Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201004640/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ommoord buiten de ring" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/76 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2011/113 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004640/1/R2.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rotterdam,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Rotterdam,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ommoord buiten de ring" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2010, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. E. van Lunteren en N. Solar Lago, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

Plan

2.1. Het plangebied van bestemmingsplan Ommoord buiten de ring is gelegen in deelgemeente Prins Alexander in het noordoosten van Rotterdam. Het omvat het gebied van de wijk Ommoord dat is gesitueerd buiten het rechthoekige stratenpatroon dat centraal in de wijk ligt. Het centrale gedeelte wordt ook wel Ommoord binnen de ring genoemd. Het plan legt hoofdzakelijk de bestaande situatie vast, alsook concrete ontwikkelingen.

Procedurele gebreken

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat het overgangsrecht neergelegd in artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) verkeerd is toegepast, omdat de eerste aanzetten voor het bestemmingsplan zijn gedaan voor de inwerkingtreding van de Wro.

2.2.1. Op 1 juli 2008 zijn de Wro en de Invoeringswet Wro in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp voor dat tijdstip ter inzage is gelegd.

2.2.2. Het ontwerpbestemmingsplan is op 13 februari 2009 ter inzage gelegd. Gelet op artikel 9.1.4, tweede lid, is derhalve de Wro van toepassing op het bestemmingsplan. Dat de eerste aanzetten voor dit bestemmingsplan zijn gedaan voor de inwerkingtreding van de Wro laat onverlet dat het bestemmingsplan ter inzage is gelegd na deze inwerkingtreding en gelet hierop de Wro van toepassing is. De raad heeft terecht de Wro toegepast. Het betoog faalt.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat hij en de buurtbewoners ten onrechte geen zienswijzen hebben kunnen indienen tegen het gehele plan vanwege gewijzigde vaststelling van het plan. Eerst bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn de hoogtes en de ruimten die de gebouwen innemen bekend geworden.

2.3.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Het plan is ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld. Er is besloten het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" voor de locatie van de schoolvoorziening te vergroten en het toegestane bebouwingspercentage te verhogen naar 85. Tevens is de maximaal toegestane bouwhoogte verhoogd naar 12 meter. De wijzigingsbevoegdheid is komen te vervallen. De functie ten behoeve van een schoolvoorziening blijft gehandhaafd. Voor de locaties waar de seniorencomplexen stonden zijn de beoogde ontwikkelingen bij recht planologisch mogelijk gemaakt. De bestemming "w2" is gewijzigd naar "Woongebied - A" en "Woongebied B", waarbij de woonbestemming gehandhaafd blijft en de wijzigingsbevoegdheid die in het ontwerp aanwezig was, is komen te vervallen. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt, dat noopt tot het opnieuw volgen van de wettelijke procedure. Diegenen die geen zienswijzen hebben ingediend tegen het voorontwerp kunnen wel beroep instellen tegen de wijzigingen. De raad heeft hieraan in de publicatie ook aandacht besteed. Het betoog faalt.

2.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat behandelingstermijnen niet zijn gehaald, overweegt de Afdeling dat nu het gaat om termijnen van orde dit niet leidt tot een gegrond beroep. Overigens is niet gebleken dat [appellant sub 1] hierdoor in zijn rechtsgang of anderszins is geschaad. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met een door een wethouder gedane toezegging. Hij voert in dat verband aan dat de wethouder naar aanleiding van een brief van [appellant sub 1] heeft aangegeven dat gewenste ontwikkelingen uit de tekst van het voorbereidingsbesluit geschrapt moesten worden. Hieraan is voldaan maar vervolgens zijn de ontwikkelingen wel in het bestemmingsplan opgenomen.

2.5.1. Als er al sprake is geweest van een toezegging van de wethouder zoals [appellant sub 1] heeft gesteld, zag deze uitsluitend op de inhoud van het voorbereidingsbesluit en niet de inhoud van het bestemmingsplan. Overigens kunnen in het algemeen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder, maar bij de raad. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat in het bestemmingsplan bepaalde aspecten zouden worden geregeld. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

Inhoud

Beroep van [appellant sub 1]

2.6. [appellant sub 1] kan zich, op grond van hierna te bespreken gronden, niet verenigen met de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk", "Woongebied-A" en "Woongebied-B" aan de Brongras, Kamgras en Nieuwe Ommoordseweg. Hij betoogt dat voor het voormalige (te slopen) seniorencomplex en schoolgebouw ten onrechte grotere gebouwen in de vorm van een appartementenblok en woningen en een grotere schoolvoorziening in de plaats komen, dat daarbij de bebouwingsgrenzen te ruim zijn getrokken. Volgens hem doet de schaalvergroting afbreuk aan het karakter van de Grassenbuurt en aan de stedenbouwkundige uitgangspunten. Door de nieuwe ontwikkelingen zal een aanzienlijk deel van de groenvoorzieningen in de wijk verdwijnen.

