrond is overwogen in 2.5.1 en overwogen dat het ontbreken van het zwembad in dit geval niet leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een duidelijke ondergrond.

2.8.2. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8.3. Ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Best van

12 juli 2010, waarbij het bestemmingsplan "Salderes 2010" is vastgesteld, voor zover het in artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, van de planregels gestelde maximum van toepassing is op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oranjestraat 82/82a;

III. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd, en dat artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, voor het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Oranjestraat 82/82a als volgt luidt: de vloeroppervlakte voor aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m²;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en het beroep van [appellanten sub 2] geheel ongegrond;

V. gelast dat de raad van de gemeente Best aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

459-715.