Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201103538/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103538/1/H3.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2011 in zaak nr. 10/4725 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet stelt de gemeenteraad, voor zover thans van belang, een huisvestingsverordening vast indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening tevens bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 (hierna: de Huisvestingsverordening) kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager in een acute noodsituatie verkeert of op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig heeft.

Ingevolge artikel 63 is het college bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Bij de uitoefening van de bevoegdheid ingevolge artikel 14 van de Huisvestingsverordening hanteert het college beleidsregels die zijn neergelegd in Uitvoeringsinstructie 5 'Urgentieverklaring en medische indicatie'. Volgens deze instructie, voor zover thans van belang, wordt de aanvraag van een urgentieverklaring afgewezen indien de aanvrager verblijft op (lees: in) een woning in onderhuur en indien hij financieel niet goed in staat is om een zelfstandig huishouden te voeren. Ook wordt volgens deze instructie de aanvraag afgewezen indien de aanvrager de afbetaling voor de eventueel aanwezige schulden niet voldoende heeft geregeld.

2.2. [appellant] heeft op 7 augustus 2007 voor de eerste keer een urgentieverklaring aangevraagd. Omdat hij niet voldeed aan het verzoek een contract schuldsanering over te leggen, heeft het college die aanvraag buiten behandeling gesteld.

Het college heeft de tweede aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen en die afwijzing in het bij de rechtbank bestreden besluit gehandhaafd, omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat de gezamenlijke schuld van hem en zijn voormalige echtgenote naar haar is overgeheveld. Naar het oordeel van het college heeft [appellant] daarom niet op een adequate wijze aangetoond dat zijn schuldenproblematiek goed is geregeld. Voorts heeft het college aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat [appellant] zich in een positie van onderhuur bevindt, hetgeen eveneens in de weg staat aan het verlenen van een urgentieverklaring. Het college heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule.

2.3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de hardheidsclausule in aanmerking zou moeten komen voor een urgentieverklaring, omdat de belangrijkste reden voor afwijzing van zijn eerste verzoek om urgentieverklaring was dat hij toen niet beschikte over een verblijfsvergunning, terwijl hij bij besluit, verzonden op 2 oktober 2009, alsnog, met ingang van 27 juni 2007, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule, omdat het college, ook indien [appellant] ten tijde van de aanvraag in 2007 in het bezit was geweest van een verblijfsvergunning, de aanvraag buiten behandeling had kunnen stellen wegens het niet overleggen van een contract schuldsanering. [appellant] voert aan dat hij nooit schulden heeft gehad en evenmin in de schuldsanering of een dergelijke maatregel is terechtgekomen, zodat dit feitelijk onjuist is.

2.3.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet in geding is dat ook volgens het gemeentelijke beleid dat gold ten tijde van de beoordeling van het eerste verzoek, de aanvraag van een urgentieverklaring werd afgewezen indien de aanvrager de afbetaling voor de eventueel aanwezige schulden niet voldoende had geregeld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de aanvraag, ook indien [appellant] destijds in het bezit was geweest van een verblijfsvergunning, buiten behandeling had kunnen stellen, omdat [appellant] niet had voldaan aan de verplichting om een contract schuldsanering over te leggen. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn stelling dat hij nooit schulden heeft gehad. Daarbij acht de Afdeling van belang dat [appellant] tijdens de hoorzitting gehouden op 29 juli 2010 heeft verklaard dat zijn voormalige echtgenote alle schulden heeft overgenomen en dat hij nog wel schulden heeft bij de bank. Ook neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat [appellant] blijkens het persoonsdossier tijdens het intakegesprek van 29 april 2010 heeft verklaard dat hij een schuldenlast heeft, hetgeen reeds het geval was ten tijde van de aanvraag in 2007.

[appellant] heeft verder geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot een bijzondere hardheid. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

280-697.