2.6.1. De raad is bevoegd op grond van gewijzigde planlogische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vast te stellen.

2.6.2. De functies op de locaties ter plaatse van de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Woongebied-A" en "Woongebied-B" veranderen niet ten opzichte van het vorige plan en passen binnen de stedelijke omgeving. Ter plaatse van de schoolvoorziening maakt de bestemming "Maatschappelijk (Mv)" dezelfde functie mogelijk en ter plaatse van de gesloopte seniorencomplexen is de woonfunctie geconsolideerd. Ten opzichte van de huidige situatie kan op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk (Mv)" en de bestemming "Woongebied-B" de bouwmassa aanzienlijk toenemen. Hoewel de maximaal toegestane bouwmassa ten opzichte van de omliggende woonbebouwing (van twee lagen met een kap) fors is en de ontwikkelingen deels ten koste van de bestaande groenvoorzieningen zullen gaan, is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze bouwmassa past binnen de structuur en het karakter van de Grassenbuurt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat er sprake is van een stedelijke omgeving en dat de toegestane bouwmassa's niet direct aansluiten op de omliggende bebouwing. Een bouwhoogte van 11 meter voor een appartementengebouw in een stedelijke omgeving acht de Afdeling niet onaanvaardbaar. Ter plaatse van de gronden van het voormalige seniorencomplex waaraan de bestemming "Woongebied-A" is toegekend kunnen grondgebonden woningen worden gerealiseerd. De grondgebonden woningen komen qua aard overeen met de omliggende woonbebouwing. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft in haar deskundigenbericht eenzelfde standpunt ingenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door deze bestemmingen de stedenbouwkundige structuur niet ingrijpend wordt gewijzigd. Het betoog faalt.

2.7. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" langs de Nieuwe Ommoordseweg waar de nieuwbouw van de basisschool De Piloot is voorzien, omdat hij vreest dat de beoogde schaalvergroting van de te vestigen basisschool De Piloot leidt tot een aanzienlijke verkeerstoename en daarmee een toename van verkeershinder. [appellant sub 1] betoogt dat hier onvoldoende onderzoek naar is gedaan.

2.7.1. In tabel 3 van de plantoelichting zijn de etmaalintensiteiten van de Nieuwe Ommoordseweg weergegeven voor drie wegvakken. Voor de locatie van de schoolvoorziening is met name het wegvak dat ligt tussen de Rijstgras en de President Rooseveltweg van belang. De etmaalintensiteit op dit wegvak bedraagt 3.675 verkeersbewegingen in het jaar 2017. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek, woningen aan Brongras en Kamgras, School 'de Piloot' te Ommoord" van 26 juni 2009 blijkt dat voor het jaar 2007 is uitgegaan van een etmaalintensiteit van 3.600 op hetzelfde wegvak. In het deskundigenbericht is vermeld dat niet kon worden vastgesteld dat in de etmaalintensiteit van 3.675 verkeersbewegingen de verkeersaantrekkende werking van de schoolvoorziening is verdisconteerd. Niettemin acht de StAB verkeersproblemen niet aannemelijk nu vast staat dat de Nieuwe Ommoordseweg is aangewezen als een 30 km/uur weg. In de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek betreffende de maximaal gewenste verkeersintensiteit op erftoegangswegen wordt voor 30 km/uur wegen een wenselijke bovengrens aangehouden van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Volgens het akoestisch rapport bedraagt de etmaalintensiteit op de Nieuwe Ommoordseweg 3.675 in het jaar 2017. De berekende etmaalintensiteit voor het jaar 2017 blijft derhalve ruimschoots onder de wenselijke bovengrens. Gelet op de bovengrens kan de verkeersintensiteit met circa 1.400 tot 2.400 verkeersbewegingen toenemen. De Afdeling acht niet aannemelijk dat door de herontwikkeling van de school de intensiteit met meer dan 1.400 verkeersbewegingen per etmaal zal toenemen. Dus ook in het geval de herontwikkeling van de school niet in aanmerking is genomen in het akoestisch onderzoek heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een toename van verkeer niet aan het plan in de weg staat. Dit betoog faalt.

2.8. [appellant sub 1] betoogt voorts dat in het onderzoek dat is verricht naar de luchtkwaliteit de verkeerstoename vanwege het groter aantal woningen aan de Kamgras en de schaalvergroting van de basisschool De Piloot ten onrechte niet zijn meegenomen.

2.8.1. Ingevolge de Wet milieubeheer gelden voor de concentratie fijn stof (PM10) een jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 en een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 μg/m3. Deze laatste mag 35 maal per jaar worden overschreden. Voor de concentratie NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3.

2.8.2. In de plantoelichting is vermeld dat onderzoek is verricht naar de luchtkwaliteit in het plangebied. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het luchtkwaliteitsrapport "Ommoord buiten de ring" van 8 april 2008. De luchtkwaliteit is blijkens het rapport zowel onderzocht bij autonome ontwikkeling als bij ontwikkeling inclusief de realisatie van het bestemmingsplan. Als onderzoeksgebied zijn de wegen in en rondom het plangebied genomen waar de planontwikkeling mogelijk een merkbare invloed heeft op de verkeersintensiteit. In het rapport is geconcludeerd dat zowel in het jaar 2008, als in 2010 en 2018 door het bestemmingsplan niet in betekende mate wordt bijgedragen aan de luchtkwaliteit.

In het luchtkwaliteitrapport wordt een aantal ontwikkelingen genoemd. Hier wordt de vervanging genoemd van 6 bouwblokken, met 32 woningen per blok, door een gelijk aantal woningen. Tevens wordt gesproken over twee buurten waar op een tweelaagse bebouwing een derde bouwlaag kan worden gerealiseerd. De Afdeling acht het met de StAB aannemelijk dat hiermee wordt gedoeld op de bouw van woningen aan de Kamgras en de bouw van het appartementencomplex aan de Brongras.

Blijkens het luchtkwaliteitsrapport is het wegvak langs de schoollocatie de Nieuwe Ommoordseweg in het onderzoek betrokken. De etmaalintensiteit op dat weggedeelte bedraagt 3684 motorvoertuigen per etmaal in 2018.

2.8.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat in het onderzoek dat aan het luchtkwaliteitrapport ten grondslag ligt het groter aantal woningen aan de Kamgras niet in aanmerking is genomen. Daargelaten of de schaalvergroting van de basisschool De Piloot in aanmerking is genomen in het onderzoek overweegt de Afdeling dat ook indien dit achterwege is gebleven de extra verkeersstromen die de schaalvergroting van de school teweeg brengt er niet toe kan leiden dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de grenswaarden voor de concentratie fijn stof (PM10) en voor de concentratie NO2 niet zullen worden overschreden door het plan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld over de berekening van de grenswaarde niet gemotiveerd is bestreden. Volgens het deskundigenbericht is de bijdrage van het plaatselijke verkeer aan de luchtverontreiniging berekend met behulp van het model CAR II versie 7.0.0.4. Voor het wegvak langs de schoollocatie aan de Nieuwe Ommoordseweg is berekend dat de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 23,8 μg/m3 en 19,3 μg/m3 bedragen en dat de etmaalgemiddelde grenswaarde voor PM10 10 maal wordt overschreden. Deze waarden zijn significant lager dan de grenswaarde. De marge voor PM10 bedraagt ongeveer 13 μg/m3. In het deskundigenrapport is gesteld dat gelet op deze marge ook indien rekening wordt gehouden met een extra verkeerstoename vanwege de school de grenswaarden niet worden overschreden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen reden het deskundigenrapport op dit punt niet te volgen. Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 1] betoogt ten slotte dat de wijzigingsbevoegdheid in het plan ten aanzien van basisschool De Piloot onvoldoende is uitgewerkt. Dit betoog mist feitelijke grondslag. De raad heeft bij de vaststelling de wijzigingsbevoegdheid voor de basisschool De Piloot immers laten vervallen.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk", "Woongebied-A" en "Woongebied-B" aan de Brongras, Kamgras en Nieuwe Ommoordseweg strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.11. [appellant sub 2] en anderen, die woonachtig zijn in de Rozenbuurt en de Varenbuurt, kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf- grond- en slibbank (GS)".

2.11.1. In artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a van de planregels zijn de voor "Bedrijf - grond - en slibbank" aangewezen gronden bestemd voor opslagterreinen, bouwwerken, werkterreinen en voorzieningen als een weegbrug en een spoelplaats ten behoeve van een grond- en slibbank, ontsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen.

2.11.2. Het plan voorziet in de planologische inpassing van de bestaande grondbank en de aanleg van een baggerdepot.

2.11.3. De afstand tussen de grens van het vlak met de bestemming "Bedrijf- grond- en slibbank (GS)" en het woonperceel van [appellant sub 2] aan de Parkroos 69 in de Rozenbuurt bedraagt ongeveer 110 meter en tot de woonpercelen van de overige appellanten aan de Koningsvaren 71 en 83 in de Varenbuurt bedraagt ongeveer 78 tot 80 meter.

2.12. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de inspraakprocedure niet op de juiste wijze is doorlopen, overweegt de Afdeling dat ingevolge de Wro de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aanvangt met de terinzagelegging van het ontwerpplan. De procedure waar [appellant sub 2] en anderen op doelen maakt hiervan geen onderdeel uit. Mogelijke onregelmatigheden in die procedure kunnen daarom geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten. Dit betoog faalt.

2.13. Ten aanzien van de vrees van [appellant sub 2] en anderen dat regelgeving met betrekking tot het bagger- en slibdepot niet wordt nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het besluit tot vaststelling van het plan, zodat deze beroepsgrond reeds daarom faalt.

2.14. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat aan de bestemming geen deugdelijke onderbouwing voor het baggerdepot ten grondslag ligt, overweegt de Afdeling dat aan het vrijstellingsbesluit ten behoeve van het baggerdepot een ruimtelijke onderbouwing van 27 juli 2006 en een aanvullende notitie van 29 oktober 2008 ten grondslag ligt die ook ter onderbouwing van het plan kon dienen. Dit betoog faalt.

2.15. Het betoog dat het desbetreffende gebied deel uitmaakt van het groene lint en een belangrijke recreatieve functie heeft en dat dit aan de toegekende bestemming in de weg staat, faalt evenzeer. Onder het oude bestemmingsplan rustte op de gronden de bestemming "Weg" en kon op de gronden een (rijks)weg worden aangelegd. Dat het gebied recreatief gebruikt zou worden omdat het braak lag, doet daar niet aan af. In het deskundigenbericht is ten aanzien van het recreatieve gebruik bovendien aangegeven dat in aanmerking genomen dat er thans een grondbank gevestigd is op het terrein, dat het terrein ten noorden van de grondbank verwilderd en dicht begroeid is en het feit dat het terrein vanaf de President Rooseveltweg niet toegankelijk is voor derden, het in de huidige situatie uitgesloten is dat het gebied een recreatieve functie heeft.

2.16. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de richtafstand uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering niet in acht is genomen. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege het bagger- en slibdepot in de vorm van stank-, stof en geluidsoverlast. Zij betogen dat het akoestisch onderzoek dat de raad heeft laten uitvoeren niet juist is.

2.16.1. De raad heeft bij de beoordeling of het plan past in de omgeving aansluiting gezocht bij de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Aanvankelijk is het baggerdepot ingedeeld bij de categorie bouwbedrijf met een bedrijfsoppervlakte van minder dan 2000 m². In het verweer heeft de raad gesteld dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2006, no. 200508299/1, indeling in de categorie gemeentewerven (afval-inzameldepots) beter aansluit bij het baggerdepot. De Afdeling overweegt dat deze laatste categorie een juist uitgangspunt vormt. Gemeentewerven (afval-inzameldepots) zijn in de bedrijvenlijst aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 3.1. Voor deze categorie is in de VNG-brochure een afstand aanbevolen van ten minste 50 meter van een woning. In de VNG-brochure is ter voorkoming van onaanvaardbare stof- en stankhinder een afstand aanbevolen van 30 meter en ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder van 50 meter. Deze indicatieve afstanden worden ten opzichte van de woningen van [appellant sub 2] en anderen in acht genomen. De kortste afstand tussen de woonpercelen van [appellant sub 2] en anderen in de Varenbuurt en Rozenbuurt tot de grens van het vlak met de bestemming "Bedrijf- grond- en slibbank (GS)" bedraagt ruim 70 meter en er wordt derhalve ruim aan de voorgeschreven afstanden voldaan. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks een zodanige verslechtering van hun woon- en leefklimaat kan worden verwacht dat de raad het plan op dit punt in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. De Afdeling neemt hierbij nog in aanmerking dat tussen de woning van [appellant sub 2] en anderen en het vlak met de bestemming "Bedrijf- grond- en slibbank (GS)" gronden liggen met de bestemmingen "Groen" en "Water". In het deskundigenbericht is aangegeven dat hierop een recreatieve zone met groenvoorzieningen en een watergang met een breedte van ongeveer 15 meter liggen.

2.16.2. Ten aanzien van het akoestisch onderzoek dat de raad heeft laten uitvoeren overweegt de Afdeling dat daarin de wijk waarin [appellant sub 2] en anderen wonen juist is gekwalificeerd als en woonwijk in de stad. Ook als zou worden uitgegaan van een rustige woonwijk, zoals [appellant sub 2] en anderen menen dat hun wijk zou moeten worden gekwalificeerd, dan blijft het door het baggerdepot geproduceerde geluid ook grotendeels binnen de voor die situatie geldende normen.

2.17. [appellant sub 2] en anderen betogen dat er ten onrechte geen bodemonderzoek is verricht.

2.17.1. Ten behoeve van de aanleg van het baggerdepot heeft het Ingenieursbureau Gemeentewerken Rotterdam een bodemonderzoek verricht om inzicht te krijgen in de opbouw en kwaliteit van het maaiveld en de bodem. Het onderzoek naar de kwaliteit van het maaiveld was met name gericht op de aanwezigheid van asbest. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "milieukundig bodemonderzoek, baggerdepot Ommoord te Rotterdam" van 5 januari 2009. Geconcludeerd is dat drie van de vier compartimenten waar baggerspecie gestort wordt niet tot hoogstens licht verontreinigd zijn. Bij het vierde compartiment dient de laag met repak eerst verwijderd te worden alvorens de gronden voor de opslag van baggerspecie aangewend kunnen worden. Met betrekking tot de aanwezigheid van asbest is geconcludeerd dat de locatie-inspectie bemoeilijkt werd door de aanwezigheid van veel begroeiing maar dat geen asbest is aangetroffen op de locaties waar geïnspecteerd kon worden. Op grond van het onderzoek is geconcludeerd dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het baggerdepot. Het betoog faalt.

2.18. [appellant sub 2] en anderen betogen dat er verstoring van de habitat van vogels en andere dieren kan plaatsvinden.

2.18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.18.2. De Afdeling overweegt dat de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Deze situatie doet zich hier niet voor.

2.18.3. Met de realisatie van het plan zullen de daar aanwezige natuurwaarden verdwijnen. De raad heeft door middel van een quickscan de ecologische waarden van het terrein verkend. De resultaten van de quickscan zijn opgenomen in het rapport "quickscan Terbregge". Deze verkenning betrof de aanwezigheid van broedvogels. Uit het rapport blijkt dat er geen locaties zijn aangetroffen waar vogels met een vaste rust- en/of verblijfplaats zouden kunnen verblijven. Op 20 december 2004 heeft de toenmalige Minister van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit een ontheffing verleend van de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet voor de aanleg van het baggerdepot. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er in redelijkheid niet van uit kon gaan dat de flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan. Dit betoog faalt.

2.19. Hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd omtrent de lozing van water heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Deze beroepsgrond dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

2.20. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de verandering van de bestemming in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit.

2.20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door het plan de grenswaarden voor de concentratie fijn stof (PM10) en de concentratie NO2 niet worden overschreden.

2.20.2. In de plantoelichting is vermeld dat onderzoek is verricht naar de luchtkwaliteit in het plangebied. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het luchtkwaliteitrapport "Ommoord buiten de ring" van 8 april 2008. Als onderzoeksgebied zijn de wegen in en rondom het plangebied genomen waar de planontwikkeling mogelijk een merkbare invloed heeft op de verkeersintensiteit.

2.20.3. [appellant sub 2] en anderen hebben niet onderbouwd waarom het plandeel in strijd is met het Besluit Luchtkwaliteit. Dit betoog faalt.

2.21. Ten aanzien van het betoog dat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar alternatieven, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Anders dan [appellant sub 2] en anderen stellen heeft er onderzoek plaatsgevonden naar alternatieve locaties. Zo zijn de locaties in het Ommoordseveld en het Wollefoppenpark onderzocht. Deze zijn afgevallen vanwege gebruiksfuncties. Bij het zoeken naar alternatieven werd, aldus de raad, veelal gestuit op het gegeven dat deze locaties maar enkele jaren beschikbaar waren. [appellant sub 2] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist. Dit betoog faalt.

2.22. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf- grond- en slibbank (GS)" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Proceskostenveroordeling

2.23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

224.